'Wilders is respectabel, als papegaai'

Redacteuren Malou van Hintum en Jan Tromp denken er anders over. 'Met al die idiote plannen vertolkt de PVV louter de onderbuik. Dat moeten media beter beseffen.'

Haags redacteur Ron Meerhof poneerde afgelopen zaterdag tegenover de lezers van de Volkskrant dat journalisten zich niet ziende blind en horende doof kunnen houden voor het eminente politieke talent van Geert Wilders . De conclusie stond trots in de kop boven zijn artikel: ‘We hebben eerder te weinig over Wilders geschreven dan te veel’ (het Betoog, 27 januari).

Deze alinea was de kern van het stuk: ‘ Wilders is een goed politicus. Althans: in de betekenis van een politicus als volksvertegenwoordiger. Hij weet of voelt wat er leeft in het land dan wel zijn achterban.’ En Geert Wilders verzuimt niet die achterban stem te geven in het parlement.

Maar levert de goede politicus Wilders daarmee ook een waardevolle bijdrage aan het debat? In diezelfde zaterdagkrant verklaarde Wilders -adept Frits Bolkestein over zijn tovenaarsleerling: ‘Nu zegt hij domme dingen.’

In 1921 had een aantal kunstenaars voor de raadsverkiezingen de Amsterdamse bedelaar Hadjememaar lijsttrekker gemaakt van de Rapaille-partij. Hadjememaar wist wat er leefde in de achterban! De bekendste punten uit het partijprogram waren: vrij vissen en jagen in het Vondelpark, alles gekookt in jenever, en afschaffing van kunsten en wetenschappen.

Wilders ’ PVV doet iets soortgelijks. De fractie noemt de Antillen ‘een roversnest’, stelt de Koran op één lijn met Mein Kampf, meent dat omzichtige pleidooien door leden van het koningshuis voor beschaafde omgang met nieuwkomers thuishoren achter het luikje ‘prietpraat’ en wil de koningin uit de regering. Een peiling van Maurice de Hond wees uit dat meer dan de helft van de Nederlanders dat ook wil. Meerhof: ‘ Wilders had de temperatuur weer goed aangevoeld. Hij heeft onmiskenbaar een antenne voor wat zich afspeelt in de buitenwereld.’

Sinds Fortuyn is de populistische variant van de homo politicus spijtig genoeg de norm geworden: ‘ik zeg wat ik denk’ en, nog erger: ‘ik denk wat ik zeg’. De welbespraaktheid en nichterigheid van Fortuyn gaf dat nog iets vrolijks. Hij speelde met het establishment, en hij speelde met de Marokkaanse jongens die hij de maat nam.

Het populisme van Wilders en, in mindere mate, dat van Verdonk is rancuneus. Ze willen broze verhoudingen kapot maken zonder dat hen, we citeren Meerhof, ‘een bestuurlijk einddoel’ voor ogen staat. Waarom heeft de krant daarover ‘eerder te weinig dan te veel geschreven’? Sinds wanneer is het een pré voor een politicus dat hij geen enkele interesse toont voor oplossingen van maatschappelijke problemen, maar die uitsluitend voorziet van giftige oneliners? Sweeping statements die, inderdaad, een forse antenne voor het gelijk van de borreltafel verraden, maar ook een flagrant gebrek aan gevoel voor menselijke en politieke verhoudingen.

Overdrijven wij? Nee, hoor. Een man die voorstelt om met scherp te schieten op, we halen Wilders eigen werk aan, ‘relschoppers als voetbalhooligans, krakers, antiglobalisten of ander verwerpelijk tuig’, is elke proportie uit het oog verloren. Over zo iemand moet je schrijven, maar niet op de manier die Meerhof bepleit: als een respectabel politicus.

Meerhof roemt Wilders , omdat hij als een van de weinigen in Den Haag feilloos de opvattingen van de achterban zou kennen. Wij zouden zeggen: hij is de perfecte papegaai van het onderbuikgevoel. Bovendien weet hij precies hoe hij op dat gevoel moet inspelen. Roep morgen dat alle Marokkaanse jongens gesteriliseerd moeten worden om zo de islamisering van Nederland te stoppen, en je zult zien hoe perfect dat aansluit bij iedereen die achter Wilders aanloopt. Dat kunstje is niet zo moeilijk, en een journalist moet het doorzien.

De vraag is daarom, wat je van een volksvertegenwoordiger mag verwachten. Moet hij niet vooral zijn eigen ideeën presenteren? Is het niet zijn taak clichés te overstijgen in plaats van uit te venten, om zwartwit-schema’s in te kleuren in plaats van uit te vergroten?

Natuurlijk moeten politici luisteren. Maar politici zijn ‘het volk’ niet, en dat is maar goed ook. Het is een elite die behoort te reflecteren, te argumenteren, die de durf moet hebben om te zeggen: ‘U denkt dat wel, maar ik zie dat anders en wel hierom.’ Niet verstopt in een ivoren toren, maar wél frank en vrij. En onverschrokken.

Politici mogen zich niet laten intimideren door het gesundenes Volksempfinden en zich laf en sprakeloos in een hoek laten drukken. Daarover wordt nou eerder te weinig dan te veel geschreven. Over het feit dat PVV’er Brinkman niet stante pede uit de commissie is gezet die op de Antillen zaken wilde doen. Over het feit dat, ten tijde van de dubbele paspoorten-affaire, VVD en PvdA schielijk richting Wilders opschoven, benauwd om ‘het volk’ tegen de haren in te strijken en daarvoor een electorale prijs te betalen.

Maar nee. In plaats daarvan worden idiote plannen en onbeschofte zinsnedes van onze ‘politicus van het jaar’ braaf opgetekend. Sterker nog: ze belanden op de voorpagina, ook op die van de Volkskrant. De media buigen nederig voor de brutaliteit en de banaliteit van de straat. Waarom toch?

Malou van Hintum en Jan Tromp zijn redacteuren van de Volkskrant.

\N
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden