Wit begint, zwart wint

Kunstschilder Kerry James Marshall heeft zich tot taak gesteld in zijn eentje de kunstgeschiedenis van richting te veranderen. Dit huzarenstukje is nu in Antwerpen te zien.

Beeldende kunst

Kerry James Marshall: Painting and other stuff.

T/m 2/2, in MuHKA Antwerpen, muhka.be

Een stierenvechtster met glitterpak en donker gezicht. Een zwarte man uitgedost als victoriaanse lord. Kunstenaars, van de Zuid-Afrikaanse videomaker Nandipha Mntambo tot de Afro-Britse Yinka Shonibare, stoeien vaak met beelden die in het collectieve, westerse geheugen staan gegrift. Daarbij is in een oogopslag duidelijk: hier klopt iets niet. Dit is een blank verhaal. Wie geel, bruin, donker of anders getint is, heeft in dit verhaal niks te zoeken.


Ook de Afro-Amerikaanse kunstenaar Kerry James Marshall (60) stoeit met beelden. In zijn eerste grote tentoonstelling in Europa, in het Antwerpse Museum voor Hedendaagse Kunst MuHKA, is dat te zien. Net als Jake uit de thriller 22-11-1963 van Stephen King reist hij terug in de tijd. Jake wil de geschiedenis zo veranderen dat hij de moord op John F. Kennedy kan voorkomen. Kerry James Marshall heeft zich de huzarentaak gesteld in zijn eentje de hele kunstgeschiedenis van richting te veranderen.


Daartoe kruipt hij elke keer in een andere huid. De ene keer is hij de olijke rococo-schilder François Boucher, de andere keer is hij Édouard Manet, die zijn impressionistisch geschilderde naakt ondeugend naar de toeschouwer laat kijken. Hij eigent zich de krachtpatserbeelden toe van de Amerikaanse hogepriester van de abstractie Barnett Newman of maakt documentairefoto's van gebouwen zoals Ed Ruscha dat deed.


Dat Marshall geen schilder is die zich vol overgave stort op het schilderplezier, mag duidelijk zijn. Zijn schilderijen zijn glad, vlekkeloos en onpersoonlijk gepenseeld. Ze lijken eerder gedrukt dan geschilderd. Dat heeft groot effect, want door die platte, cartooneske uitstraling knallen de beelden helder en duidelijk de ruimte in.


Om een gortdroge en voorspelbare exercitie te voorkomen, past hij zijn guerrillatactiek voortdurend aan. Wat vaststaat: in zijn schilderijen komt geen wit mens voor. Steevast schildert hij zwarte figuren waar je ogen gewend zijn aan witte, soms zo egaal en ontdaan van individuele trekken dat ze symbolen worden, vertegenwoordigers van een grote bevolkingsgroep. Dat gebeurt in zijn rococo Vignettes, waarin hij een uitbundig zwart liefdespaar plaatst in het decor van een pastorale woonwijk. In vijf scènes slaat de sfeer langzaam om. Bomen veranderen in armen, een tuinhek wordt een geheven vuist, de hoofdrolspeelster lacht niet meer. Ook de toeschouwer vergaat het lachen. Die weet net als dat beeldschone, zwarte paar: dit pastorale beeld is gezichtsbedrog.


Zijn de Vignettes komisch en overrompelend, in zijn 19de-eeuwse kostuumportretten speelt Marshall op het gevoel. Het zou heroïsch moeten zijn, een zwarte man in een schitterend blauw officiersuniform met opgepoetste knopen. Zo werden in de 19de eeuw helden afgebeeld. Maar deze man, in dit geval de tegen slavernij vechtende David Walker, is door Marshall zo onhandig en ruim in zijn pak gezet, een pak dat duidelijk niet voor hem is gemaakt, dat het schuurt en verwart en ontroert.


Steeds vanuit een andere hoek slaat Marshall toe, want hij schildert net zo makkelijk figuratief als abstract. Gigantisch is zijn drieluik Who's Afraid of Red, Black and Green, een knipoog naar Barnett Newmans schilderijenserie Who's Afraid of Red, Yellow and Blue uit de jaren zestig. Marshall schildert soortgelijke kleurvelden, maar dan in de kleuren van de Pan-Afrikaanse vlag en net wat groter dan de doeken van Newman. Alleen zinderen zijn kleurvelden niet, zij zijn niet bedoeld voor een hallucinerende, sublieme ervaring. Toen Newman het zich kon permitteren zich over te geven aan kunst omwille van de kunst, zinderde voor Marshall de maatschappij van onrust en rassenrellen. Die politieke realiteit, die andere kant van de geschiedenis, schemert subtiel door in de rode, pamflettistische letters die zich losmaken van het rode kleurveld.


Luchtig en serieus, hilarisch en schrijnend, komisch en keihard schildert Marshall zichzelf de kunstgeschiedenis in en laat hij en passant zien hoe 'blank' en eenzijdig, en misschien wel discriminerend 'onze' geliefde westerse kunstgeschiedenis is.


Dat huzarenstuk is gelukt. Voor zijn tweede doel is nog een lange weg te gaan. Marshall zou willen dat zijn jonge neefjes en nichtjes zich anders dan hijzelf welkom voelen in de musea, die blanke bolwerken. Die zouden ook schilderijen moeten tonen waarin donkere mensen figureren. Daartoe is de eerste stap gezet. Zijn werk is mondjesmaat aangekocht door Amerikaanse musea. Nu de Europese nog.


Beeldenberg

Een groot deel van de knipsels die Kerry James Marshall sinds zijn jeugd bewaart, is in Antwerpen op de grond gekieperd. Die beeldenberg lijkt volkomen willekeurig, totdat je oog op vreemde zwart-witverbanden valt. Een schilderij van Rembrandt naast dat van een Afro-Amerikaanse kunstenaar, dat aanzienlijk minder geld waard is. Jezus aan het kruis naast vier zwarte mannen, gelyncht in Kentucky. Dat roept een stoet aan vragen op. Wie bepaalt hoeveel een schilderij waard is? Welk lijden is erger? De beeldentombola biedt ook hoop. Welk beeld in de loop van de tijd komt bovendrijven, lijkt volkomen toevallig. Wie zich nu een buitenstaander voelt, kan in de toekomst zomaar de dienst uitmaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden