Wonen op het derde honk

Voor het stadion van de Dodgers moest een arbeiderswijkje in Los Angeles plaatsmaken. In Chávez Ravine waren de mens arm maar gelukkig, meent Ry Cooder, die zich door foto's van de wijk liet inspireren tot een nieuwe plaat....

Vanuit New Yorks perspectief is het verhaal al vaak verteld en opgetekend. Oude supporters van de honkbalclub Brooklyn Dodgers, uit de wijken rond het vroegere stadion Ebbets Field, kunnen nog steeds emotioneel worden als ze terugdenken aan april 1958, toen de puissant rijke eigenaar Walter O'Malley de Dodgers met wortel en al uit de grond van Brooklyn trok en overhevelde naar Los Angeles. Daar kon een groter stadion worden gebouwd. Meer parkeerruimte, betere toegangswegen.

Op televisie zagen de fans in Brooklyn hoe hún Dodgers de L. A. Dodgers werden en tijdelijk het Memorial Coliseum betrokken. Ondertussen begonnen verderop in Los Angeles de werkzaamheden, in het afgelegen, heuvelachtige gebied Chávez Ravine. Vanaf januari 1959 kon het terrein bouwrijp worden gemaakt. In september 1961 ging de eerste paal van het nieuwe Dodger Stadium de grond in. Op 10 april 1962 werd het feestelijk geopend. De Brooklynites rouwden toen de eerste homeruns er werden geslagen. Ze waren de enigen niet.

Het verhaal dat de 'etnograaf van de popmuziek' Ry Cooder op zijn nieuwe album Chávez R avine vertelt, is het verhaal van de andere kant. Want wat voor het gemak vaak wordt weggelaten, is het feit dat op het afgelegen terrein in kwestie een arbeiderswijkje stond, waar een arme gemeenschap van hispanics gedurende de hele jaren vijftig vocht tegen de onvermijdelijke komst van de bulldozers.

'Vooruitgang noemden ze dat', zegt Cooder (1947), gezeten aan de koffietafel in zijn hotelsuite in Amsterdam. 'L. A. was ooit prachtig. Stad en platteland tegelijk. Overal mooie wijkjes in de heuvels, met Victoriaanse houten huisjes. Als kind sprong ik in Santa Monica, waar we woonden, op het open achterbalkon van de tram. Dan reed ik de bergen in, naar Bunker Hill, en van daar naar het strand. Een rit kostte een dubbeltje.'

Maar L. A. moest en zou 'Amerika's eerste stad zonder sloppenwijken' worden. Veel karakteristieke oude buurten, vooral de Latijnse, moesten wijken voor nieuwbouw. In juli 1950 bezorgde de postbode de eerste brieven in Chávez Ravine: een taxateur zou spoedig langskomen om de waarde van de woning vast te stellen. De bewoners werden verzocht het bod van de overheid te accepteren en te vertrekken.

Sommigen gingen vrijwillig. De laatsten werden in mei 1959 krijsend en vechtend uit hun huizen gesleurd, om seconden later te zien hoe hun woning tegen de vlakte ging.

'Ik herinner me die beelden nog uit het journaal', zegt Cooder, destijds een jongetje van twaalf. Het was zijn eerste kennismaking met Chávez Ravine. Hij was er nog nooit geweest. 'Niemand ging daarheen', zegt hij. 'Je kende alleen een paar Mexicanen als huishoudelijk personeel van gegoede burgers. Verder deden ze zwaar werk dat je nooit zag: in fabrieken, aan de spoorweg.'

Mexicaanse wijken waren 'off limits' voor 'goede Amerikanen': je hoorde verhalen over straatbendes van p a ch u c o s , zoals Mexicaanse jongeren werden genoemd, en broeiende sympathie voor het communisme. 'Dat werd ook als argument ingezet om die mensen hun huis uit te gooien', zegt Cooder. 'Het was de tijd van McCarthy: alles mocht als het om vermeende of zelfs maar potentiële ”rooien”ging. Grote bouwbedrijven waren betrokken bij de lastercampagne. De globalisering is tóen begonnen.'

Chávez Ravine lag goed verstopt, aan het einde van de Pasadena Freeway, verborgen in het hooggelegen Elysian Park. Je moest vanaf de weg een kronkelend zandpad volgen en de heuvel oversteken om het te zien liggen: huisjes met veranda's aan onverharde straten, soms in goede staat, soms met ge-mproviseerde golfplaten daken.

Dat de bevolking er arm maar niet per se ongelukkig was, dat achterdeuren er nooit op slot zaten en dat er geen enkele jeugdbende actief was, weten we eigenlijk alleen dankzij Don Normark, de fotograaf die in 1949 een hoog punt zocht om een foto van de skyline van L. A. te maken. Hij liep het steile zandpad op en trof tot zijn verbazing het lieflijke, kleurrijke wijkje aan. Een jaar lang fotografeerde hij er: straattafereeltjes, huizen, portretten, spelende kinderen. Zijn foto's van het 'poor man's Shangri-la' verschenen in 1999 in het boek Chávez Ravine, 1949: A Los Angeles Story.

Normark belde Cooder in 2001 met de vraag of hij wat eenvoudige filmmuziek kon leveren voor een korte televisiedocumentaire over de foto's. Cooder stuurde hem wat restmateriaal, maar in zijn hoofd 'liep het uit de hand'. Hij hóórde de chicano-klanken van de latino-buurten weer. Ze vermengden zich met zwarte rhythm-' n'-blues, jazz, swing en rock-' n-roll. Zó klonk L. A. in de fifties. Chávez Ravine, het kleine wijkje waar hij nooit was geweest, herinnerde Cooder aan de stad die niet meer bestond. Hij besloot dat er een heel album moest komen.

Cooder bladert door het fotoboek van Normark, dat voor hem op tafel ligt. 'Hier, kijk dit nou', zegt hij. 'Ziet dit er verdomme uit als een broeinest van criminelen en een gevaar voor Amerika? Die mensen waren gelukkig. Ze zijn de inzet geworden van een smerig spelletje om geld .'

Welkom in het L. A. van nu. Het was alsof Ry Cooder de stad van de jaren vijftig beter had onthouden dan het L. A. dat hij in de jaren negentig verruilde voor Cuba. Hij schrok toen hij er in 2000 terugkeerde. 'Toen pas zag ik hoe makkelijk je L. A. kunt haten en wat er allemaal verkwanseld is.'

Cooder verkaste naar Cuba om een plaat op te nemen met hoogbejaarde Cubaanse muzikanten, die hij nog één keer wilde laten schitteren. Het resultaat was de gelegenheidsgroep Buena Vista Social Club. Cooder stelde zich dienend op: hij bleef als bandleider op de achtergrond. De massale omhelzing van vergeten Cubanen als Ibrahim Ferrer, Eliades Ochoa, Rubén González en Compay Segundo was op elk denkbaar vlak het grootste succes uit Cooders lange carrière. Het overschaduwde zijn beroemdste soundtracks, waaronder die van Paris, Texas (1985), en succesplaten als Cr o s s r o a d s (19 85 ).

Maar goed, daar mogen we het niet over hebben van de platenmaatschappij. Strikte instructie aan de journalisten: uitsluitend vragen over Chávez Ravine, niet over Buena Vista. Cooder schatert: 'Zeiden ze dat? Wat een onzin. Zonder Buena Vista had ik Chávez Ravine, mijn meest arbeidsintensieve album, nooit kunnen maken.'

Hoe anders het Chávez Ravine-album ook is, één ding heeft de plaat met Buena Vista gemeen: ook nu werkte Cooder samen met muzikanten en 'stemmen' uit vervlogen tijden. Neem chicano-zanger Lalo Guerrero met zijn schitterende Rinus Michels-achtige stemgeluid. Of Don Tosti, die ooit een enorme latino-danshit scoorde met de Pachuco Boogie. En Willie G. van de groep Thee Midniters, die op het album de sfeer van de nachtclubs van L. A. terugbrengt in een zwoele cover van Three Cool Cats, een Leiber/Stoller-compositie .

Cooder interviewde oud-bewoners van Chávez Ravine, die hem vertelden over de broers die bokskampioen van de buurt waren, over de jongens die apetrots een oude Chevy uit 1939 oplapten om er op zaterdagavond de blits mee te maken. En ja, ook over de bulldozers.

Cooder: 'Die mensen waren moeilijk te vinden. Maar als ik ze eenmaal aan de telefoon had, zeiden ze zonder uitzondering: jij bent toch die knakker van Buena Vista? Dan hoefde ik niets meer uit te leggen.'

En, verdomd als het niet waar is: wat Cooder met Buena Vista overkwam, gebeurde nu weer. Hij bezocht Don Tosti net op tijd om diens ruwe stem vast te leggen voor het nummer El U. F. O. C ayó. In 2003 stierf de veteraan. Lalo Guerrero schreef en zong Corrido de Boxeo en het swingende Los Chucos Suaves, voor hij begin 2005 plotseling overleed. Net als Rubén González en Compay Segundo, vlak na het Buena Vista-succes. 'Het is toch niet te geloven?', zegt Cooder hoofdschuddend. 'Ik had geen vier maanden later moeten beginnen. Het was alsof ze op me gewacht hebben. Daarna konden ze gaan.'

Wat blijft, is de herinnering aan Chávez Ravine. Toen Cooder de bewoners vroeg waar ze precies woonden of waar bepaalde anekdotes zich afspeelden, noemden ze tot zijn ontroering specifieke plekken in het huidige Dodger Stadium: 'op rij zeven, achter de thuisplaat' of 'op het derde honk'. Cooder ontmoette ook Frank Wilkinson, de projectontwikkelaar die de buurt namens het stadsbestuur liet platgooien. 'Hij is nu ruim over de negentig. Ik vroeg hem: wat vind je nu van wat daar gebeurd is? Hij zei: ik vind het verschrikkelijk. Het was een grote fout.'

In de schaduw van het Dodger Stadium komen de nog levende bewoners van Chávez Ravine nog eens per jaar samen voor een picknick. Ze nemen Wilkinson niets kwalijk. Ook hij deed immers maar gewoon wat van hem verwacht werd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden