Wij pikken het niet

De vakbeweging demonstreert vandaag niet voor het eerst op het Museumplein in Amsterdam. Ook de Dam, de Coolsingel en het Malieveld waren ooit het toneel van massaal protest....

'Ik zal naar ze zwaaien', zo reageerde vice-premier en minister van FinanciZalm ruim een jaar geleden op het dreigement van FNV-voorzitter De Waal dat als het kabinet vasthield aan de bezuinigingen, het Malieveld wel weer eens vol kon stromen. Achter het sarcasme van Zalm, wiens ministerie uitkijkt over het Malieveld, gaat een pijnlijke waarheid schuil. Niet alleen bleef het Malieveld die herfst leeg, eerdere vakbondsacties tegen het regeringsbeleid eindigden nogal eens in pijnlijke nederlagen.

'In de Nederlandse verhoudingen heeft de vakbeweging pas macht als ze die niet hoeft te bewijzen', zo zei Wim van Gelder, in jaren tachtig beleidsmedewerker bij de Dienstenbond FNV en later lid van de Tweede Kamer voor PvdA, in 1991 ten tijde van de WAOcrisis. Nu de vakbeweging vandaag voor het eerst in jaren weer een poging doet om door massaal machtsvertoon invloed uit te oefenen op de politiek, zijn deze woorden opnieuw actueel. Is de aangekondigde protestmanifestatie op het Museumplein, een afsluiting van een kleine twee weken actievoeren in het hele land, een teken van kracht of van zwakte?

Stakingen, en zeker politieke stakingen, zijn in Nederland een zeldzaam verschijnsel gebleven en zelden succesvol. In omringende landen wordt eerder met verwondering dan met ontzag naar de Nederlandse vakbeweging gekeken. Dat een vakcentrale zich laat verleiden om mee te praten over loonmatiging en sanering van de verzorgingsstaat, is onbegrijpelijk in de ogen van Belgische of Duitse vakbondsleiders, voor wie stakingen het belangrijkste middel zijn om verbetering van de arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Over verslechteringen valt niet te praten. Toch is het juist aan de onderhandelingstafel dat de Nederlandse vakbeweging in het verleden de belangrijkste resultaten boekte. Waaraan kan worden toegevoegd dat vakbondsacties in andere landen in afnemende mate succesvol zijn. De neoliberale vloedgolf heeft ook elders in Europa veel sociale verworvenheden weggespoeld en oude machtsposities ondermijnd.

De onzichtbare invloed van de vakbeweging waar Van Gelder op doelde, is onlosmakelijk verbonden met de op corporatistische leest geschoeide wederopbouw na 1945. Resultaten werden niet geboekt op straat, maar tijdens het spel van geven en nemen in de Stichting van de Arbeid, de Sociaal-Economische Raad en in het overleg tussen sociale partners en regering. Tot in de jaren zestig gold, dat zolang de vakbeweging de lonen matigde, de overheid het hare deed om de economische groei en daarmee de werkgelegenheid te bevorderen. Als onderdeel van diezelfde ruil werd een begin gemaakt met de opbouw van de verzorgingsstaat in de gedaante van een reeks sociale wetten en voorzieningen, bij de uitvoering waarvan ook de vakbeweging werd betrokken.

Het hoogtepunt van de vakbondsmacht ligt in de jaren zeventig en valt ongeveer samen met de voltooiing van de verzorgingsstaat. De uitholling van haar macht loopt parallel met de sanering van diezelfde verzorgingsstaat. Het stilzwijgende verbond tussen de sociale partners en de overheid komt steeds meer onder druk te staan. Want het poldermodel werkt alleen als er wat te ruilen valt. Vanaf eind jaren zeventig is het vooral de vakbeweging die steeds meer moet inleveren, en er steeds minder voor terugkrijgt. In zo'n geval kan de vakbeweging haar macht alleen nog proberen te vestigen door middel van acties.

Zoals links haar stempel drukte op de jaren zeventig, zo stonden de jaren tachtig en negentig in het teken van de zegetocht van de vrije markt. De huidige acties tegen een verdere inkrimping van de verzorgingsstaat laten zien dat links het initiatief nog altijd niet heeft weten te heroveren. Het vormt ook de verklaring voor de verwijdering tussen de PvdA en de FNV, lange tijd beschouwd als 'natuurlijke' bondgenoten. Voor de sociaal-democratie was na het roemruchte kabinet-Den Uyl regeringsmacht alleen nog weggelegd als zij bereid was zich te voegen naar de tijdgeest, waarin de markt langzaam maar zeker steeds meer terrein veroverde op de staat en het individu op het collectief. De PvdA had voortaan rekening te houden met meerdere belangengroepen, waar de vakbeweging zich juist steeds meer schrap zette om de verworvenheden van haar, slinkende, traditionele achterban veilig te stellen.

De tragiek wil dat het uitgerekend Den Uyl zelf was die, als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet-Van Agt II, de vakbeweging in 1982 duidelijk moest maken dat ook aan bezuinigingen op de sociale zekerheid in dit geval de Ziektewet niet viel te ontkomen. Een even harde als pijnlijke botsing tussen de vakbeweging en de sociaal-democratische voorman was het gevolg. Den Uyl schrok er zelf niet in de laatste plaats van en keerde op zijn schreden terug. De ongelukkige coalitie tussen de antipoden Den Uyl en Van Agt maakte het niet lang meer. Van Agt probeerde het nog even alleen met D66, om eind 1982 definitief plaats te maken voor het eerste kabinet-Lubvoorstellen bers, ditmaal een coalitie van onversneden rechtse signatuur.

De vakbeweging had tegenover Den Uyl nog eenmaal haar macht gedemonstreerd, ook al zou dat wat betreft de bezuinigingen uitstel van executie zijn. De volgende grote slag met de regering zou zij jammerlijk verliezen. Inzet in 1983 waren de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel en werknemers die daarmee gelijk waren gesteld, de zogenoemde trendvolgers, en de uitkeringsgerechtigden. De boodschap van VVD-minister Koos Rietkerk (Binnenlandse Zaken) was hard maar duidelijk: om de bezuinigingsdoelstelling die het kabinet zichzelf had opgelegd te kunnen halen, konden ook de ambtenarensalarissen niet buiten schot blijven. Matiging alleen was niet meer voldoende, er viel niet te ontkomen aan loonsverlaging. Een nieuwe confrontatie kon niet uitblijven, een conflict dat de vakbondsacties in de daaraan voorafgaande jaren in de schaduw zou stelHet zaad voor dit conflict was goedbeschouwd nog gezaaid door het eerste kabinet-Van Agt, dat in 1978 besloot de ambtenarensalarissen niet meer in de pas te laten lopen met die in het bedrijfsleven. De protesten van de bonden bleven toen beperkt tot prikacties en een demonstratie door Den Haag van zo'n 70.000 ambtenaren en trendvolgers. Het zou het kabinet er niet van weerhouden het omstreden bezuinigingsplan Bestek '81 bij de Tweede Kamer in te dienen, die de

zonder veel problemen overnam.

De automatische prijscompensatie stond al langer onder druk en had in 1977, nog in het laatste jaar van het kabinet-Den Uyl, reeds tot een heftig conflict tussen vakbonden en werkgevers geleid. Tienduizenden werknemers legden gedurende drie weken in een reeks bedrijven het werk neer. Een dreigende loonmaatregel dreef vakbondsleden in 1980 opnieuw de straat op en zou aan Herman Bode, vice-voorzitter van de FNV de historische woorden ontlokken: 'Willen we naar de Dam, dan g we naar de Dam'.

Veel haalde het allemaal niet uit. De FNV zou de prijscompensatie alsnog opgeven en, in de geest van het Akkoord van Wassenaar (1982), kiezen voor werk boven inkomen. De ambtenarenbond AbvaKabo was hier in 1983 ook toe bereid, maar constateerde dat het kabinet dit met haar dictaat onmogelijk maakte. 'De AbvaKabo wil herverdeling van werk door middel van arbeidstijdverkorting in ruil voor de prijscompensatie.(. . .) Het kabinet heeft andere plannen: een loonsverlaging van 3,5 procent. Het wil uw hele prijscompensatie in ruil voor 2 procent korter werken en een gedeeltelijke herbezetting.(. . .) Onacceptabel!!'

Terwijl de ambtenarenbonden begin november vergeefs onderhandelden met Rietkerk, liep de spanning buiten de muren van zijn ministerie snel op. Voor echte onderhandelingen was trouwens weinig ruimte, zo stelden de bonden vast. Lubbers was bereid een half procent van de salariskorting af te halen, verder was het slikken of stikken. 'De arrogantie van de macht', zo oordeelde FNV-voorzitter Wim Kok. Lubbers 'regeerde als een dictator.'

De grootste ambtenarenstaking ooit, zou echter vooral verbonden blijven met de naam van AbvaKabo-voorzitter Jaap van de Scheur. Waar zijn medebestuurder en latere FNV-voorzitter Hans Pont de verpersoonlijking was van het harmoniemodel, voelde Van de Scheur zich pas voor het front van de troep in zijn element. Waar hij kwam klonk het 'Japie, Japie' en Van de Scheur kwam overal, want de acties breidden zich als een olievlek uit.

Voor het eerst maakte Nederland kennis met taferelen die men alleen uit zuidelijke landen kende: huisvuil dat niet meer werd opgehaald, post die zich ophoopte, trams en bussen die niet meer reden, bruggen die bleven openstaan, straatverlichting die uitbleef, agenten die de straat op gingen om te demonstreren in plaats van te verbaliseren. Het mocht niet baten. Terwijl het kabinet vasthield aan de korting van 3 procent, stapten steeds meer gedupeerde bedrijven naar de rechter. Staken mocht, zo oordeelde de president van de Haagse rechtbank mr. M.R. Wijnholt, 'maar na drie weken mag het niet meer.' De schade was daarvoor te groot geworden. Betrof dit vonnis alleen nog de poststaking, de acties zouden daarna snel verlopen om in het weekeinde van 3 en 4 december bijna overal te worden bedigd.

De bonden trokken zich op aan het feit dat niet het kabinet, maar de rechter de stakers op de kniehadden gekregen. 'We hebben wel gebogen, maar niet verloren', concludeerde Van de Scheur. Maar hoewel de acties het gevoel van eigenwaarde onder vuilnismannen, postbodes en buschauffeurs hadden vergroot en het publiek was voorgehouden dat een ambtenaar niet alleen die stereotype gezagsgetrouwe overheidsdienaar achter het loket is, komt de salariskorting ongeschonden door de Tweede Kamer.

De kater was groot en het zou vijf jaar duren voor de FNV onder een nieuwe voorzitter, Johan Stekelenburg, besloot opnieuw de sprong in het diepe te wagen. Ditmaal niet vanuit een defensieve houding, maar om, aan de vooravond van de Algemene Beschouwingen en de nieuwe CAO-onderhandelingen, duidelijk te maken waar de FNV vis. De manifestatie op het Museumplein in oktober 1988 trok 150.000 duizend mensen, meer dan de FNV had durven hopen.

Hoe goed dit ook voor het zelfvertrouwen van de vakbeweging was, een paar jaar later zou zij opnieuw worden geconfronteerd met haar feitelijke machtspositie. De 'WAO-crisis' van 1991 vertoonde enkele frappante parallellen met de botsing tussen vakbeweging en kabinet in 1982. Opnieuw ging het om een ingreep in de sociale zekerheid, dit keer de WAO. En opnieuw stond de vakbeweging tegenover een kabinet met de PvdA. De vice-premier en minister van Financiheette ditmaal Wim Kok, de man die in 1983 zijn premier nog een dictator had genoemd en in 1982 Den Uyl had gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn voorgenomen bezuiniging op de Ziektewet.

Het conflict maakte duidelijk dat de doelstelling van het sociale stelsel gaandeweg veranderde van een garantie voor een menswaardig bestaan in een prikkel om mensen aan het werk te krijgen. Tegenover de stelling van het kabinet dat het aantal WAO'ers de bestaande regeling onhoudbaar maakte, stond het verweer van de vakbeweging dat er geen kijk op was dat al die mensen nog aan het werk kwamen.

De overlegmachine die in de jaren vijftig en zestig zo soepel had gedraaid, haperde steeds meer. De verdeeldheid in de SER, waar eerst kroonleden en vakbeweging en vervolgens kroonleden en werkgevers probeerden tot een meerderheidsadvies te komen, kwam het kabinet niet slecht uit. Groot was ieders verbazing toen het kabinet besloot de SER zelfs rechts te passeren met een voorstel dat zowel de hoogte als de duur van de WAO-uitkering beperkte.

Niet alleen de FNV toonde zich geschokt over dit voorstel, ook in de PvdA zelf ontstond al snel een crisisachtige sfeer: dit kon nooit de bedoeling zijn. Dat was het volgens Kok wel, al toonde hij zich toen de protesten bleven aanzwellen bereid er de 'scherpste kantjes' af te vijlen. De geest was echter al uit de fles. Na Prinsjesdag begonnen estafetteacties die op 5 oktober uitmondden in een massale protestmanifestatie op het Haagse Malieveld. Uiteindelijk verzamelden zich binnen het gezichtsveld van Koks ministerie een kwart miljoen mensen. Kok was er de man niet naar om te zwaaien, wel om het been stijf te houden. Later zou tijdens de CAO-onderhandelingen de schade door de ingreep goeddeels worden 'gerepareerd'.

Op het eerste gezicht lijkt de ramkoers van het huidige kabinet op een definitieve breuk met het overlegmodel. Dan volstaat het de woorden van wijlen Jaap van de Scheur van twintig jaar geleden in herinnering te roepen. 'Wij streden tegen een regering die zonder visie en zonder argumenten eenzijdige offers vroeg, nee oplegde (. . .) Het kabinet stuurde door zijn machtsstreven aan op een harde confrontatie. En die heeft het gekregen.'

Waarna iedereen de weg naar de onderhandelingstafel weer terugvond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden