WO II maakt nog altijd slachtoffers

Er zijn nog altijd honderden slachtoffers op wie de effecten van die oorlog nu pas vat krijgen. Vorig jaar deden 1.774 getroffenen voor het eerst een aanvraag voor een oorlogspensioen of -uitkering.

Van onze verslaggeefster Ellen de Visser

‘Wij zijn soms echt verrast dat mensen die vreselijke dingen hebben meegemaakt, nu pas bij ons aankloppen’, zegt locatiemanager Hugo Vogelaar van de Stichting 1940-1945. Met de ouderdom komen beelden terug die lang zijn weggedrukt, beseft hij. ‘Ouderen krijgen meer vrije tijd, kunnen fysiek minder en gaan piekeren.’

Hans van der Hoeven van de stichting Pelita, die oorlogsgetroffenen uit het voormalige Nederlands-Indië begeleidt: ‘Velen hebben na de oorlog een actief leven geleid, maar vaak komen ze na een stressvolle gebeurtenis zichzelf tegen. Als bijvoorbeeld hun partner overlijdt, worden ze opeens ingehaald door hun verleden.’

Driekwart van de eerste aanvragen is afkomstig van Indische Nederlanders. Die groep was jaren slecht op de hoogte van de mogelijkheid een uitkering aan te vragen en haalt nu de achterstand in. Velen van hen zijn kampkinderen die met het verstrijken der jaren psychische problemen hebben gekregen.

Het overige kwart wordt vooral ingediend door burgers die in Nederland, vaak als kind, bombardementen en beschietingen hebben meegemaakt of die als jongvolwassenen in Duitsland moesten werken.

Afhankelijk van de achtergrond van de aanvrager maken Pelita, de Stichting 1940-1945 of het Joods Maatschappelijk Werk een sociaal rapport op: een uitgebreid persoonlijk verhaal over het leven tijdens en na de oorlog. Aanvragers die melding maken van een verzetsverleden worden gecontroleerd door de Stichting 1940-1945. De rapporten en de eventuele verzetsverklaringen gaan naar de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), die moet beslissen of de aanvragen worden gehonoreerd.

Daartoe doet de PUR zelf onderzoek. Medewerkers speuren in het eigen archief en in gemeentearchieven, zoeken naar bevestiging in verklaringen van anderen en overleggen met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie of het Rode Kruis.

De PUR regelt de uitvoering van vijf oorlogswetten, die tussen 1947 en 1986 tot stand kwamen: drie soorten pensioenen voor verzetsmensen en hun nabestaanden, uitkeringen voor burgeroorlogsgetroffenen en voor vervolgingsslachtoffers. Bij elkaar ging het vorig jaar om 344 miljoen euro, bestemd voor ruim 34 duizend personen.

Om voor een geldbedrag in aanmerking te komen is het niet voldoende om louter de oorlog te hebben meegemaakt, zegt André Kuijpers, coördinator communicatie en externe betrekkingen van de PUR. ‘De wetten zijn bedoeld voor de groep die het onevenredig zwaar heeft gehad.’

Maar de beoordeling van de aanvragen levert steeds meer problemen op. Een kampverleden is nog na te gaan, maar gewelddadigheden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd in Nederlands-Indië zijn lastiger te checken, ook omdat steeds meer getuigen van toen overlijden. Vogelaar van de Stichting 1940-1945 zegt dat zijn organisatie helaas vaak moet vaststellen dat de verzetsactiviteiten van aanvragers niet aannemelijk kunnen worden gemaakt. Vorig jaar werd slechts een kwart van alle 1.774 aanvragen toegewezen, zo blijkt uit cijfers van de PUR. Kuijpers beseft hoe pijnlijk een afwijzing kan zijn: die wordt vaak opgevat als een ontkenning van het leed.

Om de toenemende verificatieproblemen voor te zijn, is besloten de oorlogswetten bij alle Indische oorlogsgetroffenen onder de aandacht te brengen. Kuijpers beschouwt die benadering, waarbij de PUR samenwerkt met de stichting Pelita, als ‘de laatste slag’: de komende jaren, zal het aantal eerste aanvragen rap afnemen, denkt hij, ook omdat steeds meer oorlogsslachtoffers overlijden.

Om de identiteit van de Indische Nederlanders te achterhalen is gebruik gemaakt van het adressenbestand van de stichting Het Gebaar. Die stichting verdeelde zes jaar geleden namens de overheid 160 miljoen euro onder de Indische gemeenschap, als tegemoetkoming voor het kille beleid dat hun ten deel was gevallen. Zo’n 100 duizend personen meldden zich toen, van wie een groot aantal niet bekend bleek bij de PUR.

De komende tijd maakt de PUR zich op voor de laatste bulk historische onderzoeken. Een voordeel is dat alle aanvragen nu zijn gedigitaliseerd, wat soms snel uitkomst kan bieden. Zo ontving de raad onlangs de aanvraag van een man die na de oorlog in Nederlands-Indië door een groep radicale jongeren was opgepakt en met vijftien anderen tegen een muur was gezet om te worden gefusilleerd. Ze overleefden het, maar hadden doodsangst uitgestaan.

De man wist over het voorval niets te melden: niet wie de andere veertien waren, niet wie de jongeren waren. Verificatie leek onbegonnen werk, totdat uit de databank exact hetzelfde verhaal werd opgediept – van een van de anderen uit de rij van vijftien.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden