Wildernis kun je zaaien

Nederland grijpt al vijftien jaar in om natuur te repareren. Dat moet wel, anders blijft er niets bijzonders over. Maar herstel slaat niet overal aan....

Soms wordt een natuurgebied goedbedoeld naar de knoppen geholpen. In Akmarijp, Friesland zijn voor Nederland vrij unieke blauwgraslanden met zeldzame planten verknald omdat daar vuil water uit een ander gebied overheen ging. Een zeldzame waterwants verdween uit de Grenspoel bij Appelscha nadat de bodem was afgeschraapt voor de schoonmaak van het ven.

Maar er zijn ook successen te melden bij natuurherstel. In de Bergvennen bij het Overijsselse Denekamp zijn de waterlobelia's in acht jaar toegenomen tot een roze waas van tienduizenden exemplaren. Plaggen en uitdunnen van dennenbossen bracht de mossen, korstmossen en paddenstoelen terug en dan ook nog de soorten die bedreigd waren.

Deze inzichten over successen en mislukkingen met natuurherstel zijn de afgelopen vijftien jaar opgedaan. Ze staan beschreven in de deze week verschenen bundel Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit (Expertisecentrum ministerie van LNV).

Halverwege de jaren tachtig zag het er beroerd uit voor de natuur, door de milieuvervuiling en de grootschalige onttrekking van grondwater. Hei vergraste, duinen verruigden en water werd diepzwart, stonk en was met dikke lagen schuim bedekt. Sinds 1989 steekt de overheid jaarlijks vijf miljoen euro in natuurherstel en is negentigduizend hectare onder handen genomen.

'Vóór die tijd werd het knutselen aan de natuur op het gevoel gedaan', zegt prof. dr. Jan Roelofs, bioloog aan de Radboud Universiteit Nijmegen en een van de hoofdpersonen die bij het natuurherstel zijn betrokken. 'Negen van de tien keer mislukte dat.'

Het unieke aan het zogeheten Overlevingsplan bos en natuur van de laatste vijftien jaar is, dat het met wetenschappelijk onderzoek is onderbouwd. 'Nergens ter wereld gebeurt dit', zegt Roelofs. 'Maar ook nergens ter wereld is het zo hard nodig', voegt bioloog dr. Bart van Tooren van Natuurmonumenten daaraan toe.

Steeds werd de verstoorde en nietverstoorde natuur van hetzelfde type met elkaar vergeleken. In het laboratorium werd de oorzaak van de verstoring achterhaald: verzuring door te veel ammoniak en eutrofiëring (voedseloverdosis) door te veel stikstof of fosfaat. Als de verstorende factoren eenmaal waren opgespoord, kon de beschadigde natuur in het veld met daarbij passende maatregelen worden gerestaureerd.

Zo is een veelheid aan maatregelen uitgeprobeerd in bossen, hei, hoogen laagveen, duinen en vennen. Dat varieerde van plaggen, maaien, kalk uitstrooien om de zuurgraad te verminderen, uitdunnen van bossen, optrekken van het grondwaterpeil en uitbaggeren van vennen, tot het inzetten van grote grazers, zoals runderen en paarden.

Met de grazers in de duinen is het niet goed gegaan. 'Bij warm weer zochten de grazers verkoeling in de duinvalleien. Zo kwam in dit al zwaar geëutrofieerde milieu een extra lading mest binnen van de poepende dieren. Daardoor gingen de zeldzame orchideeën eraan', zegt Roelofs.

De grazers vraten ook de vegetatie weg, waarvan talrijke diersoorten afhankelijk zijn. Zo paren en schuilen spinnen in de ruigtes en met hen tientallen andere soorten. Ook vogels die op de bodem broeden zijn de klos als de eieren onder de poten worden vertrapt.

Heiherstel door het afschrapen van de bovenste, verzuurde bodemlaag leek een probaat middel. Na dit plaggen zouden de plantenzaden dieper in de bodem weer een kans krijgen, was het idee. Maar dat bleek op veel plaatsen een illusie.

Ecohydroloog dr. Ab Grootjans van de Rijksuniversiteit Groningen, een rekkelijke, vindt dat in zo'n situatie kordaat naar een alternatief moet worden gezocht. Dat is zaadjes van beroemde plantenfamilies inzaaien en niet tot St. Juttemus zitten wachten of valkruid zich weer wil laten zien. Hij heeft er geen boodschap aan dat de preciezen dit natuurvervalsing noemen. Ook het boek breekt een lans voor het inzaaien van planten om ecosystemen op gang te helpen.

Maar zo simpel laat de natuur zich niet dwingen, bleek bij het experiment in het Drentse Hunenhuis. Daar werd valkruid ingezaaid, een soort waar ecologen opgewonden van kunnen raken. Van de vierhonderd valkruidzaden bleven er na vier jaar drie over.

Natuurmonumenten, dat aan menig experiment meedeed, heeft zwaar ingezet op het heiherstel. 'In het Dwingelderveld liep het prima als we geen hoge eisen stelden', zegt dr. Bart van Tooren. Soorten die goed tegen een zuur milieu kunnen, zoals pijpestrootje, bochtige smele en moerasklauw, kwamen tevoorschijn. Maar daar zaten we niet op te wachten. We wilden de planten die kenmerkend zijn voor de hei zoals blauwe knoop, rozenkransje en valkruid en die keerden niet terug. We weten nu dat we regelmatig moeten plaggen en kalk moeten toevoegen tegen de verzuring uit het verleden om valkruid terug te krijgen.'

Natuurmonumenten heeft ook geleerd dat grootschalig plaggen en veel grazers in een gebied zetten op hun einde lopen. 'Het was nuttig om de vergrassing terug te dringen. Maar we komen ervan terug en richten ons nu meer op bijzondere soorten, waarvoor kleinschalig maatwerk is vereist. Dat heeft grenzen, we willen er geen dierentuin van maken', zegt Van Tooren.

Voor herstel van hoogveen is een ander recept nodig dan we altijd dachten, zegt Roelofs. 'We vermoedden dat we zoveel mogelijk water in het gebied moesten brengen, zodat de veenmossen zich in de waterplassen konden ontwikkelen. Bovendien moest het gebied worden afgedamd. Daar is veel geld aan uitgegeven, maar dat bleek niet tot goede resultaten te leiden.

Het werkte niet omdat in het water te weinig kooldioxide zit. Nu maken ze die gebieden drassig, zodat de veenmossen op de bodem contact hebben met de buitenlucht en kooldioxide uit de buitenlucht kunnen opnemen. Dat werkt heel goed. 'Er komen weer mooie veenmosbulten tot ontwikkeling in het Fochteloërveen in Friesland.'

Aanvankelijk was het programma gericht op het terugbrengen van verloren vegetatie. 'Als de planten het weer goed doen, zou de fauna daarvan profiteren. Dat bleek onjuist', zegt drs. Hans Esselink, ecoloog aan de Radbouduniversiteit. 'We kwamen erachter dat maaien en afvoeren van het maaisel wel goed is om overtollige voedingsstoffen uit het milieu te krijgen, maar je kunt er ook alle vlinders, hommels en zweefvliegen in een hooiland door kwijtraken. Dat gebeurde toen een duinrand op Ameland in één keer werd gemaaid. De insecten raakten al hun voedsel kwijt en omdat dit de enige bloemrijke plek was, kwamen de soorten bij bosjes om. We moeten dus gefaseerd maaien.'

Vennen werden nogal eens leeggepompt en de bodem schoongeschraapt. Dan komen veel diersoorten droog te staan. Tien procent van de kruipers en zwemmers zoals waterkevers en kreeftachtigen weten te ontsnappen aan de graafmachines en overleeft in kleine plasjes. Maar doorgaans is ook de oevervegetatie weggehaald en dan komt een overlever alsnog om door voedselgebrek.

'Van de slakken, platwormen en bloedzuigers die zich zich niet uit de voeten kunnen maken, overleeft hooguit twee procent.

Tenzij de ingreep minder ruw wordt uitgevoerd. Esselink: 'We gaan in Malpie bij Valkenswaard experimenteren met een damwand, waardoor het ven in tweeën wordt gedeeld. We baggeren eerst één kant uit, zodat de beestjes aan de andere kant van de dam in het natte deel kunnen overleven. Pas als de beestjes het uitgebaggerde deel herkoloniseren, pakken we de andere kant aan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden