Willen wij dit risico nemen?

Op 5 maart jl. hield premier Blair een opmerkelijke rede. Daarin verantwoordde hij zich, bijna een jaar na de oorlog in Irak, uitgebreid voor zijn besluit ten strijde te trekken, een besluit dat tot op heden omstreden is....

Geen beslissing tijdens mijn politieke carri heeft zoveel verdeeldheid gezaaid als de beslissing om een oorlog te beginnen tegen Irak. Ook vandaag heerst die verdeeldheid nog. (. . .) We hebben gezien hoe aspect informatie van de inlichtingendiensten dat bepaalde massavernietigingswapens binnen 45 minuten konden worden ingezet werd opgewaardeerd tot vrijwel het enige feit dat de natie overtuigde van de noodzaak van de oorlog. Deze informatie is echter slechts keer door mij aangehaald in een verklaring in het Lagerhuis op 24 september. En zij is door mij niet meer herhaald in enig debat. (. . .) In werkelijkheid wordt de bron van de fundamentele verdeeldheid niet gevormd door kwesties als integriteit en vertrouwen, hoewel er mensen zijn die het wel zo willen doen voorkomen. (. . .) Waar het echt om gaat is dat zij die het niet eens zijn met de oorlog, fundamenteel van mening verschillen over de inschatting die tot de oorlog heeft geleid.

In maart 2003 was de situatie in Irak bijzonder moeilijk in te schatten. Ik heb altijd veel respect gehad voor degenen die het niet met de oorlog eens waren. Oksommigen daarvan waren anti-Amerikaans en anderen waren weer tegen oorlog in zijn algemeenheid. Maar er was een kerngroep van verstandige mensen die om verstandige redenen een andere keus zouden hebben gemaakt als ze voor de beslissing hadden gestaan. Ik begrijp hun argumenten volkomen dat Irak geen directe, acute dreiging voor Groot-Brittanniormde; dat de situatie rond de massavernietigingswapens in Irak, zelfs zoals wij die voorstelden, niet ernstig genoeg was om een oorlog te rechtvaardigen, zeker niet zonder een specifieke resolutie van de VN waarin een mandaat voor militaire actie werd gegeven. Bovendien stelden zij dat het gevaar van Saddam hoe dan ook kon worden ingedamd.

Met andere woorden, zij waren het toen, en ook nu nog, niet eens met de manier waarop de dreiging werd gekenschetst. Wij zeiden: dit is een urgente zaak en we moeten handelen. Volgens de tegenstanders van de oorlog was dat niet het geval. En ik erken, overigens, dat hoe afschuwwekkend en walgelijk het regime ook was, en hoe relevant dat destijds ook misschien was, een machtswisseling alleen nooit een rechtvaardiging voor de oorlog kon zijn. Ons belangrijkste doel was het uitvoeren van de VN-resoluties over Irak en de massavernietigingswapens.

Natuurlijk zijn de tegenstanders opgetogen over het feit dat we, hoewel we weten dat Saddam massavernietigingswapens had, nog geen fysiek bewijs van hun aanwezigheid hebben gevonden in de elf maanden nadat de oorlog begon. (. . .) Maar het belangrijkste is dat de ware kwestie wordt gevormd door de dreiging.

Het verschil ligt in de manier waarop de dreiging wordt gekenschetst. En op dit punt ben ik er vurig van overtuigd dat het levensgevaarlijk is als we de aard van de nieuwe wereld waarin we leven verkeerd begrijpen. Alles aan onze wereld is aan het veranderen: de economie, de technologie, de cultuur, de manier van leven. Als de 20e eeuw onze conventionele manier van denken vertegenwoordigt, dan is de 21e eeuw in bijna alle opzichten onconventioneel.

Dat geldt ook voor onze veiligheid. De dreiging waarmee we nu worden geconfronteerd, is niet conventioneel. We hebben te maken met een uitdaging die de wereld nog nooit eerder gekend heeft. Die dreiging vormt voor de veiligheid van de wereld net zo'n uitdaging als de globalisering voor de wereldeconomie.

Die dreiging werd niet bepaald door Irak, maar door '11 september'. De dreiging die Saddam vormde is niet door '11 september' in het leven geroepen. Maar na '11 september' is wel de risico-afweging of er iets aan gedaan moest worden, of dat we gewoon moesten doorgaan met onze pogingen hoe onvolkomen ook de dreiging in te dammen, fundamenteel veranderd.

Sta mij toe uit te leggen hoe mijn eigen denken, als politiek leider, zich de laatste paar jaar heeft ontwikkeld. Al voor '11 september' waren de opvattingen in de wereld over de rechtvaardiging van militaire actie aan het veranderen. Tot dan toe was gewapende interventie binnen de internationale betrekkingen alleen gerechtvaardigd in het geval van zelfverdediging, van een reactie op agressie. Maar het idee van interventie op humanitaire gronden had al veel terrein gewonnen. Dit heb ik al aangegeven, na de Kosovo-oorlog, in een toespraak in Chicago in 1999. Daar hield ik een pleidooi voor een doctrine van internationale gemeenschapszin, die bij bepaalde duidelijk omschreven omstandigheden voorziet in ingrijpen, ook als er geen directe dreiging voor jezelf bestaat. Ik stelde toen dat dit niet alleen maar was om onrecht tegen te gaan, maar ook omdat in een wereld waarin we steeds meer van elkaar afhankelijk raken, ons eigenbelang verbonden is met het belang van anderen. En het kwam maar zelden voor dat een conflict in regio geen invloed had op andere conflicten. (. . .) Ik was voor mezelf dus al voor '11 september' een nieuwe opvatting voor de internationale betrekkingen aan het ontwikkelen, die afwijkt van de traditionele opvatting die al opgeld doet sinds het Verdrag van Westfalen in 1648, namelijk dat de binnenlandse aangelegenheden van een land een zaak voor dat land zelf zijn en dat je niet kunt ingrijpen, tenzij dat land je bedreigt, een verdrag verbreekt, of je door een bondgenootschap tot ingrijpen wordt aangezet. Ik vond niet dat dit voor Irak opging, hoewel ik wel inzag welk verschrikkelijk onrecht Saddam zijn volk aandeed.

Ik begon mij echter ook al zorgen te maken over twee andere zaken.

De eerste zaak was de groeiende hoeveelheid informatie die ik op mijn bureau kreeg over islamitisch extremisme en terrorisme. (. . .) De tweede zaak betrof pogingen van staten waarvan een aantal zeer onstabiel en repressief was om kernwapens, materiaal voor chemische en biologische wapens en lange-afstandsraketten te verwerven. (. . .) Dit alles was voor '11 september'. Die gebeurtenis was voor mij een openbaring. Alles leek op zijn plek te vallen. Waar het om gaat is dat het hier een oorlogsverklaring betrof van religieuze fundamentalisten die bereid waren een oorlog te voeren zonder beperkingen. Zij vermoordden drieduizend mensen. Maar als zij 30 duizend of 300 duizend mensen hadden kunnen vermoorden zouden ze nog blijer zijn geweest. Hun doel was om zoveel haat te zaaien tussen moslims en het Westen dat een jihad de wereld zou overspoelen.

Toen ik op 14 september 2001 het Lagerhuis toesprak, zei ik: 'We weten dat zij [de terroristen] nog verder zouden gaan als ze daartoe in staat zijn en chemische, biologische of zelfs nucleaire massavernietigingswapens zouden gebruiken. We weten ook dat er groepen mensen zijn, soms zelfs staten, die de technologie en het vermogen die wapens te gebruiken willen verhandelen. De tijd is gekomen om die handel aan het licht te brengen, te saboteren en uit te roeien. De gebeurtenissen van '11 september' zijn een waarschuwing voor ons geweest en daar moeten we op reageren.'

Na '11 september' had ik een duidelijk beeld van de dreiging. We hadden hier te maken met terroristen die bereid waren een armageddon aan te richten. We hadden hier te maken met staten wier leiders alleen oog hadden voor hun eigen belang.

Het was duidelijk dat er een wereldomvattende bedreiging tegen onze veiligheid bestond. Het was ook duidelijk wat onze plicht was: actie ondernemen om die dreiging uit de weg te ruimen.

We traden eerst op in Afghanistan tegen Al Qa'ida en wipten de Taliban die hen hadden geholpen, uit het zadel.

Maar daarna moesten wij het hoofd bieden aan de staten met massavernietigingswapens. We moesten ferm zijn. We moesten afdwingen dat men zich zou gaan houden aan internationale verplichtingen, wat men al jaren niet deed omdat de wereld een oogje toekneep. Twaalf jaar lang had Saddam de roep om ontwapening genegeerd. In 1998 heeft hij in feite de VN-inspecteurs de deur gewezen en hebben wij bombardementen uitgevoerd op zijn militaire infrastructuur. Maar we hadden hem alleen maar verzwakt en de dreiging niet weggenomen. De dreiging van een Saddam die chemische wapens had gebruikt, tegen Iran en tegen zijn eigen bevolking.

In Afghanistan was er sprake van een internationale coalitie die de zegen had van de VN. Nu wilde ik weer hetzelfde. President Bush stemde er mee in die route te volgen. We zorgden ervoor dat resolutie 1441 er kwam. Saddam kreeg nog keer de kans volledig mee te werken. Om te beginnen zou hij een volledige en eerlijke lijst moeten leveren met programma's en activiteiten op het gebied van massavernietigingswapens.

De waarheid is dat het ontwapenen van een land, zonder dat het land daartoe bereid is, een hachelijke onderneming is. Op 8 december 2002 stuurde Saddam zijn lijst. Het was duidelijk dat die niet klopte. De VN-inspecteurs waren nog in Irak, maar er werd weinig vooruitgang geboekt en de essenti medewerking van Iraakse wetenschappers bleef uit. In maart gingen we terug naar de VN en stelden we een laatste ultimatum op. We spanden ons enorm in om tot overeenstemming te komen en bijna bereikten we die ook.

Zo kwamen we op het punt dat er een beslissing genomen moest worden. Regeringsleiders kunnen zich niet de luxe permitteren beide kanten van de zaak te verdedigen. Zij kunnen oog hebben voor beide kanten, maar uiteindelijk moeten ze een keuze maken. Mijn opvatting was en is dat als de VN overeenstemming hadden bereikt en een hard ultimatum hadden gesteld aan Saddam, waarin duidelijk stond wat hij moest doen en dat duidelijke criteria verschafte, dat hij dan misschien was gezwicht en dat daarmee een proces in gang zou zijn gezet dat uiteindelijk zou leiden tot zijn gerechtvaardigde aftreden.

Maar de Veiligheidsraad werd het niet eens.

Stel dat we toen hadden ingebonden. De inspecteurs zouden zijn gebleven, maar je moet wel heel nai¿ef zijn om te geloven dat na een dergelijke openlijke aftocht van de VS en hun partners, Saddam wel zijn medewerking zou hebben verleend. Hij zou de inspecteurs er uit gewerkt hebben en met nieuwe moed zijn plannen hebben hervat. Er zou aangetoond zijn dat de wil om op te treden tegen schurkenstaten en massavernietigingswapens loos is. De terroristen, die al onze psychologische overwegingen volgen en analyseren, zouden moed hebben gevat. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat de weerzinwekkende wreedheden tegen het Iraakse volk onverminderd en met hernieuwde kracht zouden zijn doorgegaan.

Dit is de crux. Het is mogelijk dat ondanks alles niks zou zijn gebeurd. Misschien dat de ambities van Saddam zouden zijn veranderd. Misschien dat hij massavernietigingswapens zou hebben ontwikkeld, maar ze nooit gebruikt zou hebben. Misschien dat de terroristen nooit de hand zouden hebben weten te leggen op massavernietigingswapens, of ze nou uit Irak of van elders kwamen. We kunnen het niet zeker weten. Misschien dat we een andere manier hadden gevonden om het gevaar terug te dringen. Misschien dat het islamitische terrorisme vanzelf zou zijn wegge.

Maar willen we het risico nemen? Die inschatting moeten we maken. En mijn inschatting toen en nu is dat ik eenvoudigweg het risico niet wil lopen van een nieuwe vorm van wereldwijd terrorisme, dat samenwerkt met staten, organisaties of individuen die massavernietigingswapens produceren.

Dit is niet de juiste tijd om fouten te maken op het punt van voorzichtigheid, niet de juiste tijd om eindeloos risico's af te wegen, niet de juiste tijd voor het cynisme van wereldwijze mannen die het liefst alleen de lange termijn zien. In werkelijkheid kan hun wereldwijze cynisme op zijn best als nai¿viteit beschouwd worden en op zijn ergst als nalatigheid. Wanneer zij stellen, zoals nu, dat de diplomatie weer in de mode raakt, geloven zij dan echt dat de veranderde houding van Iran, Noord-Korea en Libilleen maar tot stand is gebracht door diplomatie? Na de oorlog in Irak heeft Libie moedige stap genomen om niet alleen het bezit van kernwapens, maar ook dat van chemische wapens op te biechten. Nu worden die wapens vernietigd. Iran staat weer onder toezicht van het Internationaal Atoomagentschap. Noord-Korea voert besprekingen met China over zijn massavernietigingswapens. Het netwerk van Abdul Khan wordt ontmanteld en aan de handelsactiviteiten ervan wordt langzaam maar zeker een einde gemaakt.

Toch is het schandelijk prematuur om te denken dat de dreiging is overgewaaid. Het gevaar is nog steeds niet geweken, hier niet en in het buitenland niet. (. . .) Laat me een voorbeeld geven [hoe moeilijk het is te reageren op waarschuwingen. red]. Enige tijd geleden, tijdens de oorlog, ontvingen we een waarschuwing van de inlichtingendiensten voor een grote aanslag op de luchthaven van Heathrow. Tot op de dag van vandaag weten we niet of de informatie correct was. Maar de informatie was er. We verhoogden onmiddellijk de aanwezigheid van de politie. Destijds werd dat gehekeld als een politieke hype of als een poging het publiek angst aan te jagen. (. . .) Maar neem plaats op mijn stoel. Hier is de informatie. Hier is het advies. Negeer je het? (. . .) En veronderstel dat je niets doet en de informatie blijkt juist, zal het volk dat dan vergeven? (. . .) Het is onze plicht om Irak en Afghanistan weer op te bouwen als stabiele en democratische landen.

Let op de ironie. Ondanks alle gevechten, kan de dreiging niet alleen worden weggenomen met veiligheidsmaatregelen. Harde actie is weliswaar noodzakelijk, maar is op zich niet afdoende om de tegenstanders te verslaan. Die kunnen alleen maar worden verslagen als de waarden van de menselijke geest overwinnen.

Dat brengt me bij mijn laatste punt. Het kan best zijn dat onder het internationaal recht, zoals dat nu is,een regime zijn eigen bevolking wreed kan bejegenen en onderdrukken, en dat niemand er wat aan kan doen. Dat dialoog, diplomatie en zelfs sancties niets uithalen. En dat er alleen mag worden ingegrepen als het optreden van het regime onder de definitie van een humanitaire ramp valt (en aan een catastrofe hadden sommigen misschien kunnen denken als je bedenkt dat in Iraakse massagraven nu al de stoffelijke resten van 300.000 slachtoffers zijn gevonden). Misschien dat dit de wet is. Maar deugt die wel?

We weten nu, zo we dat niet al wisten, dat onze eigen belangen uiteindelijk verbonden zijn met het lot van andere landen. De doctrine van internationale gemeenschapszin is niet langer slechts een idealistische visie. Het is met landen net als met burgers. Burgers die vrij, goed opgeleid en rijk zijn, nemen vaak verantwoordelijkheid en tonen betrokkenheid bij de maatschappij waarin zij een belang hebben. Zo zijn ook landen die vrij en democratisch zijn en profiteren van economische vooruitgang, vaak stabiele en betrouwbare partners in de ontwikkeling van de mensheid. We kunnen onze veiligheid het beste verdedigen door onze waarden te verspreiden.

Maar we kunnen deze waarden alleen uitdragen binnen een kader waarin hun universele status erkend wordt. Als de dreiging wereldwijd is, moet er een wereldwijde reactie komen, gebaseerd op in de hele wereld geldende regels.

Het wezen van een gemeenschap bestaat uit gemeenschappelijke rechten en verantwoordelijkheden. We hebben verplichtingen tegenover elkaar. Als we bedreigd worden hebben we het recht te handelen. En we vinden dat anderen in die gemeenschap niet het recht hebben hun volk te onderdrukken en wreed te bejegenen. Wij hebben achting voor de vrijheid en de waardigheid van het menselijk ras en van ieder individu.

Tegen de wereldomvattende dreiging waarmee wij oog in oog staan, helpt indamming niet. De terroristen zijn niet van plan zich in te laten dammen, laten zich niet beteugelen. De staten die illegaal massavernietigingswapens kopen en verkopen doen dat juist om indamming te voorkomen. Ik zeg met nadruk dat niet iedere situatie tot militaire actie zal leiden.

Maar we hebben de plicht en het recht om te voorkomen dat de dreiging wordt uitgevoerd en het is zeker onze verantwoordelijkheid om tot handelen over te gaan wanneer de bevolking van een land wordt onderworpen aan een regime als dat van Saddam. Anders hebben wij niet de macht om op te staan tegen de agressie en de onrechtvaardigheid die later onze veiligheid en manier van leven in gevaar brengt. (. . .)

sk begrijp de zorgen van de internationale gemeenschap over IIrak. Zij is bang dat de VS en hun bondgenoten op grond van niets anders dan hun militaire macht zullen doen wat zij willen, unilateraal en zonder beroep op een op regels gebaseerde code of doctrine. Maar wij zijn bang dat als de VN vanwege politieke onenigheid verlamd raakt, er geen antwoord kan worden gegeven op een dreiging waarvan wij denken dat zij re.

Dit dilemma ligt ten grondslag aan de angstige hoofdbrekens van veel mensen over de wijsheid van onze acties in Irak. Dit verklaart ook de verwarring in de normale politieke verhoudingen, nu een deel van rechts een volk bevrijdt van onderdrukking en een deel van links de acties die daartoe leidden sterk afkeurt. Dat is deels ook waarom de samenzweringstheorieen beweringen over bedrog zo gretig aftrek vinden. Hoeveel gemakkelijker is het om daarover te discussin dan om de complexiteit van de toestand waarin de wereld zich nu bevindt te analyseren en op te lossen.

Daarbij moet men de bedreiging van de veiligheid die het islamitisch extremisme vormt stevig aanpakken. Bovendien moet men eerlijk zijn tegenover alle volkeren door hun mensenrechten te bevorderen, waar zij zich ook bevinden. Dat betekent dat de armoede in Afrika moet worden aangepakt, dat er een rechtvaardige oplossing moet komen voor Palestina en dat men streng stelling moet nemen tegen terrorisme als een manier om politieke doelen te bereiken. Het houdt een hele nieuwe, een meer rechtvaardige en moderne visie in op wat eigenbelang is.

Dit betekent dat de VN zodanig gereorganiseerd moeten worden dat de Veiligheidsraad de realiteit van de 21e eeuw weerspiegelt en dat de VN niet alleen de mogelijkheid hebben tot debat maar ook het vermogen krijgen om in te grijpen. Dit houdt in dat we moeten zorgen dat de VN begrijpen dat de dreiging waar we voor staan, ons dwingt de waarden van vrijheid, democratie, rechtsstaat, religieuze tolerantie en recht voor de onderdrukten uit te dragen, hoe pijnlijk dat voor sommige landen ook is.

Maar tegelijkertijd houdt dit in dat we zonder mededogen een oorlog zullen beginnen tegen hen die de raciale en religieuze scheiding uitbuiten en de wereld rampspoed brengen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden