Wonderkind, alleskunner, warhoofd Willem Bilderdijk, 'de vergeten evenknie' van Vergilius en Dante

Vóór zijn tweede schreef hij al een liefdesbrief aan een meisje 'dat omtrent negen jaar oud was en mede vrij precoce was'....

Hij vertelt ons dit allemaal zelf, Willem Bilderdijk (1756-1831) - niemand heeft het ooit zo goed getroffen met zichzelf. Wanneer een gewoon mens dit over zichzelf zou schrijven, zouden we hem megalomaan of gewoon stapel mesjokke noemen. Maar Bilderdijk was - onder andere - dichter en dan heet zoiets al gauw 'kosmische zelfvergroting', wat iets minder riekt naar het gekkenhuis.

Bilderdijk heeft tijdens zijn leven grote roem gekend. Maar hij werd ook dwarsgezeten en kampte met tegenslagen, zowel in zijn beroepsleven als privé. Na zijn dood verging het hem slecht: zelden is een reputatie zo vernietigd als de zijne. Hier en daar bleef in protestantse kring zijn naam als denker en bezieler redelijk ongeschonden, maar die als geleerde en vooral als dichter heeft zich nooit kunnen herstellen van de mokerslagen die door onder anderen Busken Huet zijn uitgedeeld. Af en toe zijn er wel pogingen gedaan tot een herwaardering, bijvoorbeeld door Hendrik de Vries, maar tot merkbaar resultaat heeft dit niet geleid.

De laatste jaren schijnt de wetenschappelijke wereld weer aan zo'n herwaardering toe te zijn, althans dat verzekeren ons W. van den Berg en J.J. Kloek in hun uitgave van De kunst der poëzy. Dit is een groot leerdicht dat opgenomen is in de serie 'Nederlandse Klassieken' van Prometheus/Bert Bakker. Waarom dat gebeurd is, maken ook de samenstellers niet echt duidelijk. Ze reppen wel hier en daar van de grote invloed die Bilderdijk heeft gehad, maar dit geldt alleen voor de (mede)grondlegger van Het Reveil, een belangrijke stroming in het negentiende-eeuwse protestantisme. Van een invloed van de dichter is nauwelijks sprake. Natuurlijk heeft hij in zijn tijd navolgers gehad, maar die zijn nu nog veel meer vergeten dan hij (met uitzondering van Isaac Da Costa).

De droeve waarheid is dat de man die door tijdgenoten en vooral door zichzelf werd gezien als de evenknie van Homerus, Vergilius en Dante geen school heeft gemaakt, geen spoor heeft nagelaten in de Nederlandse literatuur, niets heeft geschreven dat nog enige indruk maakt. Hij schreef driehonderdduizend versregels, waarover Rob Nieuwenhuys cynisch opmerkte dat daar allicht enkele goede tussen zitten. Hij schreef ook een machtige hoop proza: het aardigste daarvan is Eene aanmerklijke luchtreis, waarschijnlijk het eerste Nederlandse science fiction verhaal (in het najaar verschijnt er een nieuwe editie van).

De uitgave van De kunst der poëzy lijkt specifiek gericht op literatuurhistorici, niet op gewone in literatuur geïnteresseerde lezers. Om die te bereiken moet zo'n uitgave vergezeld gaan van een inspirerend essay, waarin betoogd wordt waarom dit een belangwekkend werk is en de lezer ervan overtuigd wordt dat hij daar kennis van moet nemen. De inleiding van vijftig bladzijden is echter een dor-academische, die weliswaar opent met enkele uitstekende alinea's over de persoon Bilderdijk, maar die al na een bladzijde overgaat in dat ellendige dissertatie- en scriptie-proza van: we beginnen met, vervolgens zullen we, ook schenken wij aandacht aan, ten slotte presenteren wij een overzicht.

Lees je hierna de ruim vijfhonderd regels van het dichtwerk, dan vraag je je af waarom daarover zoveel drukte gemaakt moet worden. Voor zover ik door de uitroeptekens heen (bijna evenveel als er woorden zijn) het gedicht heb begrepen, gaat het over het primaat van het gevoel boven de rede en de verbeeldingskracht. De samenstellers hechten hieraan veel waarde, want ze benaderen de probleemstelling van allerlei kanten: is het gedicht een aanval op Kant, is het nu classicistisch en/of romantisch, waar staat Bilderdijk in de discussie tussen het 'empiristische' en het 'emotionalistische poëticale denken', enzovoorts.

Het gedicht is nog geschreven in de achttiende-eeuwse Parnas-taal: de 'dichterlijke' kunststaal met in elke zin een verwijzing naar de Klassieken, waarin Aristoteles 'de Stagyriet' heet en Apollo 'Febus', waarvan de zinsbouw pas duidelijk wordt na inspannend ontleedwerk en waarin niet zelden de grammatica naar eigen hand wordt gezet. Het is een taal die door zijn ingewikkeldheid verbergt dat misschien helemaal niets belangwekkends wordt gezegd, en die in elk geval niet in staat is bij de huidige lezer nog enige esthetische ervaring op te roepen. Soms vind je een expressieve herhaling of een mooie retorische vraag, maar het effect ervan verdwijnt door de opeenstapeling van retorische vragen, uitroepen ('ë') en herhalingen (binnen dertig regels: 'Zingt, Zangers, zingt', 'gedwee, gedwee', 'aan U, aan U', 'dat zacht, dat teer gevoel', 'meld, meld die kunstgreep mij', 'vergeefs, vergeefs gesmeekt').

Maar op de een of andere geheimzinnige manier gaat er toch iets uit van dit gedicht en dit egocentrische warhoofd. Het is overduidelijk dat Bilderdijk zich in zijn tekst serieus om iets bekommert, dat de 'kunst der poëzie' hem oprecht aan het hart gaat, en de samenstellers tonen aan dat hij lang en hard op de tekst heeft gezwoegd.

Het probleem met Bilderdijk is misschien dat hij - zoals zoveel autodidacten - heel veel kon en wist, maar niets echt goed. Hij schreef tussen alle sores door een ontzagwekkend oeuvre aan proza en poëzie bijeen, hij wist hele volksstammen ontzag in te boezemen met zijn voordrachtskunst (dat had hij van geen vreemde: zijn vader kon zo hard reciteren dat regelmatig glazen bokalen aan stukken sprongen), hij heeft een onmiskenbare invloed gehad op het protestantse geloofsleven en hij bedreef met evenveel enthousiasme zowel wetenschap als pseudowetenschap.

Hij kon ook nog alleraardigst tekenen en schilderen. Terecht heeft hij als een van de weinige schrijvers een eigen museumpje: enkele kamers in het VU-gebouw te Amsterdam. Eind vorig jaar verscheen de catalogus van alle kunstvoorwerpen hieruit: een fraai uitgegeven boek vol illustraties (helaas in zwart-wit) van vrijwel de hele collectie. Die catalogus verschaft meer leesplezier dan het dichtwerk. In zijn inleiding geeft de samensteller een beeld van Bilderdijk als beeldend kunstenaar en ook op dit gebied blijkt hij een alleskunner: hij vervaardigde architectuurschetsen, portretten, historische en bijbelse taferelen, vignetten, anamorfosen. De catalogus beschrijft, naast een kleine tweehonderd andere objecten, 63 van deze werken, waaronder een 'lintworm in een flesje' (pen en penseel in kleur, ongedateerd) van 12 bij 12 centimeter. Bilderdijk zelf zal dit werkje allicht minder belangrijk hebben gevonden dan zijn Kunst der poëzy; ik zou het liever in huis hebben dan het boek.

Willem Bilderdijk: De kunst der poëzy. Ingeleid en van aantekeningen voorzien door W. van den Berg en J.J. Kloek. Prometheus/Bert Bakker, ¿ 45,- (gebonden),

¿ 29,90.

Ton Geerts: Het Bilderdijk-Museum. Catalogus van kunstvoorwerpen. Primavera, ¿ 39,50 (in het Bilderdijk-Museum ¿ 30,-). Ook verkrijgbaar door storting op giro 367063 t.n.v. Bilderdijk-Museum Leiden (¿ 36,50 incl. porto).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden