Willems droomeiland

Voor de kust van Bretagne ligt Île de Groix, waar de tekenaar Bernard Holtrop, alias Willem, een huis heeft gekocht....

Ik wacht je op bij de boot, had hij gezegd. Dat leek niet nodig; het Île de Groix wijst zichzelf. Je loopt de boot af, huurt een fiets en zet hem in de kleinste versnelling. Het eerste klimmetje, van Port Tudy naar Le Bourg, is namelijk venijnig.

Daarna ligt het eiland aan je voeten. Bij elke splitsing staat een steen die de weg wijst. Je kunt de noordkust aanhouden en afdalen naar Port Lay, een haventje waarvan elke meter getuigt van een intensief leven. De eerste zeevissersschool van Frankrijk was er gevestigd.

Daarna begint Piwisi, het woeste westen. Een windgeslagen landschap van prairies en geelbloeiende struiken, waartussen fazanten wegduiken. Langs het pad ligt een dode egel met een bloemetje erop.

In de kerk van Quelhuit, die uitkijkt over zee, hangen modellen van dundees, de zwaarbetuigde ranke scheepjes waarmee vroeger met lange lijnen op tonijn werd gevist. Een jonge vrouw is de enige bezoekster. Ze zit zacht te huilen. Verderop, bij de kliffen van Pen Men, krijsen de meeuwen. De vuurtoren is gebouwd om bestand te zijn tegen zware windstoten. Vlakbij staat een voormalig Duits bunkertje, bestemd voor het afweergeschut.

Bij terugkeer in hotel De la Marine hangt een briefje op het haakje voor de kamersleutel. ‘Bel even als je er bent. Bernhard Holtrop.’

Bernhard Holtrop maakt onder de naam Willem politieke tekeningen voor het Franse dagblad Libération en het weekblad Charlie Hebdo. Halverwege de jaren zestig verruilde hij Nederland voor Parijs. Een Fransman heeft doorgaans geen idee dat Willem eigenlijk Nederlander is; hij noemt hem Wieleim en hoopt dat hij nooit met tekenen zal stoppen.

Een maand of twee geleden vertelde Bernhard dat ze een huisje hadden gekocht op Groix voor de kust van Bretagne, en dat zijn vrouw er woont. ‘Een mooi eiland’, zei hij. ‘Ik ga er elke twee weken een paar dagen heen.’

Een verhaal over Groix met tekeningen van Willem – wat zou dat mooi zijn. Bernhard werd praktisch toen hij van het plan hoorde. ‘Wanneer wil je komen? Dan kan ik er rekening mee houden.’

Ty Medi
Groix is bezaaid met kleine dorpjes. Gehuchten zijn het eigenlijk: een handvol huizen die steun zoeken bij elkaar, zonder middenstand, meestal ook zonder kerk. De stevige witte woningen lijken door een kind ontworpen: een deur in het midden, ramen aan weerszijden, daarboven meteen het dak. Datzelfde kind mocht de kleuren uitzoeken. De eilandbewoners houden van lichtgroen met donkergroen, van oker met bleekrood, diepblauw met geel, of oranje met purper. Je ziet zelden een combinatie die pijn doet aan de ogen.

In Quéhello, het dorpje van de Holtrops, heerst diepe rust. ‘Kom naar ons, we zitten aan de bloody mary’, had Bernhard door de telefoon gezegd. ‘En Medi maakt een heerlijke vissoep. Ik haal je op bij het dorpsplein.’

Een lange gestalte zwaait, de grijze haren wapperen in de wind. Veel huizen hebben een naam die begint met Ty – Bretons voor ‘Bij’. In Ty Medi brandt de kachel en ligt Eilanden van Boudewijn Buch op tafel. Wat heeft u veel boeken, hadden de bouwvakkers gezegd die de tegelvloer kwamen leggen en de muren stukadoren.

‘Het kan hier eenzaam zijn zonder Bernhard’, vertelt Medi. ‘Dan vertel ik m’n verdriet aan de vrouwen hier. Die begrijpen dat. Dit is een visserseiland, met een sterk matriarchale cultuur. De mannen zijn vaak weg, soms voorgoed. Dus de vrouwen zorgen voor alles. Zij zijn sterk.’

Ze leerden elkaar kennen in 1969, op een terras in Parijs. Bernhard had zich na lang aandringen naar binnen gevochten bij Hara Kiri, het anarchistische maandblad waar hij koste wat kost voor wilde tekenen. Hij was nu de trotse huurder van een Parijs’ dienstmeidenkamertje.

Medi, een jonge Noorse tekenares met eindeloos lange blonde haren, was op aandrang van haar galeriehouder naar Parijs gekomen. Ze belandden naast elkaar op een terras. ‘Hij was zo grappig en charmant en ook niet opdringerig. Ik wist, dit is voor het leven,’ zegt Medi.

Groix was haar idee. Haar ouders hadden een vakantiehuis op een van de eilanden bij Oslo. Hoe goed Parijs al die tientallen jaren ook is geweest voor haar, hoe ze ook kan verlangen naar de lange middagen bij Chez Georges, hun vaste café niet ver van de Saint-Germain – ze droomde van een huisje bij de zee.

Dat het huisje op Groix staat is toeval. Bernhard had geëxposeerd in Lorient, de stad op de vaste wal, waarvandaan de veerboten vertrekken. Later werd hij er voor een jury gevraagd. En nog weer later vroegen ze of hij ook wat van film wist. Ach, waarom niet, had Bernard geantwoord. Zo was hij in de jury gekomen van het festival voor eilandfilms, jaarlijks gehouden op Groix.

Vrouwenblad Elle had juist deze week een verhaal over ‘vijftien droomeilanden om te ontdekken’. Als de Holtrops horen dat hun eiland, ‘meest Bretons van alle eilanden’, op plaats negen staat, ingeklemd tussen het Griekse Kimolos en het Indonesische Nikoi, zouden ze dat het liefst aan alle eilanders vertellen.

Maar eerst willen ze de mooiste plek laten zien, op loopafstand van hun huis. Even later ligt Port Saint Nicolas aan onze voeten. Het is een kleine, stille baai met in het midden een kale rots; een eenzaam kajuitjachtje ligt voor anker. In de glasheldere oceaan kronkelt een waterworm. ‘En kijk eens naar die bosviooltjes. Zo bescheiden, en tegelijk zo aanwezig. Zo zou ik willen zijn’, lacht Medi.

De volgende dag gaat Bernhard eropuit met zijn schetsboek in de hand. ‘Hij kan overal tekenen’, zegt Medi. ‘Zelfs in zijn broekzak’. ‘Met dat schetsen trek je soms de aandacht’, mompelt Bernhard. ‘Ik probeer niet in de gaten te lopen.’

Le Bourg
De oostkant van het eiland, Primiture geheten, is de kant van de stranden en de weilanden. In april heb je de Plage des Grands Sables nog voor jezelf. Het grote zandstrand ligt met bolle rug naar zee toe – een zeldzaamheid in Europa. Elk jaar ‘wandelt’ het zand tien meter in noordelijke richting.

Even verder zijn Les Sables Rouges, die hun naam danken aan het fosfaat dat het zand rood kleurt. Op een kalme dag als vandaag is daar weinig van te zien. Spectaculairder is de Pointe des Chats, een schuin afgesneden pakket van steenlagen dat glinstert van de mica. Een roodgemutst vuurtorentje steekt er bovenuit. Dan is het niet ver meer naar Locmaria. Sinds de veerboot koers heeft gezet naar Port Tudy, doezelt het dorp weg. Het getijdehaventje met wat drooggevallen bootjes ademt een diepe rust.

De dichter Willem Kloos zei het al: de natuur is mooi, maar wel met iets te drinken erbij. Wie levendigheid wil, moet naar Le Bourg. Daar zijn de supermarkten, daar is een hemelsblauw boekwinkeltje, daar is de kiosk waar Medi elke dag haar krant gaat halen. Daar is ook de plaatselijke horeca waarvan Bernhard een groot liefhebber is.

De wandeling erheen vanuit Quéhello begint bij het veld waar konijnen hun witte achterlichtjes laten zien. Na de boomhut volgt de slakkenfarm met zijn grauwe uithangbord. Na de afslag zie je de geitenboerderij, waar kaas wordt gemaakt. Schuin daartegenover is de manege, die de woede van Medi oproept. ‘Die paardjes worden slecht verzorgd’, zegt ze. ‘Toen ze meededen aan de intocht van de Kerstman in Le Bourg, hadden alle paardjes diarree. Zoiets is niet normaal.’

Houten hoofd
‘Ach kom’, vergoelijkt Willem. ‘Het enige wat ze hoeven doen is rondjes lopen met een lief meisje op hun rug. Dat moet nog wel lukken.’

Voordat we vertrokken had Medi het prachtige houten zeilschip laten zien. Een cadeau van de man van Lisiane, barkeepster van La Chaloupe. In het café is een wand voor zijn werk ingeruimd: scheepsmodellen, katrollen, naambordjes, beschilderde krabbenscharen. Later komt de maker binnen, fles water aan de mond. ‘Houten hoofd?’, informeert het echtpaar Holtrop bij wijze van begroeting. ‘Nee, hout gezaagd’, is het antwoord. ‘Dat maakt ook dorstig.’

Lisiane is geboren en getogen op het eiland. Hoe dat is? Ze kijkt bedachtzaam. ‘Tsja, dan moet je eerst weten hoe het is om ergens anders geboren te zijn.’

’s Avonds laat belanden we in Ti Beudeff. ‘Beroemd café’, zegt Bernhard. ‘De Dubliners hebben er nog gespeeld.’ Maar vanavond is alles rustig, en heeft de barkeepster tijd om nieuwsgierig te zijn.

‘Maar u’, informeert ze. ‘Wanneer komt u dan vast op het eiland wonen?’

‘Dat weet ik niet’, zegt Bernhard. ‘Dat valt nog te bezien.’

‘Ooit moet het er toch van komen?’

‘Ik ben een trekvogel. Die vestigen zich niet. Maar Medi, die blijft.’

Later, als de sterren stralen, staan Bernhard en Medi op van hun kruk en schuifelen het duister in. ‘Kom op’, zegt Bernhard. ‘Dat hebben we vaker gedaan.’

Hand in hand gaan ze op weg naar Quéhello.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden