Wie wordt landskampioen van de literatuur 1995?

Voor de Libris-prijs zijn uit een enorme waslijst zes boeken gekozen, die volgens de jury de beste waren van het afgelopen jaar....

Vanavond maakt de voorzitter van de jury, de commissaris van de koningin in Noord-Holland, J. van Kemenade, bekend welke schrijver in 1995 landskampioen is geworden. Op de tv, - wat ons dank zij Maartje van Weegen weer een antwoord zal verschaffen op de prangende vraag wat de winnaar met de honderdduizend gulden die aan de prijs verbonden is, gaat doen.

Literatuur als competitie.

Je kunt daar achteloos aan voorbijgaan, je kunt ook aanvaarden dat veel mensen, ondanks alle nationale en internationale boekenbijlagen die wekelijks verschijnen, niet erg op de hoogte zijn van wat er aan schatten in de boekwinkel ligt, of - anders gezegd - door de bomen het bos niet meer zien en dientengevolge het lezen maar laten. Wat dat betreft speelde de Utrechtse historicus Maarten van Rossum - die steeds meer op kapitein Haddock gaat lijken - een opvallende rol in het literaire kwartet van Michaël Zeeman. In dit VPRO-programma werd maandagavond ik mag wel zeggen bevlogen, zo niet omgeremd gedebatteerd over de zes genomineerde boeken.

Heel aanstekelijk.

Het beste was, zei Van Rossum, De opdracht en dat was ik volmondig met hem eens, maar voordat hij zo ver was had hij nog iets anders gezegd. Hij zei: Als ik dit boek niet voor dit programma had moeten lezen, dan zou ik er vermoedelijk nooit aan begonnen zijn. En àls ik eraan begonnen was, dan had ik het waarschijnlijk niet uitgelezen. Maar omdat hij mòest, zei Van Rossum, was hij doorgegaan en werd hij gaandeweg diep geraakt door dit obsederende, en in een bepaald opzicht, verontrustende boek.

Het is een ervaring die menige oudere lezer zal herkennen. Soms doet enige dwang je de mooiste dingen ontdekken. Als de toekenning van de Libris-prijs aan Wessel te Gussinklo degenen die altijd wel iets anders te doen hebben, ertoe kan brengen De opdracht te lezen, dan is de Libris-prijs zijn gewicht in geld ten volle waard.

Maar wint Te Gussinklo?

In NRC-Handelsblad sloot Reinjan Mulder die mogelijk al bij voorbaat uit, omdat er in zijn ogen sprake was van 'een typische Querido-jury' (met haar 'Querido-huisauteurs' Tom van Deel en Inez van Dullemen). Het boek van Te Gussinklo verscheen bij Meulenhoff. Zo'n jury, betoogde Mulder in een pagina-grote beschouwing die meer weg had van een requisitoir - Mulder is jurist - dan van een literaire evaluatie, moest 'de eigen auteurs' wel voortrekken. Het zat Mulder dwars dat van een relatief kleine uitgever als Querido vier boeken waren genomineerd.

Wat hij daarmee wilde aantonen, behalve dat Tom van Deel en Inez van Dullemen de andere jury-leden, de Utrechtse hoogleraar Wiljan van den Akker en de Vlaamse scribent Marc Reynebeau, krachtig onder de duim hebben weten te houden, werd niet helemaal duidelijk. Te minder toen uit Mulders eigen voorkeurslijstje bleek dat hij óók een Querido-auteur, Oscar van den Boogaard, als de beste beschouwde, al hield hij een slag om de arm door Van den Boogaard, oorspronkelijk iemand uit het fonds van Johan Polak, een Fremdkörper bij Querido te noemen.

Het is de verkeerde keus, literair gezien, maar dat doet er nu niet toe. Belangrijker is dat er dit jaar een jury aan het werk is geweest die zeer nadrukkelijk literaire maatstaven heeft laten gelden, en in dat opzicht heeft Mulder wel een beetje gelijk: het zijn criteria die ook op het nog steeds kwalitatief hoogwaardige Querido-fonds van toepassing zijn. Daar worden nogal wat boeken gepubliceerd, die misschien door het ontbreken van 'straatrumoer' zelden een groot publiek bereiken, met A. F. Th. van der Heijden als uitzondering, en één keer een uitschieter van J. Bernlef (Hersenschimmen).

Zo'n neerlandistiek fonds, met veel gevoel voor traditie, past niet erg bij het gedonderjaag van een prijs die het vooral van de tv en Maartje van Weegen moet hebben. Je zou kunnen zeggen dat de jury met haar keuze de afstand tussen de literatuur en wat daar in de media-wereld voor doorgaat, heeft aangescherpt en daarmee een verschil in smaak - tussen een introverte, poëtische èn een extraverte, maatschappelijke stroming - heeft geaccentueerd. Op zichzelf is dat de moeite waard, maar dat Tom van Deel cum suis in plaats van De eeuwige jachtvelden van Nanne Tepper of Zonder wijzers van Russell Artus een geheel mislukt straatrumoerboek als Nachtkwartier van Tomas Lieske hebben geselecteerd, bewijst dat er over de neerlandistieke Querido-maatstaven nog wel iets te zeggen valt. Daar danken we die onverwacht levendige discussie aan, in elk geval in Zeemans literaire salon.

Het boek blijkt, in een tijd waarin men niet meer leest zoals uitentreuren wordt beweerd, nog steeds veel los te woelen. Een hoogtepunt in dit opzicht is ongetwijfeld de studie van Daniel J. Goldhagen over het aandeel van de 'gewone' Duitser in het uitmoorden van de joden, Hitler's Willing Executioners. Ordinary Germans And The Holocaust (Alfred A. Knopf, import Van Ditmar, ¿ 59,95; de vertaling verschijnt eind mei bij Van Reemst, ¿ 65,-). Het boek staat op de bestsellerlijst van The New York Times. Het werd afgelopen zaterdag op de Forum-pagina van de Volkskrant door de historicus Johannes Houwink ten Cate, medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, besproken. Gisteren kwam het zelfs op de voorpagina van de Volkskrant ter sprake. In de Boekenbijlage van NRC Handelsblad concludeerde Bas Blokker, óók een historicus, in zijn recensie: 'Het is treurig voor de Duitsers, maar de jodenuitroeiing is een Duits nationaal produkt.'

Zo veel aandacht dwingt je Hitlers gewillige beulen, zoals het boek in het Nederlands gaat heten, zèlf te lezen, ondanks de kritiek die Goldhagen te verduren kreeg. Het belang van het onderwerp vraagt daarom. Hetzelfde geldt voor een heel ander boek, dat de afgelopen week in de Volkskrant door Jan Blokker en in Trouw door Peter de Boer zeer positief werd besproken: de biografie van Herman Gorter, die door de historicus Herman de Liagre Böhl werd geschreven.

Dit boek, over een van onze grootste dichters die al vroeg in de ban van de 'linkse verleiding' kwam, past in een rijtje dat met de recente biografieën van Herman Heijermans en Frederik van Eeden is ontstaan: bij elkaar geven ze een beeld van de bevlogen, socialistische en communistische ideeën die aan het begin van deze eeuw in de literatuur (of in de literaire wereld) opgeld deden.

Wie na zulke boeken de geschiedenis van het communisme - en mutatis mutandis die van het fascisme of andere totalitaire ideologieën - beter wil leren kennen, kan niet om de reusachtige pil van François Furet heen. Furet was hoofd van de Ecole des hautes études en sciences sociales in Parijs en hoogleraar in Chicago, voordat hij - zelf lang lid geweest van de Franse communistische partij - begon aan Le passé d'une illusion. Essai sur l'idée communiste au XXe siècle. Onder de titel Het verleden van een illusie is deze studie in de vertaling van Zsuszó Pennings en Désirée Schyns bij Meulenhoff Kritak verschenen (¿ 79,-). In dit boek, een essay in de Franse betekenis van dat woord, vertelt Furet bijna achthonderd bladzijden lang niet de geschiedenis van het communisme, 'en eigenlijk nog minder die van de USSR', maar tracht hij de illusie van het communisme te traceren, voorzover die de voormalige Sovjet-Unie haar inhoud en bestaansrecht gaf. 'Net als de Duitsers voor hen', schrijft Furet, 'zijn de Russen het tweede grote Europese volk dat niet in staat is gebleken de twintigste eeuw een zin te geven en dat dientengevolge onzeker is over zijn verleden.'

Zulke boeken, met de belofte die ze inhouden je in één keer duidelijk te maken wat nu eigenlijk de verleiding is geweest van het linkse denken in de twintigste eeuw, dreigen je de lust te benemen om ook nog eens een romannetje in te zien. Of een bundel poëzie. Gedwongen als ik was door de arbeid voor deze kroniek verdiepte ik me in Het duistere domein van vrouwen, voorwaar een prachtige titel (die in het Engels nòg mooier is: The Private Parts of Women).

Het is een nieuwe roman van de Engelse schrijfster Lesley Glaister, die voor haar debuut, Eert uw vader, in 1991 de Somerset Maugham Award kreeg en daarom, publicitair gezien, niets te klagen heeft. Het duistere domein van vrouwen werd dan ook met enig trompetgeschal de wereld ingezonden. Maar het verhaal over een vrouw die na een abortus haar (al te lieve) man en kinderen ontvlucht en in contact komt met een oude dame, die in haar jeugd nogal wat beschadigingen heeft opgelopen (en dientengevolge is gedesintegreerd in verschillende persoonlijkheden) wordt na een tamelijk realistisch begin zo gothic-novel-achtig dat ik het geloof in beide dames volledig verloor (vertaald door Astrid van Hoek, Prometheus, ¿ 39,90).

Agota Kristof, geboren in Hongarije in 1935, maar woonachtig in Zwitserland, heeft meer gevoel voor het poëtische, waar de romanschrijver niet buiten kan. Ze bewees dat met Het dikke schrift (1987), Het bewijs (1988), De derde leugen (1992) en ze bewijst het met het een paar weken geleden verschenen Gisteren (Hier) opnieuw: een ogenschijnlijk simpel verhaal over een man, Tobias Horvath, die zijn land ontvlucht en daar zijn nu gehuwde vriendinnetje van vroeger tegenkomt, op wie hij altijd verliefd is geweest; zijn muze, voor wie hij schrijver wil worden, al is hij ongeletterd. Door de verbeeldingskracht waarover hij beschikt wordt dit liefdesverhaal, hoe weinig spectaculair en voorspelbaar ook, een rijkgeschakeerde vertelling over een man, die noch als schrijver, noch als minnaar, noch als vluchteling zijn draai kan vinden. Daarom trouwt hij maar met het domme blondje, dat hem zo graag wil (Van Gennep, ¿ 29,90).

Ook van Artemisia, een historische roman - die enigszins aan het werk van Hella Haasse doet denken - over de schilderes Artemisia Gentileschi (1590-1642) heb ik zeer genoten, dank zij de intelligente aanpak van Anna Banti, de Italiaanse schrijfster die leefde van 1895-1978 (vertaald door Els van der Pluym, AP, ¿ 34,90). Douglas Coupland, schrijver van Generatie X, trok mij minder met zijn zelfs typografisch spectaculaire vertelling over een stel gestoorde computerfanaten, Microslaven (vertaald door Gerda Baardman, Meulenhoff, ¿ 39,90). En Philip Roth is in Sabbaths theater op vertrouwd terrein met zijn buitensporige vertelling van vijfhonderd bladzijden over de seksueel geobsedeerde Mickey Sabbath, wiens belevenissen, in elk geval in de voetnoten, met de allerhardste porno kunnen wedijveren (vertaald door Babet Mossel, Meulenhoff, ¿ 39,90).

In Morbus Kitahara van Christoph Ransmayr (vertaald door Ronald Jonkers, Prometheus, ¿ 45,-) ben ik op bladzijde 127 blijven steken - maar ik kom erop terug - omdat ik beslist De huid van de kameleon van Anna Tilroe wilde lezen, een bundel van (voornamelijk) haar NRC-stukken over het allereigentijdste in de beeldende kunst (waarin het lichaam centraal staat, zoals bij Orlan, die theater maakt van de plastisch-chirurgische ingrepen op haarzelf waardoor ze op een historisch kunstwerk moet gaan lijken). Een wondere wereld (Querido, ¿ 39,90).

Galante feesten van Paul Verlaine, vertaald door Arjaan van Nimwegen (Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 35,-); Tydverdryf Pastime, een tweetalige bundel van Elisabeth Eybers (Querido, ¿ 35,-); Ontcijferend de gezichten van Lidy van Marissing (Van Gennep, ¿ 24,90) en Grondstewardess van Elma van Haren (De Harmonie, ¿ 29,50) deden voor mij wat alleen de poëzie vermag: ik dacht niet meer aan vanavond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.