achtergrondsporters en prestaties

Wie of wat maakt het verschil in de sport: de atleet of zijn schoen?

De invloed van een Formule 1-coureur op zijn prestatie bedraagt 14 procent. Is dat veel of weinig in topsport? Een verkenning met hulp van experts.

Beeld Klaas Jan van der Weij

Formule 1: 14 procent

De invloed van Formule 1-coureurs op hun raceresultaat is in een kraakhelder percentage gevat: 14 procent. Volgens statistici van de universiteit van Sheffield, die met wiskundige modellen races tussen 1979 en 2014 analyseerden, is de rol van de auto en het team veel belangrijker dan die van de bestuurder.

Zo bezien is het geen wonder dat Max Verstappen zichzelf al voor de zesde race van het seizoen, zondag in Spanje, nagenoeg kansloos acht voor de wereldtitel. Ondanks zijn zege in de vorige race. De Mercedessen zijn in normale omstandigheden te snel. Terwijl Verstappen op basis van zijn stuurkunsten wel om die titel hoort te strijden.

Het onderstreept dat de Formule 1 een teamsport is, ook al wint een rijder als individu de wereldtitel. Achter de schermen werken in de fabrieken van de renstallen dagelijks honderden mensen om een tiende van een seconde tijdwinst te vinden.

Toch schatten sommige coureurs hun bijdrage hoger in dan 14 procent. Verstappens oud-teamgenoot Daniel Ricciardo kwam in 2017 nog uit op 25 procent. Voormalig F1-coureur Jan Lammers wil zich niet wagen aan percentages. ‘Auto en rijder zijn voor mij een optelsom’, zegt hij. ‘Als de rijder alles uit zichzelf haalt, haalt hij ook alles uit die auto.’

Hoe bepalend een coureur kan zijn, is volgens Lammers goed te zien als een auto niet helemaal perfect is, zoals nu bij Red Bull. ‘Max haalt nagenoeg altijd alles uit zijn auto. Ook als die minder is. Een coureur zoals zijn teamgenoot Albon wordt dan juist zwaarder belast’, zegt hij, doelend op het flinke verschil op de WK-ranglijst tussen Albon en Verstappen (36 tegenover 77 punten). ‘Als de Red Bull beter was, was dat verschil waarschijnlijk veel kleiner.’

Beeld Klaas Jan van der Weij

Voetbal: 9 tot 80 procent 

In voetbal lijkt de bijdrage van het individu simpel vast te stellen: er zijn elf spelers die, los van positie of externe factoren, gemiddeld zo’n 9 procent invloed hebben op de uitkomst van de wedstrijd.

Maar juist die externe factoren en posities zijn allesbepalend, zegt voetbalanalist en oud-prof Jan van Halst. Volgens hem zijn weinig zaken zo onvoorspelbaar als een bal. ‘Je hebt een heel andere situatie dan in bijvoorbeeld de Formule 1, waar het circuit voor relatief stabiele omstandigheden zorgt’, legt hij uit. Het bepalen van de individuele bijdrage in het voetbal is daardoor lastiger.

Zo bepaalt het verloop van een wedstrijd welk aandeel een speler heeft. Braziliaanse onderzoekers concludeerden op basis van een analyse van veertien knock-outduels op het WK in 2018 dat bij een voorsprong centrale middenvelders, vleugelaanvallers en spitsen aanzienlijk meer bij het spel betrokken werden. Bij een achterstand werd de spits juist minder gezocht.

Sportdatabureau Opta/Stats Perform zegt geregeld gevraagd te worden spelersprestaties te kwantificeren. Hoe belangrijk is het individu bij het behalen van winst en verlies? Makkelijk is dat niet, laat het bedrijf weten. De rol van teamgenoten en tegenstander wegen zwaar mee: het team overstijgt het individu.

Zo noteerden clubs van onomstreden sleutelspelers als Sergio Ramos (Real Madrid), Kevin De Bruyne (Manchester City) en Robert Lewandowski (Bayern München) afgelopen seizoen een hoger winstpercentage als zij niet meededen. De reden: de sterspelers kregen rust in ‘kleinere’ wedstrijden, aldus Opta/Stats Perform. Hun teams wonnen die gemakkelijk.

Toch kan volgens analist Jan van Halst een sterspeler zoals Messi wel enorm veel invloed hebben. ‘Misschien wel 80 procent, als het ene team beter is maar de spits van de andere ploeg zijn club de zege bezorgt door die ene kans af te maken’, zegt hij. ‘Je kunt met een geweldige tactiek een team als een machine laten spelen. Maar zo’n linkervoetje van Messi schiet die bal uiteindelijk in de kruising.’

Beeld Klaas Jan van der Weij

Wielrennen: 90 procent

Als Tom Dumoulin ooit de Tour de France wint, heeft hij dat voor zeker 90 procent aan zichzelf te danken. Volgens oud-wielrenner Erik Breukink, de nummer drie van de Tour in 1990, hoeft daar niet heel lang over te worden gediscussieerd. Wielrennen blijft in de eerste plaats een fysieke prestatie van de renner zelf, stelt Breukink. Ook al is Dumoulin om zijn kansen op de eindzege te vergroten van ploeg gewisseld om meer steun te krijgen.

Wel kan een renner door slim te rijden, bijvoorbeeld achter de rug van zijn ploeggenoten, meer energie besparen dan anderen. In 2018 schreven onderzoekers van de TU Eindhoven en KU in Leuven dat een renner in de staart van een peloton veel minder luchtweerstand hoeft te overwinnen dan een renner in zijn eentje. Dat scheelt wel 90 procent.

Het onderstreept tegelijk het belang van een goed team dat de kopman uit de wind houdt. Hoewel dat bergop, het terrein waarop grote rondes meestal worden beslist, weer minder uitmaakt. Daar kan een renner zich niet in de luwte schuilhouden en wordt het een individueel gevecht. ‘En uiteindelijk heb je toch die ene renner nodig die het afmaakt’, zegt Breukink.

Bij een tijdrit, die andere cruciale discipline voor een ronderenner, is het volgens hem een ander verhaal. Daar beïnvloedt het juiste materiaal de prestatie, waardoor de invloed van de sporter van 90 procent daalt naar zo’n 75 procent, denkt Breukink. Een aerodynamische tijdritfiets scheelt vele seconden.

‘Als je dat topmateriaal niet hebt, ben je kansloos. Een beetje net als in de Formule 1’, zegt hij. ‘Je zag het aan Rohan Dennis. Die stapte vorig jaar in de Tour een dag voor de tijdrit af uit frustratie over zijn materiaal. Twee maanden later werd hij met zijn eigen spullen wereldkampioen. Aan de andere kant zal niet elke renner met de beste spullen een goede tijdrit rijden. Dus de renner blijft het belangrijkst.’

Beeld Klaas Jan van der Weij

Honkbal: 10 tot 50 procent

In het honkbal lopen de bijdragen van spelers uiteen. Van zo’n 50 procent voor startende werpers tot minder dan 10 procent voor een individuele slagman, schat Evert-Jan ’t Hoen, bondscoach van de Nederlandse honkballers. Iedereen heeft zijn rol in de 25-koppige selectie.

Startende werpers hebben veel invloed op het resultaat, omdat ze ervoor moeten zorgen dat tegenstander zo lang mogelijk puntloos blijven. ’t Hoen: ‘Je ziet het aan de recente World Series-winnaars. De teams met de drie beste startende werpers worden kampioen’, zegt hij. De beste werpers gooien alleen niet elke wedstrijd, omdat ze moeten uitrusten.

Ook spelen ze zelden een volledige wedstrijd. Slagmannen doen dat wel. Maar dat ze een wedstrijd beslissen, is volgens ’t Hoen ‘een uitzondering’: ‘Als je drie van de tien beurten een honkslag slaat, ben je al een hele goede.’

Wel is de ene slagman aantoonbaar beter dan de ander. Het wordt bijgehouden met tal van statistieken; in een statische sport als honkbal is dankzij moderne technologie tegenwoordig nagenoeg alles meetbaar. Volgens ’t Hoen wordt er met name in de VS daardoor steeds preciezer gekeken naar de individuele bijdrage. Bijvoorbeeld met de relatief nieuwe WAR-statistiek (wins above replacement).

Met die statistiek wordt op basis van allerlei parameters gekeken hoeveel wedstrijden spelers winnen voor hun team. De verschillen tussen spelers kunnen groot zijn. ‘Bij een startende werper kunnen dat zomaar acht wedstrijden zijn in een seizoen van 162 duels’, zegt ’t Hoen. ‘Op basis van de WAR wordt daarom ook vaak de hoogte van het salaris bepaald.’

Beeld Klaas Jan van der Weij

Roeien: 12,5 tot 100 procent

De invloed van een roeier op zijn resultaat verschilt per nummer. Van bijna 100 procent in eenmansboot skiff tot 12,5 procent in de boot met de meeste roeiers: de acht.

De roeier op de zogenoemde slagpositie, die achterin de acht zit, bepaalt het tempo en heeft op papier de belangrijkste rol. Maar volgens bondscoach Mark Emke is dat een veel voorkomende misvatting. In de boot heeft iedereen dezelfde invloed op het resultaat. ‘Als er achter de slag niet wordt geleverd, schiet het ook niet op’, legt hij uit.

Volgens Emke zijn de roeiers in werkelijkheid gelijkwaardig. Er moet evenwicht zijn in de acht om vloeiend door het water te kunnen glijden. ‘Ik heb een paar sterke jongens in het midden van de boot en die heb ik ook echt nodig. Verder moet het ook in het collectief passen. Het blijft een combinatie van wat mensen fysiek kunnen leveren en hoe ze dat aanwenden in de boot.’

Als coach van de Holland Acht is hij voortdurend bezig met de invloed van een individu op de prestatie. Emke: ‘Wij zijn tweede geworden op de WK. In race van ruim vijf minuten bedroeg onze achterstand iets meer dan een halve seconde. Als je dat uitrekent in percentages, is dat niet veel. Als je dat goed weet te maken door bijvoorbeeld die jongens een kilo lichter te krijgen met behoud van snelheid, ben je spekkoper.’

De 14 procent invloed van een Formule 1-coureur noemt hij dan ook ‘heel veel’. Emke: ‘Want dan ben je bepalend voor winst of verlies’. Hoewel hij ook huiverig is voor die percentages, omdat het suggereert dat topsport exacte wetenschap is. Maar niet alles is meetbaar, stelt Emke. ‘Het is net als in de Formule 1. Misschien heeft een coureur beperkt invloed, maar als er niemand in die auto zit, gaat hij in die eerste bocht gewoon rechtdoor.’

Beeld Klaas Jan van der Weij

Atletiek: 96 tot 100 procent

Geen sporter komt dichter bij 100 procent idan een atleet, vindt atletenmanager Jos Hermens. Zelfs niet nu omstreden springveerschoenen  als de Nike Vaporfly hun intrede hebben gedaan in de marathon.

Door het verende schuim in combinatie met een carbonplaat verliezen lopers minder energie. The New York Times vergeleek in 2018 data van bijna een half miljoen hardloopwedstrijden sinds 2014 en kwam uit op een tijdvoordeel van zeker 1 procent op de marathon in vergelijking met de een-na-snelste schoen. Vorig jaar herhaalde de krant het onderzoek en kwam uit op een nog groter voordeel: 2 tot 3 procent.

‘Die schoen helpt zeker’, erkent Hermens, manager van onder meer wereldrecordhouder op de marathon Eliud Kipchoge. ‘Er waren niet echt regels, dus Nike heeft wat geëxperimenteerd en een fantastische schoen ontworpen.’

Een betere schoen doet in zijn ogen niets af aan de prestatie van de atleet, ook al weet een marathonloper zonder de Vaporfly zich tegenwoordig kansloos voor de zege. ‘Op de Adidas Boost zijn ook tal van wereldrecords gelopen. Daar hoorde je niemand over’, zegt Hermens, die zelf in de jaren 70 topatleet was. ‘Het is een gestaag proces geweest, hè. In mijn tijd rende je op veredelde autobanden. Toen kwam Nike met die wafelzolen. Daarna bleef het weer een tijdje stil en nu heb je deze schoenen.’

Uiteindelijk loopt iedereen toch op dezelfde schoen’, zegt hij, doelend op de vele Vaporfly-achtige modellen die op de markt zijn. ‘Dus is er sprake van een gelijke strijd, in tegenstelling tot in de Formule 1 waarin iedereen wel verschillend materiaal heeft.’ De wisselwerking tussen talent en de wil om hard te werken is essentieel voor een topprestatie in de atletiek, zegt hij. ‘In geen sport is dat zo goed zichtbaar.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden