Wie toont de wereld wat oorlog aanricht?

De selfies van een hulpverlener en de dood van een oorlogsfotograaf zijn op wrange wijze verbonden.

Jeroen Oerlemans in Libië.Beeld Stanislav Krupar

De grootste van de zes zelfgemaakte foto's van Hozaifa Dahmaan in de krant van zaterdag 1 oktober was een vrolijke afbeelding. Tegen de achtergrond van puin en beschadigde huizen in Oost-Aleppo balanceert een dreumes op de rechterhand van een jongeman. Links het lachende gezicht van de 23-jarige 'fotograaf', die vrijwillig gewonden verpleegt in het zwaar bestookte Aleppo. Een verslaggever belde Dahmaan tien dagen achtereen en noteerde zijn verhaal in dagboekvorm. De andere selfies zijn minder opgewekt. Dahmaan verzorgt een gewond kind, toont weggevaagde gebouwen.

Zondag 2 oktober werd fotograaf Jeroen Oerlemans (45) in het Libische Sirte doodgeschoten, vermoedelijk door een scherpschutter van IS. Maandag werden opnieuw de foto's gepubliceerd die hij een paar maanden eerder in Libië voor de Volkskrant maakte. 'Frontlijn Sirte', heette de productie van 2 juli. Dat Oerlemans die frontlijn letterlijk opzocht, blijkt uit de foto waarop een Marsa-brigadelid over een zandduin vuurt naar scherpschutters van IS.

De zelfgemaakte foto's van Hozaifa Dahmaan en de dood van oorlogsfotograaf Jeroen Oerlemans maken op wrange wijze een ontwikkeling zichtbaar. Waar oorlogsverslaggeving te gevaarlijk wordt, kan burgerjournalistiek het gebrek aan een venster op rampspoed enigszins compenseren. Daar zitten natuurlijk haken en ogen aan: de redactie is beperkt in wat zij kan verifiëren, ze weet niet wat er niet wordt getoond of verteld. Het verhaal kan gekleurd of propaganda zijn, de herkomst van beelden is niet altijd helder. Daar staat tegenover dat de lezer in elk geval nog op menselijk niveau geïnformeerd wordt over de verschrikkingen van oorlog.

De oorlog dichterbij brengen, dat maakt oorlogsverslaggeving een van de kerntaken van de journalistiek. Het abstracte verhaal wordt door de strijdende partijen, woordvoerders en satellietbeelden verteld. Oorlogsjournalisten laten zien wat oorlog met mensen doet. Daarbij zet de oorlogsfotograaf - het is deze week vaak gezegd - vaak een stap verder dan zijn schrijvende collega. De fotograaf moet zijn camera, en dus zichzelf, over de muur brengen om ter plekke vast te leggen wat er gebeurt. De verslaggever kan achteraf met ooggetuigen praten om te horen wat zich achter de muur afspeelde. Maar ook schrijvende journalisten lopen allerlei risico's.

De ombudsvrouw behandelt vragen, klachten en opmerkingen over de inhoud van redactionele pagina's en journalistieke aanpak.

Dat vraagt om verstandige en moedige journalisten en om verantwoordelijke en daadkrachtige leidinggevenden. Per geval moeten zij een inschatting maken of een verhaal het waard is een risico te nemen (om die reden zal de redactie niet in zee gaan met freelancers die op de bonnefooi naar gevaarlijke gebieden reizen). Risico's uitbannen gaat niet, een reis zorgvuldig voorbereiden wel. Een betrouwbare en lokale 'fixer' die de gevaren ter plekke kent, is van levensbelang. Eigen vervoer is tegenwoordig ook een voorwaarde, zodat Volkskrant-journalisten nooit afhankelijk zijn van anderen om weg te komen. Zo belandde de toenmalige correspondent in 2014 in een colonne van een pro-Oekraïense militie. Hij beschreef het door de ogen van twee nerveuze boeren naast hem: 'Straks lopen we in een hinderlaag, en dan?'

Momenteel wordt er op de redactie een professionaliseringsslag gemaakt. Voorheen voer men grotendeels op ervaring, maar dat biedt te weinig houvast. In 2013 ontsnapte een correspondent ternauwernood aan een gijzeling in Syrië. Hij herinnerde zich de gouden regel van een veiligheidstraining: stap nooit in een vreemde auto. Hij en zijn fixer verzetten zich, riepen om hulp. Het werd hun redding.

Nu volgen correspondenten in conflictgebieden standaard zo'n training. Als verslaggevers naar gevaarlijke regio's reizen, krijgen ze een tracker mee zodat de chef ze op zijn beeldscherm kan volgen. Als het misgaat, zijn er protocollen voor onder andere gijzelnemingen.

'In de kern gaat het om wederzijds vertrouwen', zegt de chef buitenland. Journalisten kunnen zich op elk moment terugtrekken als de situatie anders is dan zij verwachtten of als zij de boel niet vertrouwen. 'Ook al is er veel tijd en geld geïnvesteerd, als zo'n reis geen verhaal oplevert, is dat niet erg.' Andersom moet de redactie erop kunnen vertrouwen dat journalisten zich niet laten verleiden tot waaghalzerij. In een team - verslaggever, fotograaf, fixer, chef - heeft iedereen vetorecht. 'Als iemand niet wil, gaat het niet door.' De hoofdredactie zegt: 'Bij twijfel niet inhalen.'

Jaren terug ging het er amateuristischer aan toe. Neem alleen al de scherfvesten. Lange tijd werd een militair exemplaar van de legerdump gebruikt. De correspondent die verslag deed aan het front in Tsjetsjenië had er met blauwe tape in het Russisch 'pers' op geplakt. Dat het vest niet soeverein blauw was maar militaire camouflagekleuren had, was ook niet handig, aldus een verslaggever die zich in Irak een wandelende schietschijf voelde.

Inmiddels liggen er op de redactie een paar donkerblauwe vesten met 'press'. Niet dat dit enige garantie biedt. Oerlemans droeg ook een vest en was herkenbaar als journalist. 'De traditionele oorlogsjournalistiek heeft met steeds meer beperkingen te maken', schreef journalist Hans Jaap Melissen eerder dit jaar in Vonk. 'Onder meer door de opkomst van IS, dat op journalisten jaagt om ze vervolgens te onthoofden.'

In Syrië wagen zich steeds minder journalisten en daardoor sterven er ook minder dan enkele jaren geleden, zo laten de tabellen van Reporters sans Frontières zien (van 16 in 2012 tot 7 in 2015 en 7 tot nog toe in 2016). Deze cynische correlatie treedt ook op in andere oorlogsgebieden. Sommige, zoals Darfur, zijn afgesloten van de buitenwereld. Journalisten komen niet binnen, verhalen van burgers niet naar buiten. Zo dreigen sommige humanitaire rampen zich aan het oog van de wereld te onttrekken, totdat ze zich vroeg of laat in andere verhalen - over vluchtelingenstromen, terrorisme - weer aandienen.

In Aleppo bestaat er tenminste nog een internetverbinding. Een aantal fotografen dat in Aleppo woont kan daarom nog beelden versturen naar persbureaus, waardoor deze wereldwijd toegang vinden tot reguliere media. Hans Aarsman besprak donderdag zo'n foto. De lokale fotograaf Ameer Alhalbi legde hulpverleners vast die een levenloos meisje van een hoogwerker laten zakken. 'Kan dit niet ophouden?', eindigde Aarsman zijn rubriek. Oorlogsfotografie dwingt te kijken.

Alhalbi en zijn collega's in Aleppo hebben talloze dode en ernstig gewonde kinderen gefotografeerd. Op een van de foto's komt verpleegkundige Hozaifa Dahmaan met een bebloede baby in zijn armen aangesneld. Geen selfie dit keer. Wel een teken dat zijn verhaal authentiek is.

Lees ook:

Dagboek uit belegerd Aleppo: 'Het kan toch geen mens zijn die ons bombardeert?' (+)

Hans Jaap Melissen: 'Oorlogsverslaggeving gevaarlijker dan ooit' (+)

Met Jeroen Oerlemans naar mijn eerste frontlijn (+)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden