Wilde Wester

In de serie Over de helft interviewt Cornald Maas nét-vijftigers over hun dilemma's. In aflevering 8: journalist Frits Wester.Voorspelbaarheid is zijn grootste angst, hij schuwt avonden op de bank en zou best op een schip willen wonen.

Vijftig - ik noem het een scharnierfase. Vrienden gaan scheiden, vrienden worden ziek, er zijn grote zorgen om je ouders. Je bent over de helft en de vraag dringt zich op: wil ik nog iets heel anders? Zolang er niks leukers voorbijkomt dan wat ik nu doe, is mijn antwoord: nee. De kunst in mijn vak is niet cynisch te worden en daarvan is geen sprake: ik vind het nog steeds leuk verhalen te vertellen over wat zich daar op die vierkante kilometer in Den Haag afspeelt, in de hoop dat mensen daardoor beter begrijpen wat er gebeurt en wat daarvan de gevolgen voor hen zijn. Ik loop nog altijd met ongelooflijk veel plezier op het Binnenhof rond, nu al bijna dertig jaar. Ik geniet van het politieke- en het mediacircus en heb het enthousiasme van het begin, toen ik opkeek tegen Meneer Mingelen die ik alleen nog van tv kende, weten vast te houden.


En toch. Het knaagt soms ook. De tijd gaat snel, de tijd is een snelkookpan. Laatst zag ik in het ouderlijk huis, waar mijn moeder nog altijd woont, een foto van het 25-jarig huwelijk van mijn ouders, ik keek naar mijn vader, toen net zo oud als ik nu, en dacht: ik zie daar een oudere man staan, zo zie ik er toch niet uit? Of ik kijk naar een foto van mijn eerste tv-debat, toen ik 36 was, met Wim Kok en Frits Bolkestein - ik was nog een jong ventje, van wie ik me nu amper kan voorstellen dat ze die toen serieus namen. En terwijl ik naar die foto kijk, herinner ik me het laatste tv-debat dat ik deed, met Roemer, Pechtold, Rutte en Wilders. Op het moment dat het begon, realiseerde ik me: ik ben de oudste van het stel. Terwijl ik me de jongste voel en vroeger ook altijd de jongste wás: ik kwam op mijn 23ste op het Binnenhof, op mijn 28ste zat ik in het Catshuis, ik was de jongste voorlichter van een fractievoorzitter van een politieke partij. Goed, ik ben niet grijzer geworden, dat voordeel heb ik dan wél. Ik sport nog veel, ben niet vermoeid, het bruist nog alle kanten op. Ik heb een goed geheugen en als ik me een veelbetekenend moment herinner van tien jaar geleden denk ik: het lijkt als de dag van gisteren. Als ik even met de ogen knipper, zijn er weer tien jaren voorbij, die dan nóg sneller zullen gaan en dan ben ik zowat bejaard en hoef ik al bijna niet meer te werken. De seizoenen gieren voorbij, terwijl ik nog zo veel dingen wil doen, meemaken en beleven en ik het liefst 26 uur in een dag zou stoppen.


Dat besef vind ik ontzagwekkend, ja. Is 50 het nieuwe 40, zoals het cliché luidt? Zal wel, maar intussen kreeg ik vlak voor mijn 50ste een brief van de protestants-christelijke ouderenbond: als ik nu al lid zou worden, zou ik korting krijgen. Sodemieter op, dacht ik - ik word lid van geen enkele ouderenbond, van de 50PlusBeurs wil ik niks weten. Ik sta nog midden in de samenleving, ik ben nog heel erg in het nu.


Mijn moeder leeft nog, mijn vader is tien jaar geleden overleden. Het laatste, goede gesprek heb ik op mijn verjaardag met hem gevoerd. Hij was ziek, had kanker, een paar dagen later kreeg hij een hersenbloeding en was het niet langer mogelijk echt met hem te praten. Hij zat in een verzorgingstehuis, in zijn rolstoel en als ik hem mee naar huis nam, herkende hij zijn eigen tuin niet meer. Op een gegeven moment ging het echt niet langer en toen we met de morfine begonnen, is hij binnen 24 uur overleden - eigenlijk precies zoals hij het tijdens dat gesprek op mijn verjaardag had gevraagd: 'Als het niet meer gaat, moet jij de beslissing nemen, ik wil er niet met mama over praten.' En zo is het gegaan: de laatste nacht voor zijn dood hebben mijn moeder en ik bij hem op de kamer geslapen, toen hij overleed waren mijn zus en onze families erbij.


Ik mis zijn telefoontjes. Op mijn verjaardag belde hij steevast om 10 over 9 's ochtends, het tijdstip waarop ik ben geboren. Ik belde hem vaak als ik na het nieuws op de fiets terug naar huis zat: 'Wat heb je gegeten?', vroeg-ie dan en dan babbelden we even. Of hij corrigeerde me omdat ik op tv 'procureur-generaals' had gezegd in plaats van 'procureurs-generaal' - mijn vader is altijd een precieze, maatschappelijk betrokken man geweest, hij was jarenlang gemeente-ambtenaar bij de sociale dienst. Mijn moeder heb ik na zijn dood ook bijna elke dag gebeld. Als mensen daarop verbaasd reageerden, zei ik: 'Ik doe het graag, er komen nog te veel dagen dat ik haar niet meer kan bellen.'


We zijn nu bezig met de laatste bladzijde van het laatste hoofdstuk van haar leven. Ze heeft kanker, het afscheid nadert snel. Ze gaat met een rollator naar de traplift en bovenaan staat een andere rollator voor haar klaar. Gister reed ik haar in haar rolstoel nog even de tuin in: 'Kijk mam, het is prachtig weer.' Daar zitten we dan en ik zie dat het voor haar niets meer betekent. Het eten smaakt haar niet meer, ze beleeft niet langer vreugde aan het leven. Het liefst zou ze gaan slapen en niet meer wakker worden. Ik zou haar dat gunnen, maar voor mij is het ook dubbel: ik wil haar niet kwijt. Ik hoop in elk geval dat haar verder lichamelijk lijden bespaard zal blijven.


Steeds als ik bij haar op bezoek ben geweest, ga ik er verdrietig weg. Ook omdat er een periode afgesloten gaat worden en daar zie ik erg tegenop. Als ik afscheid van mijn moeder zal moeten nemen, dient ook, onherroepelijk, het afscheid van het ouderlijk huis zich aan. Dat is het huis waarvan ik elke traptrede ken en ook precies weet welke kraakt en welke niet. Vroeger had ik daar veel aan als ik weer eens te laat thuis kwam. Vorige week liep ik er op zolder rond en zag ik daar de hamer van mijn vader, waarmee ik als kind zo veel dingen in elkaar heb geknutseld. Ik weet nog precies hoe die voelt, ik pakte hem, deed mijn ogen dicht en was weer terug in de tijd - alsof er al die jaren niks was veranderd. Wat doe ik straks met die hamer? Ik ben geen verzamelaar van spullen, ik hecht niet aan materie en herinneringen aan mooie momenten kun je ook koesteren zónder dat je iets in je handen hebt. Maar als iets weg is, is het weg en is er alleen nog maar de herinnering - een herinnering die nooit meer tastbaar wordt.


De blauwe racefiets die ik op mijn 18de van mijn vader kreeg, heeft tot vorig jaar hier in de schuur gehangen. Hij was totaal verroest, het ding moest de deur uit. Ik heb 'm zelf weggebracht naar de ijzerbak en de fiets niet bij het grofvuil gezet. Te bang was ik dat iemand het misschien toch nog een aardige racefiets zou vinden en 'm mee zou nemen. Die gedachte kon ik niet verdragen: dit is mijn racefiets, dacht ik, waaraan ik zo veel goede herinneringen heb. Die mag niet van iemand anders worden.


Ik houd helemaal niet van afscheid nemen, daar komt het op neer. Ik hecht eraan dingen terug te halen en ze bij me te houden. Ik weet precies hoe een bepaalde deurknop aanvoelt, ik herinner me de geur van de auto die ik ooit had. Als ik éven in de gelegenheid was, reed ik weer door de straat waar ik ben geboren en langs de kleuterschool waar ik op zat - kijken of mijn herinneringen nog klopten. Dan zag ik de kinderen op dezelfde kar spelen als waarop ik vroeger speelde. Totdat ik laatst, toen ik er weer langsreed, tot mijn schrik constateerde dat de school was gesloopt.


Ik houd er niet van mensen op stations op de trein te zetten, ik heb een hekel aan begrafenissen. Liever spreek ik via de camera 1,5 miljoen mensen toe dan dat ik in de intimiteit van een uitvaart het woord voer. Als er op het werk een collega vertrekt, baal ik daar erg van. Ook al snap ik goed waarom hij of zij het tijd vindt iets nieuws te gaan doen. Zelf moet ik er niet aan denken al afscheid te nemen van mijn werk: ik zou elk steggetje, elk zoldertje, elk deurtje missen. Aan een afscheidsreceptie, waarbij mensen in de rij staan om je een hand te geven, moet ik al helemaal niet denken. Ik zou mijn bureau leegmaken en de deur achter me dichttrekken en op een ander moment het leven vieren, zodat ik niet het gevoel zou hebben dat ik wég ben.


Heb ik zo'n moeite met afscheid nemen omdat mijn ouders al zo vroeg met afscheid werden geconfronteerd? Ik zou het niet weten. Mijn moeder verloor haar ouders op jonge leeftijd, kort na elkaar. Ik was nog niet geboren. Mijn vader verloor zijn ouders en zijn jongste broer aan de gevolgen van een kolendampvergiftiging. Ik was 4 toen dat gebeurde, ik bewaar amper herinneringen aan mijn grootouders. Het moet mijn vader voor het leven hebben getekend, eerder was hij ook al een andere broer aan een ziekte verloren. Er werd thuis niet veel over gesproken, wél weet ik nog dat ik tijdens een van mijn eerste dagen op het Binnenhof in oude krantenleggers naar artikelen zocht over de kolendampvergiftiging. Ik heb er nog kopietjes van gemaakt voor mijn vader. Wat ik me, nu we het erover hebben, heel goed realiseer: dat ik mijn ouders veel langer bij me heb gehad dan mijn vader en moeder hún ouders. De verhalen over hoe ik ben geboren, heb ik vele malen gehoord. Tot vervelens toe, maar ik heb ze tenminste vele jaren lang gehoord. Als je ouders nog leven, is het gedeelde verleden, op heel vanzelfsprekende wijze, heel dichtbij. Als mijn moeder er straks niet meer is, is alleen mijn oudere zus er nog met wie ik de herinneringen van het vroegste verleden kan delen. De verhalen van vroeger zijn er dan nog wel, maar ze worden alleen nog door ons verteld, niet over ons.


Mijn zoons wonen nog thuis. De oudste, van 20, studeert, de jongste moet eindexamen doen. Als zij straks het huis uit gaan, is dat ook weer een afsluiting van een periode. Maar voor de oudste wordt het zo langzamerhand ook wel tijd, laat ik hem voorzichtig weten. Eén hoofd op de apenrots is voldoende zeg ik 'm dan. Er is weleens wat strijd over wie de scepter zwaait. Of ik kom 's ochtends vroeg, net voordat ik naar m'n werk ga, de badkamer in en tref daar mensen aan die ik niet ken. Als de jongens straks niet meer thuis wonen, hebben Marjolein en ik het rijk alleen. Ik denk dat we elkaar dan, net als nu, de nodige ruimte zullen gunnen: Marjolein is het gewend haar eigen avonden in te delen. Als ik een keer wat vroeger thuiskom, zo tegen 23 uur, zegt ze: 'Ben je er nu al?' Wij gaan straks tijdens vrije avonden heus niet braaf op de bank urenlang films kijken. Gaan we nog ergens naartoe, komt er nog iemand langs?, denk ik al snel. Het mooie van mijn vak als journalist is dat de regelmaat juist de ónregelmaat is. Erg lijkt het me een baan te hebben waarbij je 's ochtends om 9 uur op kantoor moet zijn, nóg erger lijkt het me om om 18 uur thuis te zijn en je af te moeten vragen wat je de rest van de avond zult gaan doen. Voorspelbaarheid is altijd mijn grootste angst geweest. Of zoals mijn moeder het zei: 'Frits heeft een beetje ruimte nodig, anders stoot hij de kopjes van tafel.'


Op mijn 18de werkte ik, direct na mijn eindexamen, in een hotel in Oostenrijk. Daar zag ik dag in, dag uit bussen van georganiseerde reizen arriveren, vol mensen die allemaal dezelfde jassen, tassen en kapsels hadden en elke dag, op last van de reisleider, hetzelfde schema afdraaiden. Een schrikbeeld vond ik dat. Ik heb er altijd een hekel aan gehad: aan de vakantiehuisjesparken waar je op vooraf geplande momenten een badmintonwedstrijd speelt en aan de campings waarvan ik al niet goed word als ik een slagboom zie. Waar je niet eens een fikkie mag stoken bij je tentje - dat gebeurt verderop. Waar vaders, met een schort om, op een ommuurd terreintje het vlees op de barbecue staan te braden. Pretparken? Ik ga echt niet uren in de rij staan om met Mickey Mouse op de foto te gaan. 'Voor papa is de enige attractie de uitgang', zeiden de jongens vroeger weleens. Het is misschien egoïstisch, maar ik ga niet mee. Als Marjolein in de zomer een week met ze naar een vakantieoord in Kroatië wil, je doet er mij geen plezier mee en ik doe er hén geen plezier mee. Ik ben vrijwel nooit chagrijnig, maar ik ben niet leuk als ik ergens moet zijn waar ik niet wíl zijn. Laat mij de dingen doen die ik graag wil doen, daar wordt iedereen beter van.


Ik zou uiteindelijk best dit huis willen verkopen en op mijn schip, dat in de haven van Harlingen ligt, gaan wonen. Maar Marjolein zit dat niet zo zitten; ze houdt niet van varen. Met onze beste vrienden spraken we inmiddels af dat we over een tijd samen in een huis willen wonen, met een eigen verpleegster en een eigen tuinman - dat is mijn idee van oud worden. Ik moet er niet aan denken in de triestigheid van een verzorgingstehuis te belanden waar je niet langer het heft in eigen handen hebt.


Afgelopen zomer was ik, met dank aan een overdosis niet opgemaakte vakantiedagen, negen weken onafgebroken op mijn schip. Marjolein kwam in de weekeinden op bezoek, af en toe kwamen er vrienden langs. Maar ik was ook vaak alleen. Dat beviel me uitstekend: hoe druk ik ook ben in mijn werk, ik kan als ik op de boot leef heel goed niks doen. Sterker nog: wat ik me voorneem te doen, stel ik ook nog uit. Kan morgen wel, denk ik dan. Ik check lang niet altijd het nieuws, ik taal amper naar m'n iPhone. Er is geen brievenbus die klettert. Het leven op de boot is enorm overzichtelijk. Er is geen overbodige luxe, alle spullen hebben hun functie, de enige vraag is wat voor weer het is, waar we heen zullen varen en of er voldoende water, diesel en Berenburg aan boord is. En in die kleine wereld komen ze, losgezongen van de waan van de dag, misschien nog wel het best tot z'n recht: de gedachten over wat er nog gaat komen en vooral de herinneringen aan alle mooie momenten die ik inmiddels heb beleefd.


De moeder van Frits Wester is drie dagen na het interview overleden.


Frits Wester

Frits Wester (29 maart 1962, Veenendaal) was al op jonge leeftijd politiek actief. Op zijn 16de was hij mede-oprichter van het CDJA Alkmaar. Later ging hij voor het CDA de landelijke politiek in, onder meer als persoonlijk voorlichter van fractievoorzitter Elco Brinkman. Een paar maanden voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 tekende hij een contract bij RTL en trad Wester in dienst van RTL Nieuws, waarvoor hij sindsdien als parlementair verslaggever werkt. Hij bracht met grote regelmaat primeurs. Zo onthult hij vrijwel elk jaar nog vóór de officiële presentatie tijdens Prinsjesdag feiten uit de Miljoenennota. Wester zet zich in voor de KNRM (Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij), is ambassadeur van de Stichting Hulphond en is in zijn vrije tijd een fervent zeiler. Hij woont met vrouw en kinderen in Voorburg.


Vijftigers

Wat zijn de zorgen en dilemma's van de (net-)vijftiger? Welke verwachtingen zijn er nog? Is een belangrijke carrièremove (nog) denkbaar? Wat betekent het dat de kinderen het huis uit zijn of dat ouders ziek zijn en komen te overlijden? Hoe wordt gedacht over het eigen onvermijdelijk naderende afscheid van het leven? Hoe richt je straks je laatste levensfase in? Cornald Maas, zelf net 50 geworden, interviewt in Over de helft mensen uit de generatie die nog volop in het leven staat, maar wel haast moet maken. De reeks is een vervolg op de serie Op de helft, waarvoor hij (net-)veertigers sprak.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden