Wie stadionconcerten bedacht heeft, verdient een enkeltje Guantanamo Bay

 

Ik ga nooit naar popconcerten, want het geluid is altijd kut. Dat komt doordat de geluidsmannen doof zijn. Niet zo vreemd, aangezien ze avond aan avond in die takkeherrie achter de geluidstafel tegen schuifjes staan te duwen. Het motto van de geluidsman luidt: altijd van je af schuiven.

Doordat geluidsmannen doof zijn, moeten ze het geluid op hun gevoel afstellen. En als ik zeg gevoel, bedoel ik ook gevoel, want gehoor hebben ze niet. Een geluid voel je pas wanneer het je ingewanden penetreert. Daarvoor heb je een decibelletje of 103 nodig, toevallig het maximum dat de wet toestaat. Omdat de ingewanden van geluidsmannen na een paar jaar toeren littekenweefsel vertonen, moet het volume daar echt nog een stuk overheen wil de geluidsman hoog en laag een beetje kunnen onderscheiden. Laag voelen ze doordat hun nieren beginnen te verschuiven, hoge tonen doordat hun oogbollen gaan trillen.

Voor iemand die nog over gezond gehoor beschikt, klinkt dat geluid aanvankelijk als een kotsende Transformer, maar het menselijk brein is een wonder van aanpassingsvermogen, dus wordt het de norm, waardoor inmiddels elk optreden dat zachter klinkt dan een neerstortende Boeing wordt ervaren als pantomime.

De ironie wil dat ik als scholier vaak naar popconcerten ging, om de simpele reden dat ze voor mij gratis waren. Mijn moeder was advocate van een poppodium in Utrecht en een deel van de juridische kosten bestond eruit dat wij, haar zoontjes, daar te allen tijde zonder kaartjes in mochten. Theoretisch. Want natuurlijk moest dit altijd worden uitgelegd aan steeds een andere uitsmijter die dacht dat hij alle smoesjes al eens had gehoord. Ik vraag u zich het plaatje voor te stellen van een 14-jarig pubertje met een kakaccentje dat vooraan in een ongeduldige rij staat, wanhopig jengelend tegen de uitsmijter: 'Nee maarrr mijn moederrrr is advocate dus ik mag errr gratis in, en...Nee echt... haal anderrrs even de managerrrr...' Zo. Nu weet u waarom ik krom-lopend van latente gêne door het leven ga.

Dat het geluid bij popconcerten ruk is, constateerde ik dus al op jonge leeftijd en is geen symptoom van mijn ouwelullenschap. Ook ontdekte ik toen al dat bands live veel slechter spelen en zingen dan op de plaat. Als mijn oren eenmaal gewend waren aan het volume van een uitbarstende Doemberg die heel Mordor verzwelgt, bleek iedereen rommelig te spelen en vals te zingen. Van het obscure Utrechtse reggaebandje tot Tina Turner, die ik een vreselijk lelijk concert heb horen geven in stadion Galgenwaard. Muziek maken in een stadion: wie dat heeft bedacht, verdient toch een enkeltje Guantanamo Bay, waar ze ook schijnen te folteren met hard en naar geluid.

Oké, de concerten van Prince. Maar die tellen niet, dat was de buitencategorie. Live betekent meestal rotherrie, slecht spel, dure kaartjes, twee uur wachten voordat de artiest zich verwaardigt het podium op te komen, het verplichte enthousiasme (I wanna see everybody clap their hands) bij een verbeeldingsloos optreden, boomlange kerels die je het zicht benemen en een onbereikbare bar - en dan snapt u waarom ik nooit meer naar een liveconcert ga. Jarenlang heb ik verkondigd dat Prince de enige was die ik écht goede concerten heb zien geven.

Tot 2 maart 2015, Paradiso, Amsterdam. Het was het waard, al die flutconcerten aflopen, voor dat ene goeie. Voortaan zeg ik Prince en D'Angelo.

t.vanluyn@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.