Wie status begeert, moet vooral geen les gaan geven

De gemiddelde leraar is vooralsnog niet veel wijzer geworden van de pogingen die zijn ondernomen om zijn beroep te 'upgraden', meent Harm Beertema....

DE directeuren van de HBO-lerarenopleidingen staan voor een raadsel. Ze noemen de dramatische daling van het aantal studenten een mysterie, want er is veel werk, en de aanvangssalarissen zijn opgetrokken.

Het feit dat ze er niets van begrijpen is eens te meer het bewijs dat het ministerie, de schoolbesturen, de vakorganisaties en het schoolmanagement geen idee meer hebben wat er op de werkvloer leeft. De kloof tussen beleidsmakers, management en staf enerzijds, en de leraar in de klas anderzijds, is onoverbrugbaar geworden.

Enkele jaren geleden werd al vastgesteld dat het beroep van leraar geen enkele aantrekkingskracht meer had. Het ministerie van Onderwijs zette toen Andrée van Es aan het werk in een commissie die aanbevelingen zou doen om het beroep weer aanzien en ontplooiingsmogelijkheden te geven.

De conclusies logen er niet om: er moest afwisseling komen in het lerarenbestaan. Vanouds zat er geen ontwikkeling in het beroep; als 24-jarig beginnend docent had je precies dezelfde verantwoording en taken als de vervroegd uittredende collega van 5O-plus. Een beroep met perspectief, het eindrapport van de commissie-Van Es, zou dat veranderen.

Naast het lesgeven zou de docent zich ook moeten richten op andere taken zoals begeleiding, counseling en ontwikkeling van programma's. Zo zou het beroep weer perspectief krijgen.

Er werd een differentiatie voorgesteld in de loopbaan van de docent: voortaan zou er sprake zijn van beginnende leraren C, gevorderde leraren met speciale taken, de leraar B, en een soort superdocent, de master of education. Daarmee zouden er prikkels ontstaan om een echte carrière na te streven, met de daarbij behorende status- en loonsverhoging.

Het leek zo mooi. Het management van het beroepsonderwijs had echter een eigen interpretatie. In het kader van de 'steeds verdergaande professionalisering van het onderwijs' werden alle lesgevers tot leraar C benoemd, ongeacht leeftijd en ervaring, en werden alle neventaken die het lerarenbestaan de moeite waard maakten, toebedeeld aan 'staf', zelfbenoemde deskundigen in de talloze kantoortjes die je in de hedendaagse scholen voor beroepsonderwijs tegenkomt.

Daarmee was de goedbedoelde aanbeveling van Van Es onschadelijk gemaakt, en was zij verworden tot alweer een bezuinigingsmaatregel. De verstaffing van het beroepsonderwijs had namelijk een prijs: de leraar kreeg grotere klassen voor zijn neus en moest meer lessen draaien. Uitzicht op de status van leraar B met de daarbij behorende hogere schalen werd voorbehouden aan de staf en de bureaucraten.

De verstaffing had nog een ander effect. Zij creëerde een hiërarchie in het beroepsondewijs waarin de lesgever de laagste plaats heeft. Status is synoniem geworden voor geen les meer geven, vooral geen les geven.

Van alle aanbevelingen die de commissie-Van Es heeft gedaan, is in het beroepsonderwijs dus weinig terechtgekomen. Althans: dat geldt voor de lesgevers; de almaar uitdijende bureaucratie vaart er wel bij.

Wanneer over de kwaliteit van het onderwijs wordt geklaagd, moet vooral de leraar - in het bijzonder de oudere leraar - het ontgelden. Want, zo wil het nieuwste geloofsartikel, de docent vergrijst en verzuurt, hij is niet flexibel, hij is vastgeroest en niet enthousiast over de gefuseerde megainstituten die duizenden leerlingen tellen.

Hun baas, minister Ritzen, heeft inmiddels gezinspeeld op de mogelijkheid dat oudere docenten die niet meer optimaal presteren salaris gaan inleveren en 'lichtere' werkzaamheden gaan verrichten, zoals het begeleiden van leerlingen en jonge docenten. Volgens de commissie-Van Es waren dit nu juist de werkzaamheden waarmee een leraar promotie zou maken naar functie B.

De onderwijsbonden, boden geen weerwerk. Integendeel. Tijdens een congres over (alweer) 'de school als bedrijf' gaf AOB-voorzitter Tichelaar - ongevraagd - te kennen dat slecht functionerende docenten ontslagen moeten worden. Als een ware burgemeester in oorlogstijd legt hij uit dat hij dit soort dingen zegt om met het ministerie in debat te kunnen blijven, want 'als we stoppen met partciperen, kunnen we geen voorwaarden meer stellen'.

Het mag duidelijk zijn dat de leraar een gesloten front tegenover zich vindt. Een front dat bestaat uit het ministerie dat slechts wil bezuinigen, de besturen die de macht uit handen hebben gegeven, en de directies die staan te dringen om schaalvergrotingen en en marktwerking aan de scholen op te leggen. Het front wordt gecompleteerd door de vakbonden die zichzelf voor vernieuwend en dynamisch verslijten en elkaar overschreeuwen om werkgeversstandpunten uit te dragen.

Ten slotte zijn er de ouders, die geen boodschap hebben aan vernieuwingen zoals video conferencing-systemen, internetaansluitingen en andere kostbare IT-speeltjes. Zij zien dat hun kind slecht les krijgt, en geven daarvan de leraar de schuld. Heel terecht vinden zij dat de leraar het heeft gedaan, want in eerste en laatste instantie is het de leraar die de kwaliteit van het onderwijs bepaalt, in de klas, tijdens de interactie met de leerling. De ouder weet dat, de leerling weet het en de leraar weet het. Maar wie hoort hen?

Intussen werkt de leraar door. Terwijl de IT-stafleden een demonstratie geven aan andere stafleden hoe je video conferencing kunt gebruiken om een beeldverbinding te maken met een staflid van een school in de VS, praat de leraar in zijn ochtendpauze met Fatima (17 jaar) die er problemen mee heeft dat ze uitgehuwelijkt gaat worden, en in zijn middagpauze met Claudette (net 16 jaar) die met de opleiding wil stoppen omdat ze zwanger is. Voor de volgende les gaat hij nog even kopieën draaien.

Kan het anders? Natuurlijk. De oplossing is eigenlijk heel eenvoudig: geef de leerkracht net zoveel contacturen als in alle andere EU-landen, waar leerkrachten veel minder voor de klas staan, geef hem meer faciliteiten voor begeleiding en counseling en meer gelegenheid om zijn lessen te vernieuwen, zodat hij naast de eigenlijke lesstof ook toekomt aan het integreren van normen en waarden in zijn onderwijs. En geef hem, ter verhoging van het prestige van het beroep, meer waardering, dat wil zeggen meer salaris.

Zolang het niet zover is, kan ik een jongere met ambitie die nadenkt over een baan in het onderwijs maar een advies geven: ga wat anders doen!

Harm Beertema is als docent werkzaam in het beroepsonderwijs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden