Wie is hier nou eigenlijk de baas, potdomme?

Van wie is Nederland eigenlijk? Is dit land van de burgers? Of van de kiezers, de stemmers? Of van de consumenten?...

Er is een ingewikkeld gevecht gaande tussen de bevolkingsgroepen. Zodra zich een probleem voordoet, komen de verschillende groeperingen recht tegenover elkaar te staan en maken ze elkaar de gruwelijkste verwijten. De klanten willen de dingen steeds goedkoper, de bewoners en de ingezetenen willen dat de kwaliteit van het leven op peil blijft, de burgers willen dat het bestuur de claims met elkaar verzoent, de belastingbetalers willen nergens voor opdraaien, en de kiezers zijn sowieso ontevreden.

Ik zou haast zeggen: zet die mensen met elkaar in een weiland en laat ze de boel onderling uitvechten. Dan hebben wij er geen last van.

Maak ’s avonds maar eens een rondje langs het nieuws en de actualiteiten op de televisie. De klanten willen overnames en concurrentie in de supermarktwereld - ‘want dat pakt altijd goed uit voor de consument’. De ingezeten willen niet dat vanwege de lage melkprijzen alle koeien uit het landschap verdwijnen. De burgers willen dat de overheid in deze maatregelen neemt, maar de belastingbetalers willen nadrukkelijk niet voor die maatregelen betalen. De kiezers hebben ten slotte de pest in omdat de zaak niet voortvarend wordt opgelost. Een dag later hoor je het zelfde verhaal rondom een bank, of het milieu.

Mocht het ooit tot een vuistgevecht komen tussen de groepen, dan heb ik wel zo mijn sympathieën. Althans, ik heb mijn leven lang al een voorliefde voor landen waar de dingen goed geregeld zijn in de publieke ruimte. Waar picknickplekken zijn ingericht voor de ingezetenen van de regio, waar de voorzieningen op orde zijn en waar niet ieder plekje in stad of dorp is uitverkocht aan de commercie voor de precarioheffing. Die voorliefde voor de Franse en Zwitserse benadering maakt dat ik eerder een bewoner ben dan een klant.

In de afgelopen zomer publiceerde de Duitse krant Die Zeit een verhaal over uitverkoop door de overheid in Duitsland. Honderdvijftig gemeentes hadden daar zeer onverstandig zaken gedaan door hun openbare eigendommen - beursgebouwen of zuiveringsinstallaties - aan het buitenland te verkopen en ze vervolgens weer terug te leasen. ‘Cross Border Leasing’ heette dat. In de loop van de tijd was daarmee ongeveer 100 miljard euro aan infrastructuur verpatst. De beursgebouwen in Keulen, de tram in Berlijn, scholen, kanalen, vuilverbrandingsinstallaties, waterleidingen. De halve republiek is verkocht, schreef Die Zeit.

Een groot financieel succes bleek dit niet te zijn, vooral omdat niemand de contracten goed had gelezen, en dus moesten de gemeenten geld gaan ophalen bij de bewoners en de bezoekers: de belastingen gingen omhoog, de trams en de zwembaden werden duurder. Die Zeit drong aan op afrekening met de verantwoordelijken, maar het interessante onderwerp lag dieper: van wie waren die eigendommen eigenlijk geweest en voor wie? Wat wilde de gemeenschap ermee? Geld verdienen en winst maken, of gebruiken voor het leven van alledag?

Dat brengt ons terug bij de vraag: van wie is Nederland eigenlijk? Voor zover ik weet is ons land nog niet in zijn geheel aan de Verenigde Staten of Hongkong verkocht, maar ook hier worden openbare eigendommen op de markt gebracht om geld te verdienen. Dat betekent dat de belastingbetaler het pleit gaat winnen van de bewoners, de klanten en de burgers. Want hoe rijker de overheid wordt, hoe minder de belastingbetaler hoeft te betalen.

Denk maar eens aan de nieuwe erfpachtcanon op de Waddeneilanden. Van wie zijn die eilanden? In feite zijn ze grotendeels van Staatbosbeheer, de natuurbeheerder van de staat. Honderd jaar geleden verkocht de gemeente Vlieland alle woeste gronden, vijfennegentig procent van het eiland, aan Staatsbosbeheer voor één gulden - met de verplichting het eiland te ontwikkelen. Nu staan alle vakantiehuizen dus op grond van Staatsbosbeheer; de eigenaren betalen een erfpacht van ongeveer anderhalfduizend euro per jaar.

Vorig jaar vertelde een erfpachtdeskundige aan NRC Handelsblad dat Staatsbosbeheer had besloten structureel zestien miljoen euro per jaar extra binnen te halen. De waarde van huizen en grond is de afgelopen jaren zo sterk gestegen dat de erfpacht verhoogd kan worden – tot zo’n tienduizend euro per jaar. ‘Met deze winstmaximalisatie maken ze de economie van de eilanden kapot’, zei de deskundige. Maar volgens de minister is het van groot belang dat Staatsbosbeheer ‘marktconform’ opereert.

De staat als partij op een markt die er niet is: wie is daar blij mee? Niet de klanten, want alles wordt duurder. Niet de ingezetenen, want straks zijn de eilanden alleen nog betaalbaar voor de rijken; die hoeven hun vakantiehuis niet te verhuren en dus wordt gevreesd voor veel leegstand; dat is voor een gemeenschap nooit goed. En ook zijn de burgers niet blij, want die zien met lede ogen hoe de staat zich meer en meer als een marktpartij profileert.

Het ziet ernaar uit dat de belastingbetalers langzaam de baas worden in Nederland. Het is ze gegund. Maar ze moeten wel bedenken dat alle burgers, bewoners en kiezers, als het land eenmaal verkocht is, naar het buitenland zullen verhuizen. Dan blijven ze alleen achter, en dat is ook niet gezellig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden