'Wij mikken op de Mariëttes'

Nooit meer het fietstochtje Leiden-Den Haag, en terug. Directeur Anton Korteweg neemt na dertig jaar afscheid van het Letterkundig Museum....

De laatste weken dat hij in functie is als directeur, zit Anton Korteweg tussen de verhuisdozen in. Nadat hij het bezoek de ontruimde expositievloer beneden heeft getoond, waar na een grondige verbouwing de nieuwe indeling zal prijken – een tweemaal zo groot Kinderboekenmuseum, en het Pantheon, met manuscripten, portretten en audiovisueel materiaal van en over honderd dode Nederlandstalige schrijvers –, moet hij even zoeken naar het achterafkamertje waar hij nog tot 1 januari zit. ‘Ik heb de garantie dat ik uitgenodigd word voor de opening over een jaar’, merkt hij droogjes op.

Het Pantheon wordt zijn verlate visitekaartje. ‘Toen ik tweeënzestig was, had ik met pensioen kunnen gaan. Ik wilde blijven, maar alleen als ik dan nog iets bijzonders kon verrichten, want ik had geen zin om die laatste drie jaar op de winkel te passen. Het probleem met de laatste permanente tentoonstelling Gaan waar de woorden gaan (sinds 1997– met 150 schrijvers vanaf 1750) was dat wij er hier zelf wel enthousiast over waren, maar er kwam gewoon bijna niemand. Drie-, vierduizend man, terwijl het alles bij elkaar een miljoen heeft gekost.

‘Het Kinderboekenmuseum ontvangt jaarlijks dertigduizend bezoekers, maar die bleven bij de permanente expositie uit. Een drastische verandering was gewenst. Aanhakend bij de heersende canon-gedachte wilde ik een plek maken waar we honderd schrijvers uit het hele taalgebied – Vlaanderen komt erbij, dus ook Gezelle, Boon en Claus – en uit de hele geschiedenis vanaf de Middeleeuwen presenteren. ‘Waarom hebben jullie die oude literatuur hier niet’, heeft Harry Mulisch ooit tegen me gezegd. Welaan, dat gaan we nu ook doen.

‘Een deftige commissie heeft cultureel zitten kwartetten, en die kwam met die honderd namen. Niet alleen de bellettrie, maar ook Toonder en Bomans, cultuurdragers als Spinoza en Erasmus, en de eminente briefschrijver Vincent van Gogh. Dan krijg je natuurlijk ook weer klachten, zoals bij elke selectie, en ik vind het zelf óók jammer dat een groot dichter als J.A. Dèr Mouw er niet bij zit. Het is mijn eigen canon niet. Maar kijk, als ik in mijn eentje die lijst had opgesteld, had ik weer de klacht gekregen: zeg, waarom heb je geen commissie ingesteld?

‘Sinds vorig jaar heb ik Wolkers en Claus er nog bij gesmokkeld. Mensen roepen dan: krijg je nou niet een probleem als Mulisch overlijdt? Maar die beweert altijd stellig dat hij honderdzestig jaar wordt, dus ik hou hem aan zijn woord. Er zullen natuurlijk belangrijke schrijvers overlijden – kiesheidshalve noem ik geen namen –, en dat Pantheon is met honderd namen vol, derhalve zullen die toekomstige doden een aantal jaren de wachtkamer in moeten.

‘In het Pantheon komen filmpjes van drie tot vijf minuten, waarin de belangrijkste kenmerken van die honderd verkozen namen, van Cats tot Claus, aan de orde komen. We laten handschriften zien, besteden aandacht aan een geruchtmakend evenement als het Ezeltjes-proces van Gerard Reve of de verbanning van Spinoza, tonen objecten en portretten. Topstukken als de manuscripten van de Mei van Gorter of Mystiek lichaam van Kellendonk.’

Maar wie is die gedroomde bezoeker, die zomaar iets van Cats of Bloem wil weten? Korteweg: ‘Wij mikken niet op het onderwijs. Klinkt lullig, maar daar red je het niet mee. Die fase heb ik achter me gelaten. Anders komen alleen leerlingen van Gymnasium Haganum hier in de stad, en opvallend genoeg ook die van christelijke scholen uit Gouda of de Veluwe, verder niet. Wij mikken op de Mariëttes.’

Is dat een Haagse term? ‘Nee, die Mariëttes hebben wij zelf bedacht. Nadat er onderzoek naar is verricht. Dat is de primaire doelgroep voor wie we het doen. Mariëttes, dat zijn oudere, goed opgeleide mevrouwen, die tijd en geld hebben, in leeskringen zitten en die hun algemene ontwikkeling willen bijspijkeren.’

Zouden die spontaan komen? Nederlanders zijn niet verzot op manuscripten. We ontberen het vermogen tot het bewonderen van schrijvers. Toen Korteweg het typoscript van De Avonden verwierf, haalde dat alle kranten en de televisie – maar wie kwam er vervolgens naar kijken? ‘Veertig man, hooguit. Dus ik denk nu: als het óók niet lukt met dat Pantheon, ja dan ziet het er somber uit. Het zou toch moeten kunnen, dat mensen die in een De Génestetlaan wonen, ook eens willen komen kijken wie dat nu is geweest.’

Waarna de meester van de relativering, die Korteweg zich ook als dichter betoont, het geruisloos overneemt. ‘Wij laten alleen afgeleide dingen zien. Als mensen al lezen, kun je denken, waarom zouden ze dan ook naar een Letterkundig Museum moeten? Literatuur is een immaterieel iets – de geest. Voor Het meisje met de parel van Vermeer moet je het echte ding in het Mauritshuis gaan zien. Maar het echte literaire ding is niet het handschrift of een brief, laat staan het roze carnavalskostuum van Couperus – dat zijn ten hoogste verwijzingen naar waar het om gaat; de teksten.’

Eeuwig heimwee drijft hem voort, dichtte Korteweg ooit. Komt daar zo dadelijk nog iets bij? ‘Daar ben ik goddank te oppervlakkig voor.’ Is dat waar? Mensen die werkelijk oppervlakkig zijn, zeggen dat niet van zichzelf. ‘Dat zou nog kunnen. Maar hoewel ik op een dag als vandaag liever in bed blijf liggen, ben ik toch om vijf voor zeven opgestaan.’

Dertig jaar fietste hij tussen zijn woonplaats Leiden en Den Haag. ‘Het is namelijk hoogst vervelend om ’s morgens in een volle trein te zitten. Je loopt de kans dat mensen vrolijk tegen je aan beginnen te kwekken. Heb ik niet graag. Dat uurtje alleen fietsen is de buffer, misschien is het daardoor zo verslavend.’ In zijn gedicht ‘Leiden-Den Haag’, opgenomen in de Korteweg-bloemlezing Comfortabel ongelukkig (1999), staat: ‘buiten adem in Den Haag, een uur of negen,/ wist ik dat niet alleen de liefde ons niet past,/ maar zelfs, bij uitbreiding, het hele leven./ Stalde mijn fiets. Kon er weer even tegen.’

‘Precies. Door je benen fietsend te bewegen, breng je een baggermolentje op gang. Het werkt gedachten naar boven. Ik onthoud dan de eerste woorden van aldus opwellende regels. In de trein heb ik dat niet. Als gepensioneerde zal ik dus blijven fietsen, alleen al om te kunnen dichten. Die regels komen ook op doordat je onderweg dingen ziet. Meestal fiets ik langs de Rijksstraatweg, dan heb je twee tunneltjes – eerst eentje bij het oude Dierenpark Wassenaar, en daarna eentje aan het begin van het Haagse Bos. Op het eerste tunneltje zag ik een keer ‘Astrid I love you’ gekalkt staan, en op het volgende ‘Astrid skelethoer’. Ontzettend leuk, om dat te zien. Gaat dat zo snel, denk ik dan. Binnen een kwartier gaat een hele geschiedenis aan je voorbij. Zoiets noteer ik dan vlug, als ik op mijn werkplek kom, en daar maak ik dan een gedichtje over.’

In de eigen tijd. Beslist: ‘Zeker! Dit is een drukke baan.’ Het dichterlijk oeuvre is niet onder werktijd geschapen, laat dat duidelijk zijn.

Welk ritueel komt nog meer ten einde, naast het fietsen – is er bijvoorbeeld een vaste begroeting van een portret uit de immense collectie? ‘Ja, als ik uit mijn werkkamer kom, kijk ik altijd even naar het prachtige portret door Hans Bayens van de uitgever-schrijver Geert van Oorschot.’ Maar het weinig florissante uitzicht, daar is hij nooit dol op geweest. Uit ‘In den vreemde’: ‘en uit mijn kamer zie ik trams banaal/ hun lussen draaien naar Den Haag Centraal.’

In de Cicero-rubriek ‘Het Kwintet’ noemde Korteweg op 3 oktober zijn favoriete teksten: de Psalmen en Gezangen voor den eeredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk, Prediker, Rümke’s Levenstijdperken van de man, maar ook Hermans’ Nooit meer slapen en Nootebooms Philip en de anderen. Hij lacht. ‘Daar heb ik mee gedweept, toen ik jong was. Een liftende jongen die een onbereikbaar meisje gaat zoeken, dat wil je zelf ook wel zijn als je achttien bent. Ik heb er altijd een zwak voor gehouden. En Prediker ja – als agnost geworden tiep moest ik lang geleden, toen ik les gaf aan een christelijke school, met de Bijbel beginnen. Toen las ik eindeloos Prediker met mijn leerlingen, ze meteen opzadelend met nogal sombere waarheden en twijfels. Maar ik kon dat tenminste authentiek voordragen.’

Dat was wennen, toen in 1979 de 35-jarige neerlandicus Korteweg hoofdconservator van het Letterkundig Museum werd, nadat de eerste directeur en bohémien Gerrit Borgers afzwaaide. Die stond bekend om zijn hoge taxi- en restaurantdeclaraties. Andere koek dan de fietsende dichter van Niks geen Romantic Agony (1971), die wanneer een personeelslid zich ziek meldde, meteen informeerde naar de verwachte datum van genezing. ‘Maar voor een schrikbewind ben ik te aardig. Ik vind alleen dat je acht uur per dag moet werken. En niet dichten.’

Tot de verplichtingen hoort ook het bijwonen van begrafenissen en crematies van ontslapen schrijvers, in de stille hoop op het verwerven van nalatenschappen. Korteweg wrijft zich bijna in de handen. ‘O, maar dat vind ik op zich heel leuk werk, hoor!’ Ziet hij het soms als een uitje? ‘Nou nee, maar je krijgt een relativerende omgang met de dood, als je iedere maand een begrafenis hebt.’ In ‘Crematorium’ dichtte hij: ‘Bedenk bij onweerstaanbaar opkomend verdriet:/ Die hebben ze– mij hebben ze nog niet.’

Korteweg: ‘Je vindt het altijd wel érg, maar je gaat er toch anders naar toe dan wanneer het een dierbaar familielid betreft. En ik moet met mensen van wie ik wat mag verwachten, goede vrienden blijven. Je kijkt er dus niet naar uit, maar aan begrafenissen ga je wel wennen. Ik heb er een paar honderd meegemaakt. Dit jaar Jan Eijkelboom, Willem Brakman, Hugo Claus, Kees Fens, J.J. Voskuil.’

De nalatenschappen van bekende schrijvers worden met voorrang ontsloten, met het oog op toekomstige onderzoekers en biografen. Maar de meeste kubieke meters in de catacomben van het Letterkundig Museum worden in beslag genomen door de papieren van literatoren naar wie niemand nog omkijkt.

‘Dat is waar. Maar dit is het archief voor de héle Nederlandse literatuur. Een uitgever van streekromans belde me in 1999, toen Leni Saris was overleden, auteur van zogeheten gezellige boeken voor oudere meisjes. Daardoor verkreeg ik de nalatenschap met daarin een kleurenfotoportret van Leni, op linnen, met zo’n eikenhouten lijst erom, met van die draadnagels erin. Prachtig! Als zoiets binnenkomt, wordt het hier bewaard. Er moet een plaats zijn waar alles overblijft.’

Korteweg gaat in de vrijgekomen tijd werk maken van zijn dissertatie, die zal handelen over het satirische negentiende-eeuwse studententijdschrift Braga. Verder geducht fietsen en dichten. Over een jaar kijken of het Pantheon klaar is, en zijn opvolger Aad Meinderts de hand schudden. Over wat er overblijft, maakt hij zich geen illusies, uiteraard. Dat heeft Prediker deze praesenex (Rümke) wel geleerd.

In ‘Weggaan’ formuleerde hij het zo, met een knipoog naar een beroemd gedicht van Rutger Kopland: ‘Als een auto die lang in de regen gestaan heeft/ optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter/ een plek die zich van de rest van de straat/ onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is/ en niet afzonderlijk meer bestaat.// Dat is wat blijft als je weggaat.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden