Reportage Wilhem II

Wilhelm II in Amerongen, de keizer op wie niemand zat te wachten

Nadat hij de Eerste Wereldoorlog had verloren, vluchtte Wilhelm II naar Nederland. Kasteel Amerongen was zijn eerste ballingsoord.  De ‘eenvoudige balling’ die de Duitse keizer pretendeerde te zijn, zou er drie dagen blijven, maar het werden er 540.

Op de late middag van 11 november 1918, enkele uren nadat de stilte aan de fronten was ingetreden, was ook voor de Duitse keizer Wilhelm II de Eerste Wereldoorlog ten einde. Na een reis die de voorgaande ochtend in het Belgische Spa was begonnen, bereikte de vorst met een gevolg van tientallen officieren en hovelingen zijn voorlopige ballingsoord: kasteel Amerongen, gelegen aan de rand van het gelijknamige dorp op de Utrechtse Heuvelrug. 

Wijs op een punt om een foto te zien.

Hij werd er verwelkomd door Elisabeth Bentinck, de 26-jarige dochter van slotheer graaf Godard van Aldenburg Bentinck, die de keizer het laatste deel van zijn tocht in de auto had vergezeld. ‘Geachte gravin’, zou de keizer hebben gezegd. ‘Verontschuldig mij dat ik u lastig val, maar het is niet mijn schuld.’ Nog voor de keizer binnen was, stelde hij een thema aan de orde waarover hij de resterende jaren van zijn leven – hij stierf in 1941 – niet uitgepraat zou raken: dat anderen de oorlog hadden veroorzaakt.

Voor zijn aankomst in Amerongen had de keizer, hij zou pas op 28 november afstand doen van de troon, al veel onaangenaamheden moeten verdragen. Op het station van de Belgisch-Nederlandse grensplaats Eijsden had hij een dag moeten wachten op het besluit van de Nederlandse regering hem gastvrijheid te verleden. 

Dreigende vuisten

Intussen stond hij bloot aan verwensingen die hem door toegestroomde belangstellenden werden toegeroepen, ‘meest Belgen’, schreef vleugeladjudant Sigurd von Ilsemann in zijn dagboek. ‘Men zag dreigende vuisten en andere weerzinwekkende blijken van afkeer. Men hoorde foei-geroep en er klonk schel gefluit. Het deed mij pijn in de ziel voor de arme keizer.’

De 11de november, ‘een dag vol smaad en schande’, in de kenschets van Von Ilsemann, verliep voor de keizer en zijn begeleiders niet veel aangenamer. De reis in de keizerlijke trein van Eijsden naar Maarn ‘had door vijandelijk gebied niet vernederender kunnen zijn. Overal tot Arnhem gejoel, gefluit, opgeheven vuisten en het gebaar van hals afsnijden.’ 

Om de keizer deze aanblik te besparen, sloot Von Ilsemann de gordijnen. ‘Tot de keizer zei: ‘Och, laat u maar. Het doet er nu toch niet meer toe.’ Bij station Maarn, waar de keizer door graaf Bentinck werd opgewacht, hadden zich twee- à driehonderd mensen verzameld, onder wie de vrouw van de Britse gezant in Den Haag, die luid tegen de komst van de keizer protesteerde. ‘Goed dat het regende, anders waren er nog veel meer gekomen.’ De keizer zou tegenover de gastheer kenbaar hebben gemaakt te snakken naar een kop ‘goede Engelse thee’.

Bij aankomst in Amerongen ‘volgde een nieuwe vernedering’ toen de Nederlandse generaal-majoor Marcus Onnen de Duitsers, in strijd met eerder gemaakte afspraken, gelastte hun sabels, de eretekenen bij uitstek, in te leveren. De keizer kreeg twee kamers in de westvleugel van het slot toegewezen. De meeste leden van zijn gevolg werden ondergebracht in de twee plaatselijke hotels die graaf Bentinck had afgehuurd. Von Ilsemann was niet over de faciliteiten te spreken: ‘Een kamer die behalve een eenvoudig bed en kleine wastafel niets bevatte. Een gevangeniscel leek het ons.’

Iedereen naar Amerongen

En zo verwierf het lieflijke Amerongen, waar het beroep van klepperaar nog niet in onbruik was geraakt, een plek in de wereldgeschiedenis. Een bescheiden plek weliswaar, maar toch: het nietige dorp verwierf kortstondig wereldfaam. In de Engelse pers, anti-Duits tot in haar vezels, werd zijn naam verbasterd tot I’m a wrong one (‘Ik deug niet’).

Uit alle windstreken verschenen mensen in Amerongen die – met uiteenlopende bedoelingen – de keizer wilden zien. Een verslaggever van De Telegraaf die zich voordeed als lid van Wilhelms hofhouding in de (vergeefse) hoop tot de slaapkamer van de keizer te kunnen doordringen. Een fotograaf van het rijk geïllustreerde weekblad Het Leven die erin slaagde om, gezeten op een hoog opgetaste hooiwagen, de keizer te fotograferen tijdens een wandeling door de tuin. En de Amerikaanse kolonel Luke Lea die de keizer als trofee had willen meenemen naar de Amerikaanse bezettingstroepen in Duitsland. 

Dit plan werd door een wakkere veldwachter verijdeld. Wel slaagde Luke erin een koperen asbak uit een van de bijgebouwen te ontvreemden. ‘De keizer amuseerde zich kostelijk over dit voorval’, schreef Von Ilsemann. ‘Buiten tien politiemannen en binnen een diefstal.’ En dan was er ook nog die ‘verwarde Fransman’ die de keizer had willen vermoorden, maar die volgens het politierapport ‘op het laatste moment’ berouw kreeg en zijn revolver ‘in den rivier de Rijn’ wierp. Een passant ‘met een zeer omvangrijk postuur’ werd op bommen doorzocht.

Oorlogsmisdadiger

Drie dagen zou de keizer in Amerongen blijven. Het werden er 540. Dit hing vooral samen met het feit dat de geallieerde mogendheden – de een iets krachtiger dan de ander – aandrongen op uitlevering van Wilhelm teneinde hem als oorlogsmisdadiger te berechten. 

De Nederlandse regering heeft die eis steeds afgewezen, maar wilde tezelfdertijd de zichtbaarheid van de keizer tot een minimum beperken. Reeds toen de balling van het kopje Engelse thee genoot dat graaf Bentinck hem in het vooruitzicht had gesteld, werd hem per telegram het eerste landgoed te koop aangeboden. De keizer stak het telegram in zijn zak en zei: ‘Zaken zijn zaken.’ Tot nader order moest hij echter alle aanbiedingen afslaan. Pas in mei 1920, toen zijn vroegere vijanden hun belangstelling voor zijn berechting hadden verloren, kon hij zich in Doorn vestigen.

Tot die tijd was in Amerongen een soort uitzonderingstoestand van kracht. De verblijfplaats van de keizer werd permanent bewaakt door aanvankelijk zeventien rijksveldwachters tegen een vergoeding van 17 gulden per dag. Over hun bekostiging en over de vraag onder wiens bevel zij stonden, werd geruime tijd geruzied tussen de Amerongse burgemeester Van Weede en de rijksoverheid. Er was, ter voorkoming van aanslagen vanuit de lucht, een vliegverbod boven Amerongen van kracht. 

De proviandering van Wilhelm en zijn gevolg, waarvan de omvang eind november 1919 overigens drastisch werd teruggebracht, was in een tijd van goederen- en brandstofschaarste een bron van permanente zorg voor graaf Bentinck. En de keizer genereerde overstelpende hoeveelheden post. ‘De Ameronger postdirecteur was helemaal van streek’, schreef Elisabeth Bentinck. ‘Hij had deze betrekking gekregen om het wat kalmer aan te kunnen doen en nu kreeg hij door de keizer meer te doen dan zijn collega in Amsterdam.’ Zo ontving de keizer op zijn 61ste verjaardag, 27 januari 1920, ongeveer zesduizend brieven en duizend telegrammen.

De adjudant

Sigurd von Ilsemann heeft zijn werkzame leven ten dienste gesteld van keizer Wilhelm II. Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog werd hij diens vleugeladjudant. Dat bleef hij tot de dood van de keizer in 1941. In 1920 trouwde Von Ilsemann met Elisabeth Bentinck (1892-1971), de dochter van Godard graaf Van Aldenburg-Bentinck. Op 6 juni 1952 kwam Von Ilsemann op 68-jarige leeftijd door zelfdoding om het leven in het poortgebouw van Huis Doorn, het definitieve ballingsoord van de ex-keizer.

Momenteel is in Kasteel Amerongen een tentoonstelling te bezichtigen over de gevolgen voor het dorp van de komst van de keizer. Help, de keizer komt!’ luidt de titel – die moet uitdrukken dat niemand in Amerongen zich verheugde over de logeerpartij. Bezwaren werden echter niet publiekelijk geuit, zegt Lodewijk Gerretsen, conservator van Kasteel Amerongen. 

Niet door graaf Bentinck, omdat hij zich als lid van de Johannieter Orde, waartoe ook de keizer behoorde, gebonden voelde aan zijn ridderlijke plicht tot bijstand. En niet door de inwoners van Amerongen, omdat velen van hen afhankelijk waren van de graaf. ‘Het was een feodaal dorp’, zegt Gerretsen. ‘Een gewone huisvrouw durfde zich op zondag niet met haar fraaie leren tas in de kerk te vertonen, omdat de graaf daar weleens wat van kon denken.’

Maar Bentinck was feitelijk gast in zijn eigen huis gedurende het verblijf van de keizer, zegt Willem Brouwer, die verantwoordelijk is voor ‘publieksbereik en educatie’. Het ritme van de dag werd door Wilhelm bepaald. Dat betekende onder meer dat de gezamenlijke avondmaaltijd, waarbij geregeld gasten uit Nederland en Duitsland aanzaten, om 20.00 uur werd opgediend en dat de heren daarna tot ongeveer 23.00 uur,  en vaak langer, hun conversatie voortzetten in de bibliotheek. In de praktijk betekende dit dat de aanwezigen werden geacht naar de keizer te luisteren. ‘Uren en uren op je stoel zitten en meestal dezelfde verhalen van de keizer te moeten aanhoren, wordt op den duur een kwelling’, noteerde Von Ilsemann in zijn dagboek.

Eenvoudige balling

Voor de ‘eenvoudige balling’ die hij pretendeerde te zijn, was de keizer bepaald veeleisend. Zo verlangde hij van burgemeester Van Weede dat hij niet in ‘burgerkleding’ maar in ambtsuniform aan de dis verscheen. Hij schroomde niet zijn voorkeuren voor spijzen en dranken kenbaar te maken. Zodoende bracht een wijnhandelaar op 17 december 771,05 gulden in rekening. Vleeschhouwerij en varkensslachterij S. Meijen declareerde 108,80. L.E. van Nieuwenhuizen, leverancier van groenten en vruchten, inde 136,05 gulden voor de levering van doperwten, stoofasperges, sperziebonen, snijbonen en spinazie.

Directe contacten tussen de keizer en de Amerongers waren niet gangbaar. Kapper De Man kwam geregeld zijn snor bijpunten, en verliet na gedane arbeid achteruitlopend de kamer omdat het hofprotocol dat zo voorschreef. Huisarts Herman Waller, die af en toe door de keizer werd geconsulteerd, liet deze plichtpleging vermoedelijk achterwege – afgaande op zijn weinig flatterende kenschets van de keizer: ‘En face is het een levendig gezicht met helder oog, maar en profil met het wijkend voorhoofd bepaald een onaangenaam vossentype.’

De voornaamste bron van vertier voor de keizer gedurende zijn ballingschap bestond uit het kappen van bomen, die vervolgens in schijven werden gezaagd en genummerd. Op 13 januari 1920 schreef Elisabeth Bentinck in haar dagboek: ‘Als hij het huis binnengaat, vertelt hij iedereen: ‘Ik heb vanmorgen zestig of tachtig bomen gezaagd’, ook indien de helft van het werk zonder zijn toedoen is geschied. Dit herhaalt zich vrijwel dagelijks. Papa hecht er waarde aan dat niet te veel bomen uit zijn bos verdwijnen, maar daar het ’s keizers enige vreugde hier is, geeft papa het hout toch gaarne, maar zegt de heren toch vaak met nadruk dat het ook werkelijk door de keizer moet worden gezaagd.’

Op 15 mei 1920, bij zijn verhuizing naar Doorn, liet de keizer een uitgedund bos in Amerongen achter. En, als dank voor de genoten gastvrijheid, een vroegere legerbarak, die hij uit Duitsland had laten overkomen en dienst zou moeten doen als hospitaal. De gemeente Amerongen was er niet blij mee aangezien zij de inventaris en het onderhoud moest bekostigen, een last die haar draagkracht snel te boven ging. Elisabeth Bentinck en haar vader deden hun gast uitgeleide. ‘Enige ogenblikken later werd de poort opengezet om niet weer te worden gesloten. De toegang tot slot Amerongen was weer voor iedereen vrij!’

De tentoonstelling Help, de keizer komt! Is tot 2/12 te zien in Kasteel Amerongen. Op 10/11 vindt in het Vredespaleis in Den Haag de conferentie 100 jaar vrede organiseren, 1918-2018 plaats, zie eerstewereldoorlog.nu 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden