Interview

Willem Jan Otten: 'Levenswil is mysterieuzer dan doodswens'

Katholiek schrijver over verlichtingsdenken en het voltooid leven

De euthanasiepraktijk en het gepraat over voltooid leven hebben ertoe geleid dat mensen elkaar het graf in praten, vreest schrijver Willem Jan Otten. Waarom niet nog een keer fijn naar zee?

Willem Jan Otten: 'Levenswil is, filosofisch gesproken, mysterieuzer dan doodswens.' Foto Jiri Buller / de Volkskrant

Buiten de kring van trouwe lezers geniet schrijver-dichter-essayist Willem Jan Otten (65) vooral bekendheid vanwege zijn onbegrepen toetreding tot de rooms-katholieke kerk, op zijn 43ste. Hijzelf is met zijn bekering - die hij liever kerstening noemt - na al die jaren zo vertrouwd, dat hij niet meteen antwoord heeft op de vraag wat hem destijds heeft bewogen. 'Ik had het gevoel naar de christelijke belijdenis te worden toegetrokken', zegt hij over het enigszins raadselachtige proces dat hij in de 'dorre jaren negentig' heeft ondergaan. Het kwam niet voort uit een existentiële crisis of een dramatische gebeurtenis. Ook heeft Otten niet uitgebreid religieus geshopt: al in zijn 'deinsjaren', de tijd van het doorbrekende geloof, voelde hij zich thuis in de katholieke kerk waar zijn vrouw, schrijfster Vonne van der Meer, zich had laten dopen. 'Geloven gaat altijd in navolging.'

Evenmin was zijn gang naar de Moederkerk bedoeld als verwijt aan zijn ouders. Die waren weliswaar 'andersdenkend', zoals dat in de jaren vijftig heette, maar zeker niet antireligieus. Er was een bijbel in huis en een kinderbijbel. Zijn ouders waren musici. Zijn vader speelde als fluitist jaarlijks in de Naardense Matthäus Passion. 'Daar werd natuurlijk over gesproken. Met een zekere eerbied.' Waarom dan toch die kerstening, waarmee hij destijds overwegend verbazing wekte?

Tegen de dorheid

'Ik moest even nadenken hoe vreselijk de geest van die tijd ook alweer was, maar nu weet ik het weer: ik kwam in opstand tegen het reductionisme, de neiging om alles - ook het onverklaarbare - wetenschappelijk te willen verklaren. Tegen die dorre, antipoëtische geest heb ik willen ingaan.'

Van die geest getuigde bijvoorbeeld de poging van neurobioloog Dick Swaab om een schilderij van Jeroen Bosch wetenschappelijk te determineren. 'Het is een schilderij met een tunnel die naar prachtig licht voert: datgene wat mensen met een bijnadoodervaring gezien menen te hebben. Een meesterlijke verbeelding van iets dat we niet weten. Maar Swaab wilde de mensen graag van dit belachelijke geloof afbrengen met een verhandeling over een neurotransmitter die bij zuurstofgebrek wordt geactiveerd. Dat zou je, in navolging van theoloog Hans van Stralen, terreur van het Verlichtingsdenken kunnen noemen. Niets wordt meer aan de verbeelding of het geloof overgelaten.'

Bij Christus in het krijt

Op 8 februari zal Otten de derde Kees Fens-lezing uitspreken. Daarin zegt hij, refererend aan Christus: 'Ik sta bij hem in het krijt. Ook als hij in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Ook als hij, net als koning Lear of Antigone, Aeneas of Don Quichot, uit de duim van schrijvers gezogen is, sta ik bij hem in het krijt.'

Dat Otten is gevraagd om een naar Kees Fens vernoemde lezing te houden, lijkt voor de hand te liggen. Fens (1929-2008) schreef immers over het beminde geloof van zijn jeugd - in een krant, nota bene, die ver van zijn rooms-katholieke origine verwijderd was geraakt. Hij schreef, zonder acht te slaan op de actualiteit, over kerkvaders en over de onttakeling van gebedshuizen die hij nog in volle, roomse glorie had gekend.

Toch is de verwantschap tussen beide katholieken maar heel betrekkelijk. Zeker: Otten laafde zich elke maandag aan Fens' kloeke stukken. 'Dan stond er zomaar, zonder enige noodzaak of aanleiding, een verhaal over de heilige Gregorius in de krant. Dat was toch heerlijk. En eigenlijk was het heel vroom van hem, want hij hield het kaarsje van het katholicisme brandende.' Ook refereerde Fens in zijn artikelen aan boeken waarvan Otten achteraf kan vaststellen dat ze in zijn deinsjaren van groot belang voor hem zijn geweest, zoals het boek over de kerkvader Augustinus van Peter Brown en de Catechismus van de theoloog Frits van der Meer.

Tezelfdertijd was het oeuvre van Fens voor Otten 'een obstakel' om tot de kerk toe te treden. 'Zijn omgang met het geloof was nostalgisch. Hij plaatste het in het verleden, terwijl het voor mij juist actueel was. En hij vereenzelvigde het geloof naar mijn smaak te veel met de kerk als instituut. Een vervallen kerk stond voor het verval van het geloof. Maar voor mij is het geloof niet afhankelijk van de rijkdom van het instituut. Mijn eerste deinsjaren bracht ik door in een simpel kerkje met een matige liturgie, en toch vond ik er wat ik nodig had. Dat zegt mij meer dan dat de Chassékerk, de kerk van Fens' jeugd, een meubelhal dreigt te worden.'

Lezen om te leven, leven om te lezen

De Kees Fens Stichting en de Volkskrant nodigen u uit de derde Kees Fens-lezing bij te wonen.

Dichter en essayist Willem Jan Otten zal spreken over het thema 'Lezen om te leven, leven om te lezen', een persoonlijk verhaal over leeflezers, meelezende breinen, over de Japanse schrijver Shusaku Endo, maar vooral over zijn verhouding tot de lezer en katholiek Fens.

Woensdag 8 februari in de Rode Hoed, van 15.30 tot 16.30 uur.
De toegang is gratis, maar aanmelden is verplicht. kaarten@rodehoed.nl

Veel contact met Fens heeft Otten niet gehad. Hem heugt nog vooral een telefoongesprek over een van de overleden boekhandelaren van Atheneum, aan het Spui, over wie Fens een in memoriam wilde schrijven. 'Toen heb ik een uur lang met hem gesproken over iemand die we beiden nauwelijks kenden. Toch slaagde hij erin een prachtig stuk over de overledene te schrijven.'

Vanaf zijn hooggelegen woning in Amsterdam Osdorp kijkt Otten uit over de Sloterplas, en over het daarachter gelegen Amsterdam-West. In de vroege ochtend was in de stad de stroom uitgevallen. Otten was getroffen door de diepe duisternis om hem heen. Een paar bakens op de plas vormden de enige bronnen van licht in de wijde omtrek. Zo zou de stad er kunnen uitzien als een oorlog zou uitbreken, dacht Otten. Geen inslaande projectielen, maar een stille, donkere, ontregelde stad.

'Bij de verlichte mens ontbreekt het jammerlijk vaak aan verbeeldingskracht, aan het vermogen om je aan het onbewijsbare over te geven', zegt Otten. Wie wil ervaren hoe moeizaam het gesprek tussen gelovige poëten en verlichte antipoëten verloopt, moet het optreden van eurocommissaris Frans Timmermans bij Jeroen Pauw in 2014 er nog maar eens op nazien. Pauw herinnerde Timmermans aan diens bewogen rede voor de Veiligheidsraad van de VN waarin hij had beschreven hoe het er in de laatste minuten van de MH17 aan toe zou kunnen zijn gegaan. 'Het was een visioen', zegt Otten, 'waarin hij zich afvroeg of de passagiers elkaar nog in de ogen hadden kunnen kijken, elkaar vasthouden, hun kinderen tegen zich aan klemmen, elkaars hand grijpen - en zo, verenigd, elkaar omhelzend, naar de afgrond zijn gegaan.'

Geloofstaal

Timmermans - 'een christelijke jongen, een katholieke jongen zelfs' - bediende zich van geloofstaal. Maar daarvoor was Pauw niet ontvankelijk. Die wilde weten hoe Timmermans op de hoogte kon zijn van de laatste momenten van MH17. De eurocommissaris, uitgedaagd om het onbewijsbare te bewijzen, ging daarop in de fout met zijn verhaal over een geborgen passagier op wiens gezicht nog een mondkapje was aangetroffen.

Jammer, zegt Otten. 'Want nu ging de geloofstaal van Timmermans verloren in een arrogant Verlichtingsdenken. Het feit dat we kunnen denken als Frans Timmermans is voor de mens een groter compliment dan het feit dat we hersenscans kunnen maken.' Waarmee hij zichzelf niet als 'anti-Verlichtingskatholiek' wil positioneren. Verre van dat. 'Als katholiek móét je houden van de wetenschap, omdat wetenschap onderdeel is van de schepping en omdat wetenschap ons laat zien moe mooi de schepping is.'

Maar de pendulebeweging waarmee de mensheid meedeint, is nu wel erg ver in de reductionistische richting doorgeslagen, meent Otten. Exponent van die ontwikkeling is de, wat Otten noemt, Klaar met Leven-beweging. 'Die begaat een misdrijf tegen de poëzie. Vanaf het moment waarop we zijn gaan denken dat doden onder medische begeleiding een oplossing kan zijn voor het leven, is er iets fundamenteels veranderd in onze samenleving. Het word je onderhand bijna verweten wanneer je als oud en ziek mens aan het leven blijft vasthouden en dat je blijft verbeelden. Want dat doe je als gelovige: denken dat het einde het einde niet is.'

Wat Otten bij de voltooid-levendiscussie frappeert, is de enigszins gewijde sfeer die rond de zelfgekozen dood wordt opgeroepen. Alsof de dood barmhartiger is dan het leven. 'Dat viel me al op bij Dood op Verzoek (de tv-documentaire uit 1994 die de weg naar euthanasie van ALS-patiënt Cees van Wendel registreert, SvW). Daaruit stijgt een geur van heiligheid op. Het lijkt wel of euthanasie in onze samenleving de plaats heeft ingenomen van het laatste oliesel, het ritueel waarmee in de rooms-katholieke kerk het sterfproces is omgeven. Mensen die weten dat ze gaan sterven, schijnen in een sfeer van rustige aanvaarding te komen als hun het oliesel, de laatste zalving, is toegediend. Nu is de priester door de arts vervangen en moeten euthanasie en de pil van Drion de stervende rust geven.'

Levenseinde

Of dat verkeerd is? Ach, daarover kan Otten in z'n algemeenheid niet oordelen. Wel valt het hem op dat iemand als de Amerikaanse (door Otten vertaalde) dichter Christian Wiman, die al jaren aan een zeldzame - en uiterst pijnlijke - vorm van beenmergkanker lijdt, niet dood wil, terwijl 'iemand die aan oorsuizingen lijdt' dat wel wil. 'Ik weet dat oorsuizingen gekmakend erg kunnen zijn, maar het is wel raadselachtig dat mensen in dit opzicht zo verschillend zijn. Levenswil is, filosofisch gesproken, mysterieuzer dan doodswens.' Otten vreest dat de euthanasiepraktijk en het gepraat over voltooid leven ertoe hebben geleid 'dat mensen elkaar op verlichte wijze het graf in praten'. 'Mensen hebben een ongelooflijk talent om zichzelf overtollig te weten. In plaats van dat te bestrijden, creëert het aanbod van de verdwijnpil de vraag naar een geregistreerd levenseinde.'

Bij het kijken naar de roemruchte 'Huppakee-documentaire' uit 2016, over het bespoedigde levenseinde van vier patiënten, stond Otten oog in oog met de praktijk die hij in de jaren negentig al vreesde. 'Je zag een mevrouw die een heerlijke dag aan zee had gehad, en die daarna - heus vrijwillig - de beker aan de mond zette. Dat zal allemaal wel, maar waarom bezorgen we haar daarom niet meer fijne dagen aan zee?'

In zijn stadskerk, de Amsterdamse Sint-Nicolaas, heeft hij geen last van de absolutistische dorheid die de voltooid-levendiscussie omgeeft. 'Ik neem er geen verval waar. Ik heb er niet het gevoel tegen de klippen te moeten oproeien. In de kerk ben je niet zo eindig. Je staat er rechtstreeks in verbinding met de kruisiging, via de traditie van eeuwen: een koraalrif van gebaren, formuleringen, rituelen en choreografieën.'