Wijffels grijpt diep in bij kalverhouderij

Als er één veeteeltsector is die getroffen wordt door de roep om minder 'gesleep' met dieren, dan is het de kalverhouderij....

Van onze verslaggever Peter de Graaf

De importkalveren zijn noodzakelijk voor de huidige capaciteit. Nederlandse koeien produceren simpelweg te weinig stierkalfjes om de mesterijen te vullen. Sinds de invoering van de melkquota doen de kalverhouders een fors beroep op het buitenland.

Door de voorgestelde beperking van dierentransport tot acht uur maximaal wordt een aantal invoermarkten effectief afgesloten. De sector houdt rekening met inkrimping, mede vanwege de strengere milieu- en dierenwelzijnseisen. Maar niemand durft de toekomst te voorspellen. 'Je hoort mij niet zeggen dat er straks geen kalveren uit Ierland meer zullen komen. Die beesten kunnen desnoods worden overgevlogen', zegt kalvermester P. van Rhee uit het Gelderse Uddel, tevens voorzitter van de vakgroep vleeskalverhouderij van LTO-Nederland.

Ook in het verleden zijn Ierse kalveren per vliegtuig naar Rotterdam vervoerd en daar op de wagen gezet. Het is duur transport, maar het behoort tot de mogelijkheden. Toch is Van Rhee realistisch genoeg om een sanering te voorzien. Op het ministerie van Landbouw circuleren scenario's waarbij 40 procent van de vleeskalverhouders en 30 procent van de capaciteit zullen verdwijnen. Vooral kleine verouderde bedrijven zouden het veld moeten ruimen. Zo'n inkrimping ontlast het milieu en maakt de sector ook minder afhankelijk van import.

De vleeskalverhouderij is één van de best georganiseerde takken in de veeteelt. Twee grote kalfsvleesproducerende concerns beheersen de markt: Van Drie Groep en Alpuro. Samen zijn ze goed voor bijna 90 procent van de productie. De bedrijven maken en leveren de melkpoeder, zijn feitelijk eigenaar van de kalfjes die op contract bij de mesterijen zijn gestald, slachten de beesten en verzorgen de uitvoer van het kalfsvlees.

Het is deze 'integrale ketenbeheersing' die minister Brinkhorst van Landbouw vorig jaar nog aanprees als voorbeeld voor de rest van de intensieve veehouderij. Onder zware maatschappelijke druk verdwijnen ook de kistkalveren in rap tempo uit de stallen.

'De kalversector is zijn tijd ver vooruit', meent hoofddirecteur A. Boeve van Alpuro. Maar ook hij voorspelt een inkrimping van de productie. De 'dierbewegingen' vormen momenteel de zwakste schakel, en niet alleen vanwege het welzijn der dieren. Ook de Franse consument zal niet langer accepteren dat het kalf op zijn bord uit Polen komt, misschien nog even in Duitsland is gestald, in Nederland is vetgemest en geslacht en vervolgens als kalfsoester naar Frankrijk is vervoerd. 'Die Fransman wil duidelijkheid op het etiket', aldus Boeve.

Volgens onderzoeker J. de Vlieger van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) kunnen kortere transporten ook leiden tot verschuiving van handelsstromen. Nederlandse mesterijen halen hun kalveren uit België, hun Belgische collega's uit Frankrijk en die weer uit Spanje. 'Als een gebied wordt afgegrendeld, kan dat een prijsopdrijvend effect hebben. Dan kan het voor Belgische boeren aantrekkelijk worden om hun kalveren aan Nederland te verkopen', aldus De Vlieger.

Boeve beaamt dat. Maar hij sluit tevens niet uit dat 'de productiecentra de grondstoffen opzoeken'. De mesterijen verplaatsen zich dan naar de kalveren in Ierland en Polen. De Ieren eten zelf weliswaar helemaal geen kalfsvlees (de Nederlandse consumptie bedraagt 10 procent van de productie). Maar waarom zou een Fransman geen Ierse kalfsoester kunnen eten? 'De Europese markten zullen zich stapsgewijs aanpassen aan de nieuwe spelregels', meent de Alpuro-directeur.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden