Woorden als 'weeskindjes'

FOUAD LAROUI is ook een beetje van ons. De schrijver is weliswaar in Marokko geboren, studeerde in Parijs, schrijft in het Frans, verbleef jaren in Engeland, maar woont en werkt al weer tien jaar in Nederland en heeft zelfs de Nederlandse nationaliteit aangenomen....

De botsing tussen die culturen is het onderwerp van zijn buitengewone romans. Soms zelfs tegen wil en dank.

Judith en Jamal, zijn tweede boek, had een romantisch liefdesverhaal moeten worden, maar de werkelijkheid drong zich op en maakte er een tragedie van, zoals Laroui in het eerste hoofdstuk uitlegt. Hij is naar eigen zeggen 'in de verkeerde liefdesgeschiedenis' terechtgekomen. In plaats van een idylle krijgt de lezer nu een moord, in plaats van een baby arriveert er een knokploeg.

Het verhaal is met Laroui aan de haal gegaan. 'Sommige van mijn personages sprongen, zonder het te vragen, tijdens de rit er ineens uit, alsof ze per ongeluk de verkeerde tram hadden genomen.' En de personages die bleven, kwamen in opstand.

De verteller wilde van zijn Parijse neef Jamal en diens joodse vriendinnetje Judith een verheven liefdespaar maken, maar dat mislukte. De geliefden zijn het niet met hem eens. Ze boren zijn dichterlijke vrijheden de grond in: ' 'Tering', zei Jamal, 'stinkvervelend, dat Venetië van jou. Waarom laat je ons niet naar Disneyland gaan?' '

Het gaat nog verder: Jamal heet helemaal geen Jamal. En Judith heet geen Judith. Hoe grof Larouis straattaal ook is, voor Jamal is ze veel te literair: 'en wee'je wa'k auk nie'snap: waarom je me de hele tèid as un book laat lulle. Waarom schrijf je niet zoals we zijn, zoals we echt pràte?', vraagt Jamal verontwaardigd.

Zo kan Laroui tot zijn spijt niet schrijven over de boswandelingen en schouwburgbezoekjes die hij voor ogen had, maar moet hij het hebben over de bonte Rue de Charonne in Parijs, waar het drama zich afspeelt. Met een onweerstaanbare vaart en humor vertelt hij dan van de couscous van Jamals moeder, het stijve onbegrip van Jamals vader, die niet wil dat zijn zoon met een joods meisje trouwt, de kwezeligheid van een strenge neef, de sexy onderbroeken van Judith, de onhandige dief stalletjes die Jamal en zijn vrienden plegen, het racisme van de Parijse gendarmes - alles waar de romancier het in zijn liefdesverhaal oorspronkelijk niet over had willen hebben. De opdringerigheid van de realiteit betekent zelfs dat hij er een mening op na moet houden, hoewel hij beslist een buitenstaander wil zijn.

Net als in zijn derde boek, dat hier eerder werd gepubliceerd - Kijk uit voor parachutisten -, pleit Laroui voor het individu. Mensen zouden zichzelf als onafhankelijke eenling moeten opstellen en niet als willoos lid van een gemeenschap. Vandaar dat hij woedend wordt op Jamal, wanneer die over zijn roots begint: 'Je bent toch geen boom, jij hebt helemaal geen roots. En al had je ze: waar ben je geboren?' Jamal is in Parijs geboren en komt, na een leerzaam reisje naar het Rifgebied, tot het inzicht dat hij meer in Parijs thuishoort dan in Marokko. Judith en Jamal is een ijzersterk pleidooi, niet zozeer voor aanpassing, als wel voor de eigen verantwoordelijkheid van de mens: je kunt je niet achter geloof of afkomst verschuilen.

Deze blijde boodschap maakt de roman niet tot een pamflet en dat komt doordat Laroui zelf de onbereikbaarheid van zijn ideaal aantoont. Aan het einde van zijn boek kun je je met reden afvragen of de generatie waarover hij het heeft, wel zoveel keuzevrijheid heeft. De joodse Judith en de Marokkaanse Jamal kunnen kiezen wat ze willen, de vooroordelen van hun vaders ruimen ze daarmee niet uit de weg: 'Maar een Arabier, mevrouw, een Arabier! Wou u dan dat ik opa van een Mohamed word, of een Fatima? Nou, die erken ik nooit van m'n leven, dat kan ik u nou al zeggen!'. Zodat Judith eenzaam eindigt achter een loket van de spoorwegen, en Jamal in de gevangenis belandt.

Nog tragischer is de oudere generatie. Laroui toont medelijden met Jamals moeder Mina die vanaf vijf uur 's ochtends van het ene schoonmaakadres naar het andere zeult, en ook de koppige vader beziet hij met deernis vanwege zijn angst en eenzaamheid: 'Hij had graag gewild dat men hem sjeik had genoemd, de Oude; maar in Parijs komt niemand erop hem iets anders te noemen dan monsieur Abal-Khaïl als alles in orde is, en 'Hé jij daar!' als er stront aan de knikker is of een misverstand.'

Tegelijkertijd spaart Laroui de conservatieve en wantrouwige oude baas de roede niet, net als de al te fanatiek religieuze neef Tarik, die zelfs een onschuldig potje dammen verbiedt. In de hem kenmerkende celiniaanse stijl tiert Laroui: 'Galvretende grafkop die je bent, jij schraalhanzerige teringlijer, jij verdomde azijnpisserige taliban.' Welbeschouwd moet in laatste instantie alles het ontgelden. Marokko vooral: 'Hier, in de Rif met zijn oranje grond, vind je alleen maar rancune en haat van nog vóór de Zondvloed.'

Midden in die woestijn leeft Jamals broer Momo die, opgesloten in een ongewenst huwelijk, symbolische vogelkooitjes bouwt met doorgezaagde tralietjes. Als Laroui met Jamal door het gebied rijdt, worden ze om het kwartier aangehouden door de 'gendarmus marocanus', die met 'vriend Dirham' moet worden omgekocht. De Marokkaanse vrouwen komen er ook niet erg goed af, te minder als ze erbij lopen als een 'hermetisch ingepakt suikerbrood'. Jamals vette schoonzuster heeft bijvoorbeeld een 'azijnbek': 'Ze kijkt nors, wat normaal is, want ze is binnen en hoeft zich niet meer uit te sloven om een man te verleiden.'

Maar ook de Fransen worden aangepakt, in de figuur van de gluiperd Gluard, 'een klein, mollig, sponsachtig mannetje', dat weliswaar geniet van couscous en van mooie Marokkaanse jongens, maar die verder neerkijkt op 'hoe heet 't ook weer? Een gastarbeider ('gast' ja, maar 'arbeider', m'n reet).'

Door al die kritiek op anderen komt Laroui misschien wat zelfgenoegzaam over. Zijn eruditie en zijn kennis van zowel de Europese als de Arabische cultuur versterken zijn Grote Gelijk. Maar daar staat tegenover dat hij zijn eigen positie als intellectuele buitenstaander niet buiten beschouwing laat: 'Heb ik het recht een definitief eindoordeel te vellen over Momo's leven?', vraagt hij zich bijvoorbeeld af. Belangrijker is dat Laroui laat zien dat hij faalt in zijn poging het verhaal van Judith en Jamal te herschrijven. Hoewel hij aan het einde van zijn boek nog een kunstgreep toepast door een vergeten oom met een erfenis te verzinnen en een geslaagde American Dream voor Judith en Jamal in elkaar te draaien, legt de literatuur het af tegen de realiteit en kan hij het sprookje niet waarmaken.

Daarom heeft het ook geen zin Laroui te verwijten dat hij de liefde tussen Jamal en Judith niet voelbaar of werkelijk maakt. Hij wil wel over hun liefde schrijven, maar zijn verhaal blijkt tegen wil en dank te moeten gaan over een generatieconflict en immigratie. In een van de hoofdstuktitels wordt de teleurstelling daarover tot uitdrukking gebracht: 'We komen toch in politiek vaarwater.' Bovendien: andermans liefde laat zich niet beschrijven, ontdekt Laroui achteraf. 'Ik was met een zeefje op weg naar zee', legt hij uit, 'ik besloot toen af te zien van intieme woorden die pretenderen iets uit te leggen.'

Die worsteling met de taal is een terugkerend motief in Larouis werk: 'Vreemdeling, dat is in de eerste plaats een kwestie van woorden.' Dat is wanneer de woorden geen associaties met zich meebrengen, maar 'weeskindjes' zijn, 'blaadjes die van een onbekende boom afvallen'. Omdat Laroui tracht een 'onontgonnen taal' te hanteren, woont hij het liefst in landen waarvan hij de taal niet begrijpt. Ook het Nederlands heeft hij naar eigen zeggen geprobeerd vrij te houden van 'culturele lijm': 'Moge er een dag komen waarop ik de tirannie van de woorden opnieuw kan ontvluchten', schreef hij in het Boekenweekmagazine.

Voor Nederlandse lezers is het te hopen dat die dag nog ver weg is, want met Laroui hebben we een schrijver van formaat in huis. Voor zo lang het duurt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden