'Wil meisje Oster niet op haar nagels bijten!'

ls kind beet ik nagels. Van mijn vader - de enkele keer dat ik hem zag - kreeg ik een kwartje voor iedere nagel die was aangegroeid. Zelf had hij de mooiste handen en nagels van de wereld. Ze glommen je tegemoet. Het zelfde gold voor zijn brillenglazen met daarachter plagerige ogen. Niemand geestiger dan hij. Ik lachte om al zijn grapjes, ook als ik ze niet begreep.

Andere volwassenen, zoals de pleegfamilie bij wie ik door de week was ondergebracht, dáchten dat ze leuk waren. Zodra ik het weer eens op een verwoestend kluiven zette, klonk het in koor: ' Lou-i-se- zit-níét-op-je-nágels-te-bijten! Báh-wat- vies-, Lou-i-se!'

Dit liedje, dat je in mijn jeugd vaak hoorde op de radio, werd op staccato wijze en met een Haags accent gezingzegd door Eddy Christiani, een beroemdheid uit die tijd.

Christiani woonde bij mijn moeder op de kade. Mijn vader had zijn tenten toen al elders opgeslagen. Maar in de provincie had ik, opgeslorpt door kinderbesognes, van deze verwijdering weinig weet. En, logerend bij mijn Amsterdamse moeder, speelde ik meestal op straat. Niet omdat ik een tomboy was, zoals sommige vrouwen zichzelf graag zien in retrospect - juist niet. Ik was een jongensgek en had mijn oog laten vallen op een straatjochie dat Reggie heette, een naam met veel stoutigheid in petto. Voor ik het wist, zat ik op zijn instigatie de ventieltjes van Christiani's autobanden los te draaien. Op dat moment stapte de zanger net zijn huis uit: 'Jammer, je hebt zulke aardige ouders', zei hij, Reggie negerend, en lachte daarbij een rij blikkerende tanden bloot. Dat viel op, want indertijd had bijna iedereen nog een zooitje ongeregeld in de mond. Eddy leek wel een filmster, ook vanwege dat spiegelgladde haar. Ik was op slag verliefd.

Maar mijn vader won het van iedereen. Soms namen hij en zijn nieuwe vrouw me mee op een uitje, zoals die keer in de zomervakantie naar dat grote buitenzwembad ergens in de buurt van Doorn. Nog hoor ik zijn stem over het water schallen.

Het echtpaar hield niet zo van zwemmen en zat keurig gekleed aan de kant te kijken en te klappen hoe ik van de lage duikplank sprong. Langszwemmend zag ik mijn stiefmoeder lachen. Mijn vader zei vast weer iets grappigs. Ze lachte vaker om hem dan mijn moeder, maar ja, ze kenden elkaar pas.

Opeens was hij van zijn plaats verdwenen. En even later hoorde ik die welluidende stem door de luidspreker die anders werd gebruikt voor vermiste kinderen: 'Wil meisje Oster niet op haar nagels bijten!'

Sinds kort heb ook ik paarlmoeren schelpjes. Bij mij om de hoek bevindt zich een Professional Nails Salon met een Vietnamese naam die, zoals valt te verwachten, begint met Kim.

De salon wordt gerund door een gevulde Vietnamees met zonnebril, die zo gecast zou kunnen worden voor een nachtclubhouder. De meisjes onder zijn hoede spreken na tien jaar nog steeds geen woord over de grens. Omdat ik graag bij iedereen in de smaak wil vallen, probeer ik tijdens de oersaaie behandeling - vijlen, handen in bakje met vocht, er weer uit, spulletje erop, hand tussen een soort broodrooster en deze handeling vele malen achter elkaar - een gesprek aan te knopen. Maar elke poging tot contact wordt in de kiem gesmoord door een ontwijkend lachje. Wel pingpongen de meisjes zinnetjes in hun taal over mijn hoofd. En altijd moet ik denken aan die Russische-roulettescène uit The Deer Hunter met Robert De Niro en Christopher Walken, omringd door Vietcongsoldaten. Schandelijke raciste die ik ben.

Snel geef ik zo'n ondoorgrondelijk poppetje dan een fooi: 2, 50 euro. Net als destijds mijn vader deed. Een kwartje per nagel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden