Wöltgens is geen partij voor Bolkestein

In zijn geruchtmakende pamflet De nee-zeggers keert Thijs Wöltgens zich tegen het marktdenken dat de hele wereld, inclusief zijn eigen sociaal-democratie, overspoelt....

SINDS Thijs Wöltgens het centrum van de nationale politiek heeft verruild voor het burgemeesterschap van Kerkrade, wordt hij steeds naar voren geschoven als denker die het VVD-leider Bolkestein moeilijk moet maken.

In zijn politieke pamflet De nee-zeggers ziet de voormalige PvdA-fractievoorzitter uit de Tweede Kamer de opmars van het neo-liberalisme als een groot gevaar voor de West-Europese verzorgingsstaat, en keert hij zich ook tegen de liberale tendenties in zijn eigen partij. Het paarse kabinet deugt in zijn ogen al net zo weinig als het 'nieuwe Labour' van Tony Blair, die op de erfenis van het thatcherisme wil voortbouwen in plaats van ermee te breken.

In een eerder geschrift, Lof van de politiek, uit 1992, irriteerde Wöltgens zich al mateloos aan het feit dat het liberale marktdenken na de val van de Berlijnse Muur tot winnaar is uitgeroepen, en niet de sociaal-democratie.

Men kan de hartekreten van Wöltgens afdoen als het geblaas van iemand die is uitgerangeerd, maar dat miskent het belang van de zaak. De nee-zeggers is geschreven uit woede en onbegrip, en dat is te merken. Het boekje maakt zijn titel volledig waar, en laat zich hoofdschuddend lezen. Wöltgens begrijpt weinig van de ideeën van de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek, volgens hem de profeet van een 'wereldgeloof' dat tot de voortdurende aanpassing aan de wereldmarkt oproept.

Daarom zou er nu van Zweden tot Nieuw-Zeeland hetzelfde beleid worden gevoerd, ongeacht de partijpolitieke kleur van de regeringen. Ook als dat waar zou zijn, wat maar half zo is, overschat Wöltgens Hayek's invloed schromelijk.

Toen Nederlandse economen onlangs een lijstje mochten opstellen van hun favoriete auteurs, stonden de interventionisten Keynes en Tinbergen als vanouds bovenaan. Hayek werd niet eens genoemd, en de PvdA was in economenland nog steeds veruit de grootste partij.

Dat duidt erop dat het merendeel van de Nederlandse economen het wetenschappelijk debat van het laatste decennium aan zich voorbij heeft laten gaan. Ook niet-economen - hier spreekt een simpele historicus - mogen dat verontrustend vinden, en binnen de context van deze intellectuele stagnatie is De nee-zeggers een onthullend geschrift.

Voor soevereine geesten is er geen mooier woord dan 'nee', als teken van zelfstandig nadenken, dwars tegen de tijdgeest in. Maar het 'nee' van Wöltgens staat voor bokkigheid, en daarmee is hij minder 'tegendraads' dan hijzelf denkt.

Luister naar een gewiekst minister als Ad Melkert, die over banenplannen filosofeert alsof ze een groot succes zijn en werkgevers 'die onnodig werkloosheid veroorzaken' wil bestraffen - en het is alsof de paarse coalitie een kopie is van het kabinet-Den Uyl.

Tegen beter weten in wordt vastgehouden aan ideeën waarvan de ondeugdelijkheid in de jaren zeventig omstandig is bewezen. De geest van Wöltgens is in het corporatistische Nederland nog steeds ruim vertegenwoordigd, en het paarse kabinet is met dirigistische bewindslieden als Borst, Melkert en Ritzen minder 'liberaal' dan vaak wordt beweerd. De vrije markt stuit op diepe argwaan. Als de overheid al terrein prijs geeft, dan gebeurt dat héél voorzichtig en met mate.

W & Ouml;LTGENS' 'nee' had doel getroffen als hij zich gericht had tegen de modieuze manier waarop in Nederland 'de markt' wordt aangeroepen. Vaak is het een reclamekreet, waarbij de echte marktwerking angstvallig wordt vermeden. De overheid neigt ertoe privatiseringen en verzelfstandigingen 'te begeleiden', om de sprong in het diepe niet te groot te maken. Zo'n stap-voor-stap-benadering lijkt verstandig, maar leidt in de praktijk tot een schemerzone tussen staat en markt.

Privatiseringen die blijven steken in het stadium van ambtenaren die in zaken gaan en elkaar voor dezelfde diensten 'marktconforme' tarieven gaan berekenen, kunnen niet anders dan kostenverhogend uitpakken. Dit zijn echter uitwassen waarvoor de politiek - niet de markt - verantwoordelijk is.

De gewenste doelmatigheidsverbetering treedt pas op als er van echte vrije mededinging sprake is. Dat vraagt om stringent anti-kartelbeleid van de overheid, wat heel iets anders is dan de 'regulering' of 'prijsafspraken' waarmee de overheid slechts enkele uitverkoren partijen begunstigt.

Voor Wöltgens is de markt geen ordeningsmechanisme dat vrije individuen disciplineert om hun kwaliteiten zo rationeel mogelijk te ontplooien. Voor Wöltgens is de markt een geloof dat alles en iedereen aan zich onderwerpt en tot koopwaar maakt. Bij hem staat de onvrijheid van de markt voorop, terwijl de (consensus-)politiek van de verzorgingsstaat juist garant staat voor de vrijheid.

Deze omkering is van groot belang. Voor politici is dit een natuurlijke manier van denken, want voor hen is het bijna vanzelfsprekend dat de overheid het beter weet dan de mensen zelf. En veel mensen zien de markt bijna automatisch als 'rechts' of 'asociaal'.

Wöltgens geeft dat ressentiment nog eens extra voeding door te melden dat zijn grootvader een welhaast middeleeuwse timmerman was, die arme mensen minder in rekening bracht, en dat zijn grootmoeder nog kon huilen van dankbaarheid toen zij haar eerste AOW kreeg. Zij hebben zich, aldus Wöltgens, door geen enkele ideologie van de wijs laten brengen en zijn mens gebleven (socialistisch zijn ze kennelijk ook niet geweest).

Natuurlijk schieten na zulke passages de tranen in de ogen - wat een lieve mensen - en misschien denkt de vader van Wim Kok er net zo over, maar daarmee zijn de timmersmanswijsheden van de familie Wöltgens nog geen bewijs voor de principiële onrechtvaardigheid van de markt. De markt is op zichzelf neutraal en heeft niets met recht of onrecht te maken. De markt kan dus nooit een ideologie zijn, zoals Wöltgens beweert.

Dat de vakbeweging verbeteringen voor haar leden kon afdwingen, kwam in de eerste plaats door de krappe arbeidsmarkt, waarvan tijdens de opbouwjaren goed gebruik is gemaakt (de markt kan ook nivellerend uitpakken). Er is genoeg reden om op het gezond verstand van de gewone man te vertrouwen, maar als de gewone man wordt aangeroepen om elementaire zaken, zoals de werking van het marktmechanisme, verkeerd weer te geven begeeft men zich op een hellend vlak. Zoiets heet populisme, een versimpelingstechniek die de politicus Wöltgens voortdurend aan zijn tegenstanders toeschrijft.

Het 'nee' tegen het economisch liberalisme van Wöltgens is een 'ja' voor de Westeuropese verzorgingsstaat. Daarmee doet hij het voorkomen alsof West-Europese verzorgingsstaten in een soort niche verkeren, waardoor ze zich blijvend en uit vrije wil kunnen afschermen tegen de onzekerheden van de wereldmarkt. Aanpassing is voor hem onderwerping aan het dictaat van de markt, en dat wordt voorgesteld als bedreiging van de democratie en de sociale cohesie van de verzorgingsstaat. Als de druk van de wereldmarkt op een land toeneemt, neemt de handelingsvrijheid van dat land evenredig af.

Met dit soort redeneringen geeft Wöltgens aan dat vrijheid voor hem bestaat uit de hoeveelheid beleidsopties van een nationale staat. Dit is precies The Road to Serfdom (De weg naar slavernij) waarvoor Hayek in zijn klassieke boek uit 1944 heeft gewaarschuwd.

Door krampachtig aan arrangementen van de verzorgingsstaat te blijven vasthouden, hoewel die een obstakel zijn voor een goede werking van de arbeidsmarkt, stagneert de welvaartsontwikkeling en neemt de werkloosheid toe. Zo wordt een kansloze onderklasse geschapen, die niets anders rest dan op uitkeringen te vegeteren waarvan de hoogte 'politiek' wordt bepaald.

Dat deze explosieve ontwikkeling, die in West-Europa al twintig jaar gaande is, door de sociaal-democraten wordt verdedigd, hoewel het voorbeeld van Amerika toont dat werkloosheid geenszins een natuurverschijnsel is, geeft aan dat deze stroming zijn meritocratische roeping uit het oog heeft verloren.

Sussende verhalen, over de wenselijkheid van een 'ontspannen samenleving' (Wöltgens) en 'de goede sociale prestaties waartoe Nederland met beperkte middelen in staat is gebleken' (Melkert), dragen ertoe bij dat de opties voor de groepen voor wie sociaal-democraten zeggen op te komen stelselmatig worden verkleind. Dat komt niet door de wereldmarkt, maar door de politiek, die toch nog altijd verantwoordelijk is voor herverdeling van meer dan de helft van het BNP.

DAT ZORGT eerder voor te veel beleidsopties, waardoor de politiek voor de burger nog steeds een onvoorspelbaar element blijft. Paars leek een kentering ten goede in te luiden, maar daarvan is pas echt sprake als binnen de PvdA nee-zeggers van het type Wöltgens met overtuiging de wacht wordt aangezegd. Dat is hard nodig, want op de politieke markt voor eigentijdse ideeën kan Bolkestein best wat concurrentie gebruiken.

Dirk-Jan van Baar is historicus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden