Wij laten ons niet opheffen

Een vervolgopleiding voor 'buitengewoon begaafde' studenten, zo was de zogeheten tweede fase bedoeld, die in 1995 op een aantal uitverkoren beeldende-kunstacademies begon....

'DE LUCHT WAS vol van verwachtingen', herinnert zich Jos Houweling, hoofd van de afdeling Autonome Kunst aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ruim drie jaar geleden kwamen directeuren en docenten van de Nederlandse kunstacademies op verzoek van het ministerie van OCW naar Groningen voor een 'introductiebijeenkomst' over de tweede-faseopleidingen - de voortgezette, 'postdoctorale' opleidingen voor buitengewoon begaafde kunststudenten, die in september 1995 moesten beginnen.

In zijn kantoortje in het Sandberg Instituut, de tweede fase van de Rietveld Academie, weet Houweling nog: 'We kregen carte blanche. Het ministerie zei letterlijk: We gaan u niet lastig vallen met allerlei regelgeving. U krijgt de vrije hand om het vervolgonderwijs zo goed mogelijk in te richten. En ik dacht oprecht: wat leuk, nu gaan we doen wat in de rest van Europa ook gebeurt: een Master of Arts-opleiding voor kunstenaars organiseren.' De belofte van OCW aan de prille tweede-faseopleidingen was: experimenteer eerst eens vier jaar, dán kijken we verder.

Dat 'verder kijken' begon echter niet na vier jaar, zoals beloofd, maar al een jaar na de oprichting van de tweede fases, nog voordat de eerste lichting studenten was afgestudeerd. In oktober 1996 vertelde Aad Nuis, de toenmalige staatssecretaris van OCW, de Tweede Kamer dat hij het hele kunstonderwijs, inclusief de tweede fase, wilde reorganiseren en de studentenaantallen beperken.

Het kunstonderwijs zou niet aansluiten op de beroepspraktijk, was de belangrijkste klacht. Er waren te veel werkloze kunstenaars (al wist niemand precies hóeveel). Het onderscheid tussen eerste en tweede fase zou niet duidelijk genoeg zijn. Bovendien, zo zei Nuis, wilde hij tot het jaar 2001 25 miljoen gulden bezuinigen.

De klus mocht opgeknapt worden door de hier speciaal voor opgerichte 'Projectorganisatie Kunstvakonderwijs' (POKO). In opdracht van OCW moet de POKO, onder leiding van ex-directeur Kunsten van OCW Stevijn van Heusden, het hele kunstonderwijs financieel, inhoudelijk en bestuurlijk doorlichten. Zodat in mei 1999 een blinkend nieuw 'kwaliteitsstelsel' aan staatssecretaris Van de Ploeg gepresenteerd kan worden.

De plannenmakerij heeft inmiddels tot grote onrust geleid op de kunstacademies en met name bij de als experiment opgezette, en dus kwetsbare, tweede-faseopleidingen. Dat blijkt uit een rondgang langs de kunstacademies in Groningen, Breda, Enschede, Amsterdam, Arnhem en Rotterdam. Men houdt serieus rekening met opheffing of inkrimping van tweede-fasefaciliteiten. Noodscenario's en alternatieven liggen op sommige academies al klaar.

'Ik schat de kans dat wij weggesaneerd worden, negentig procent', zegt Ad van Rosmalen, coördinator van de vervolgopleiding Vrije Kunst aan de St. Joostacademie in Breda bijvoorbeeld. En Jos Houweling - 'wij laten ons niet opheffen' - heeft al een alternatief onderwijsprogramma 'op maat' bedacht dat de dichterlijke titel Rugzak met vleugels draagt.

Wat ging er mis, wat gaat er goed op de Nederlandse HBO-opleidingen voor 'toptalent'? En waarom waren de eerste jaren 'zo taai', zoals Anton van Gemert, coördinator van de tweede fase Autonoom aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, beweert?

Van Heusden schenkt koffie in een ruim kantoor aan een van de mooiste grachtjes van Utrecht. 'Natuurlijk is het raar', zegt hij, 'dat de tweede fase nu alweer ter discussie wordt gesteld. En tja, als je mij vraagt naar de consistentie in het beleid, dan zie ik die evenmin.'

De politiek heeft bij de invoering 'geen enkel inhoudelijk oordeel' gehad over de tweede fase, vindt Van Heusden. Geen wonder dat daar nu om wordt gevraagd. De oprichting van de tweede fases had alles te maken met de verkorting van de HBO-opleidingen van vijf naar vier jaar. Van Heusden: 'Puur pragmatisch dus. De tweede fases zijn bedacht als lijmmiddel, als doekje voor het bloeden. Overhaast, onder druk van bezuinigingen, en met sterke lobby's vanuit de provincies.'

'Het begin van de tweede fase verliep volstrekt chaotisch', herinnert ook Peter Godefrooij zich, directeur van de faculteit beeldende kunst aan de Hogeschool voor de Kunsten Arnhem. 'De commissies die de vervolgopleidingen moesten toewijzen, deden een slag in de lucht.'

In 1992 adviseerde een commissie onder leiding van Jankarel Gevers van de Universiteit van Amsterdam dat er vier tweede-faseopleidingen Autonome Beeldende Kunst in Nederland moesten komen: aan de Rietveld Academie in Amsterdam, de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, de Hogeschool voor de Kunsten Arnhem en de AKI in Enschede. Daarnaast verschenen voortgezette opleidingen toegepaste kunst in Breda, Arnhem, Eindhoven, Groningen, Amsterdam en Rotterdam. Dit jaar studeren er aan al die opleidingen ruim 250 studenten.

Die regionale spreiding was een 'bijzonder tactische oplossing', zegt Maarten Binnendijk, directielid van de AKI. De opleidingen waren politiek correct over de kaart van Nederland verdeeld. Zeker nadat, ten gevolge van stevig lobbywerk, ook nog Academie Minerva in Groningen en Sint Joost in Breda als 'officieuze' studies werden aangewezen. Zo kwamen er zestien 'topopleidingen', die wat de autonome kunst betreft ook nog moesten concurreren met gerenommeerde instituten als Ateliers '63 en de Rijksakademie. Pas nu wordt openlijk betwijfeld of er wel genoeg talent voor al deze opleidingen is.

Wie de trein neemt van Groningen naar Enschede naar Breda en verder, ziet snel dat het 'verzin-maar-wat-beleid' van het ministerie effect heeft gehad. Geen opleiding is hetzelfde. Ja, van de buitenkant misschien. Ze duren allemaal maximaal twee jaar en staan open voor studenten van elders, ook uit het buitenland. Bij de meeste hebben de kunstenaars een eigen atelier en komen regelmatig gerenommeerde gastdocenten op bezoek. Maar dat zegt weinig over karakter en inhoud.

Naar buiten!, roept het Sandberg Instituut tegen de jonge kunstenaar. Laat jezelf zien! Het Sandberg, gevestigd in een voormalige drukkerij op een industrieterrein in Amsterdam-West, heeft een eigen tijdschrift, televisieprogramma, expositieruimten en zelfs een jaarlijkse kunstmanifestatie: Niet de Kunstvlaai. In een paar jaar heeft het instituut naam gemaakt: dit jaar meldden zich 120 enthousiastelingen aan voor 20 plaatsen.

Zoals student Dylan Graham zegt: 'Het is een keurmerk geworden. Als ik zeg: 'Ik ben Dylan', kom ik nergens binnen. Zeg ik: 'Ik kom van het Sandberg', dan heb ik een voet tussen de deur.'

Jos Houweling ziet zijn opleiding als een 'soort begeleid kamerwonen'. De studenten bivakkeren, vaak met zijn tweeën, in eenvoudige lokalen of geïmproviseerde ruimten die van elkaar gescheiden zijn door witte schotten. Er komen uitsluitend gastdocenten langs, op afspraak. Geen betutteling van leraren meer, geen ingesleten patronen. Het gebouw is altijd open, de jeugdhonk-achtige kantine met hippe harde muziek serveert broodjes tot tien uur 's avonds en vakanties zijn er niet. De student kan gebruik maken van computer, video, fax en telefoon, maar moet het verder zelf uitzoeken. Naar buiten dus.

Hoe verschillend is de sfeer in Enschede. Beschermender, meer naar binnen gekeerd. Sommige studenten komen amper de campus af, vertellen ze. De AKI is sinds een jaar gevestigd in een licht, fabriekshalachtig gebouw op het terrein van de Universiteit van Twente. De tweede fase heeft er een eigen afdeling. Krappe studio's aan lange gangen; wie de deur dicht doet is er alleen met de kunst. Van de studenten hoor je niets dan enthousiasme. Ze roemen hun vrijheid en het 'inspirerende' contact met internationale studenten en docenten - die 'je hier eindelijk serieus nemen'. En ze kunnen zo lang ze willen broeden in hun atelier, zonder de 'druk van een galerie op de stoep'.

Toch vindt directielid Maarten Binnendijk de opleiding nog niet 'helemaal uit de verf gekomen'. 'We zijn nog zoekende, en ik vrees dat de toekomst nu weer helemaal open ligt. Het is schandalig zo weinig tijd als ons door het ministerie gegund is.'

Tijdelijk hoofd Emo Verkerk heeft soms zo zijn eigen twijfels. 'Ik vind dat wij er nog niet voldoende in slagen een theoretisch kader te scheppen, het gebrek aan kunsthistorisch benul bij de studenten te verhelpen. Terwijl in deze tijd inzicht in de vraag wat kunst is, minstens zo belangrijk is als talent.'

Dat is precies de reden waarom Groningen de zaken weer heel anders aanpakt. Onder regie van theoriedocent Katalin Herzog is aan de niet-officiële vervolgopleiding schilderkunst een strak onderwijsprogramma opgesteld voor de studenten. De zeven studenten schilderkunst die jaarlijks een ateliertje betrekken in de verbouwde MAVO aan het Noorderplantsoen, volgen verplichte colleges aan het kunsthistorisch instituut, moeten papers schrijven, wekelijks groepsgesprekken over hun werk voeren, en een thesis maken ter afronding van hun studie.

In haar werkkamer aan de universiteit benadrukt Herzog: 'Het is een achterhaald idee dat je kunstenaars met rust moet laten en dat ze dan wel rijpen als appels aan de boom. Hier zitten 'kandidaat-kunstenaars' op school, en dus moeten ze willen leren.'

Herzog oordeelt al even streng over de tweede fases: 'Ik ben een voorstander van kleinschalig vervolgonderwijs voor een paar getalenteerde, jonge kunstenaars. Maar er zijn nu te veel tweede fases, die niets nieuws bieden', zegt zij. 'Daarom is het goed dat Van Heusden dat onderzoek doet. Van mij mogen wel meer darwiniaanse overlevingsprincipes in het kunstonderwijs worden gehanteerd.'

Ook Ad van Rosmalen, de coördinator Vrije Kunst aan de Post-St. Joost in Breda, denkt dat er te veel tweede fases zijn. De problemen waar hij mee te maken heeft, sinds hij half september werd aangesteld als coördinator, zijn groot. Aan de afdeling Vrije Kunst, merkte hij, bestond geen leerplan, geen onderwijscurriculum. Zelfs de coördinatoren ontbraken lange tijd.

V AN ROSMALEN vindt het 'verbazingwekkend' hoe experimenteel de opleiding in september 1995 begon. 'In het eerste jaar meldden zich twaalf studenten aan. Maar binnen de kunstacademie kregen zij geen enkele steun. Pas later werd een plek gerealiseerd waar gewerkt kon worden - in een oude kapel, van een tot Hogeschool West-Brabant omgebouwd seminarium aan de rand van de stad.'

Van de twaalf 'eerste' eerstejaars autonome kunst, liep bijna iedereen weg. En nog steeds is het moeilijk de kapel, waar ruimte is voor tien 'topgetalenteerden', te vullen. In september van dit jaar maakte de academie wat dat betreft de ergste crisis mee: er studeerde maar één student Vrije Kunst af.

Martijn Verhoeven zat in z'n eentje in die grote kapel. 'Heel plezierig', vond hij dat, al moest hij in het eerste jaar z'n materialen bij de eerste fase weghalen. 'Het bespreken van mijn werk met andere studenten vond ik toch het minst interessante onderdeel van het onderwijs', zegt hij. 'Ik wilde me vooral in mijn eigen werk verdiepen.'

Volgens Van Rosmalen moet de toekomst op de St. Joost er nooit meer 'zo ernstig' uit gaan zien. Hij heeft een lesprogramma ontwikkeld, met een nadruk op leren tentoonstellen en práten over je werk. Ook is hij actief studenten aan het werven. Want zonder dat, komt de kapel niet vol.

Bijna alle tweede fase opleidingen in de provincie hebben moeite goede studenten te vinden. De AKI noteerde dit jaar maar 35 aanmeldingen, terwijl er in principe plaats is voor 36. Dat aantal is bij gebrek aan talent overigens nooit gehaald; er studeren nu 26 kunstenaars. En in Groningen zegt Margo Slomp, van de tweede-faseopleidingen Media-GN en Schilderkunst: 'Het aanbod is niet groot genoeg. Wij moeten elk jaar intensief nieuw talent scouten, op eindexamenpresentaties en tentoonstellingen.' Haar ervaring is dat de energie die dat kost 'in geen verhouding staat tot het rendement'.

Misschien niet gek. Tegen de tijd dat een student toe is aan de tweede fase, is hij vaak al door zijn studiefinanciering heen. Maar beurzen zijn er alleen voor studenten van de Rijksakademie, Ateliers '63 en de Jan van Eyck. Deze werkplaatsen bieden bovendien meer aanzien in de kunstwereld, en hebben een groter budget.

Peter Godefrooij van de vervolgopleiding in Arnhem: 'Je kunt zonder meer spreken van valse concurrentie. Op de Jan van Eyck laten ze een docent uit Amerika overkomen voor één student. Daar kunnen wij niet tegenop.'

Als het aan Van Heusden ligt, wordt ook dit probleem aangepakt. Alles moet anders; zijn voornemens zijn ambitieus en rigoureus. Hij wil terug naar een 'volwaardige eerste fase' die aansluit op de beroepspraktijk. De tweede fase mag geen 'lijmmiddel' meer zijn voor een gebrekkige eerste fase, maar moet weer exclusief worden: een voorziening voor het echte talent, voor na-of bijscholing, of voor beroepen die niet in vier jaar te leren zijn, zoals choreograaf of uitvoerend musicus. 'De kwaliteit wordt nu door het grote aanbod verdund.'

Van Heusden sluit niet uit dat een aantal tweede fase-opleidingen opgeheven wordt. Ook kan hij zich voorstellen dat de eerste fase weer verlengd wordt: 'Als het alleen kan in vierenhalf jaar, dan moet het in vierenhalf jaar.'

Waarmee de hele discussie van begin jaren negentig niet dun, maar dik wordt overgedaan, erkent hij. Met dit verschil dat het projectbureau nu ook naar de inhoud kijkt, en probeert 'toetsbare criteria' vast te stellen waaraan de opleidingen moeten voldoen. Daarvoor wordt teruggegaan naar af. Werkgroepen breken zich het hoofd over vragen als: wat is een beeldend kunstenaar? En wat moet hij kunnen als hij van school komt?

Vreemd misschien dat die vragen nu pas aan de orde komen. Maar volgens Van Heusden niet overbodig. 'In het kunstonderwijs leven nog veel ideeën uit de jaren zeventig. Dat ieder mens creatief is bijvoorbeeld. Maar de samenleving is razendsnel veranderd. Wie voor een carrière als kunstenaar kiest, moet weten dat zijn pad niet over rozen gaat. En dus moeten de eisen die je aan het kunstonderwijs stelt heel hoog zijn.'

Op de Academie Minerva in Groningen vindt van 13 tot en met 15 november een symposium over de kunstacademie van de 21ste eeuw plaats, met onder anderen staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg, Peter Sellars en Ritsaert ten Cate.

In de Korte Minderbroederstraat 11-17 in Utrecht stellen dit weekeinde 22 kunstenaars van verschillende tweede fase-opleidingen hun werk tentoon.

De studenten van de Design Academy in Eindhoven exposeren dit weekeinde in de Amsterdamse Beurs van Berlage.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden