Wie en wat Shakespeare geweest zou kunnen zijn

Ve bijgedachte is doorgaans meer Deen product van de verbeelding dan van het denken, hoogstens van het restdenken. Laat ik met een zwak voorbeeld van dat bijdenken beginnen....

Dat is een schitterende vorm van vereeuwiging, in de diepte van de zee, niet in de hoogte van de hemel. De vereeuwiging is ook een verheerlijking: ogen worden parels, botten koraal. De storm, uit 1611, heet een samenvatting te zijn van alle motieven uit Shakespeares latere werk. Hij schreef het kort voor zijn definitieve terugkeer naar Stratford om stil te gaan leven hij is dan 47 en heeft in korte tijd voor alle eeuwen taal en verbeelding veranderd.

Wat voegt Stephen Greenblatt nu aan de boven geciteerde regels toe? Dit: 'Zo was het ook met de posche verbeeldingskracht van Shakespeare: er was niets van verteerd, het enige wat er door de jaren heen was gebeurd, was dat het gebeente van zijn werk door zeeomtovering tot een rijk en wonder ding was geworden.' Dat is het soort bijgedachte dat mij doet huiveren, juist vanwege de gekunsteldheid. En biografisch is de bijgedachte zonder waarde.

Greenblatts vrij omvangrijke boek William en de wereld (Engelse titel: Will in the World) kent nogal wat bijgedachten, onvermijdelijke voortbrengselen van de verbeelding waar het denken geen feiten krijgt aangereikt en waar het leven van de dichter een groot vermoeden wordt, door het werk gegeven. En het werk weer het product wordt van dat vermoeden! Wetenschap en verbeelding sluiten elkaar vaak in.

Er is nog iets anders: de bijgedachte bij het lied uit De storm heeft een symbolisch karakter; alleen via het zinnebeeld is het ander uit het een af te leiden. Ook de vermoedens over het leven van de dichter zoals die in de teksten worden gevonden, zijn zonder symbolisering onmogelijk. Alleen door middel van het zinnebeeld kunnen ze ook uitdrukking zijn van iets anders dan de persoon of sc in het toneelstuk. Alleen zo kunnen delen van Hamlet ook iets zeggen over Shakespeares verdriet om de dood van zijn zoontje en het sterven van zijn vader.

Het mooie is dat vermoedens tot vermoedens leiden. Ik heb in geen tijden een zo hypothetisch boek gelezen als Greenblatts biografische studie van Shakespeare. Het boek is de triomf van de zougedachten. Misschien wel de allermooist uitgewerkte hypothese is die over Shakespeares verblijf in het toen nog overwegend katholieke Leicester. Het schemerige karakter van de toenmalige geloofsovertuiging, met een enkele historische bron, maakt een jonge katholieke Shakespeare mogelijk. Hij zou in Leicester ook een ontmoeting hebben gehad of hebben kunnen hebben met de briljante jezu Edmund Campion, die niet lang daarna gegrepen en vermoord werd. De mogelijkheid wordt in de wijze van beschrijven haast vanzelf werkelijkheid. De hypothese wordt met zoveel kracht, literaire kracht ook, gesteld, dat ik in de historiciteit van de vermoedens ga geloven. En de auteur blijf volgen wanneer hij het roomskatholicisme en het verlies van dat geloof als een hoofdgegeven uit Shakespeares leven beschouwt, wat tot deze conclusie over de zich terugtrekkende dichter leidt:

'Hij had nooit iets gevonden wat de plaats kon innemen van het geloof waarvan hij zich vele jaren geleden had afgekeerd. Hij had natuurlijk zijn toneelvisie verrijkt met de vitale overblijfselen van dat geloof, maar hij had nooit de onwerkelijkheid van het toneel uit het oog verloren en had nooit gesteld dat zijn literaire visie eenvoudigweg de plaats kon innemen van het geloof waarvoor Campion zijn leven had gegeven.'

Maar er is nog een tweede tekort:

'Hoewel hij korte momenten van geluk kan hebben gekend (voorzichtiger is nauwelijks mogelijk, F.) had hij nooit de liefde gevonden of kunnen verwezenlijken waarover hij zo indrukwekkend schreef en droomde. Vanuit het perspectief van dit gevoel van verlies, een falen in het geloof en een falen in de liefde, kan het volvoeren van de rol van een gewone landheer als een cruciale prestatie worden zien.'

De terugkeer naar het alledaagse van zijn laatste levensjaren wordt hiermee door de auteur verklaard.

Ik wil het geloven. Het is een mogelijke levensfase van Shakespeare, hoe anachronistisch dat tekort door geloofsverlies ook aandoet, hoe overreligieus en daarmee voor Shakespeare gezocht de gedachte over de onwerkelijkheid van het toneel en daarmee van de kunst en van het dichterschap tegenover de godsdienst ook mag zijn. Briljant is het allemaal, zoals de hoofdstukken waarin Hamlet en King Lear centraal staan, tragedies die ook tragedies uit Shakespeares leven verbergen en versterken.

Wat Greenblatt dus doet is Shakespeares leven, waarover wij zo weinig weten, te beschrijven met de schaarse historische kennis en de biografische vermoedens die het werk geeft. Wat daarvoor nodig is, is dat de auteur het werk uit zijn hoofd kent. Dat is bij Greenblatt het geval. Vervolgens dat hij de bibliotheek van snippers geschiedenis en ontelbare vermoedens en interpretaties kent. Ook dat doet Greenblatt. Hij heeft op bewonderenswaardige wijze uit dat alles een sterke hypothetische synthese gemaakt. 'Hoe Shakespeare Shakespeare werd' is de ondertitel. Zo dus. Maar elke lezer zal in de leegte eindigen: het genie van de grootste beeldenmaker uit de wereldliteratuur moet onverklaard blijven. Daarvoor is zelfs geen hypothese te vinden.

Misschien is het leven niet meer dan een aanleiding. Al onze kennis over de derde graaf van Southampton hier in een mooie synthese gepresenteerd laat de grootheid van de sonnetten onverklaard, welke briljante ideede auteur over de eerste twintig ook heeft.

Greenblatt heeft in een grootse poging alle voorzichtigheid van de meeste geleerden verloren. Niet wegen, maar wagen is winnen. En toch. Het werk van Shakespeare is in meer dan vier eeuwen, vier eeuwen aan commentaar ook, totaal van gedaante veranderd, in een proces van steeds nieuwe metamorfosen. Het is ook absolute literatuur geworden, en daarmee aan alle dagelijkse waarden en normen onttrokken. Wij, ook Stephen Greenblatt dus, kunnen het werk niet anders dan als die absolute literatuur lezen. Dat maakt de opzet van de studie in feite heel onwerkelijk: twee in orde van grootte geheel verschillende zaken worden met elkaar in relatie gebracht.

Het hoofdstuk over Hamlet laat het zien. In een heel knappe beschouwing wordt de grootheid (en de nieuwheid) van het stuk aangetoond, een aardverschuiving in Shakespeares werk. Dat is allemaal moderne literatuurwetenschap, tot een voorwerp waarvan het werk is verheven. De biografische veronderstellingen voor de verschuiving doen dan mooi, maar gezocht aan. Alleen lezing van het werk zoals de tijdgenoten het lazen een onmogelijke lezing, men weet heel weinig van contemporaine reacties en Greenblatt geeft daarover juist te weinig te vermoeden kan relatievorming mogelijk maken, leven en werk maakten toen deel uit van dezelfde werkelijkheid.

Greenblatts overigens indrukwekkende boek is een mogelijke geschiedenis (met bij de lezer bijgedachten over de onmogelijkheid!). De hypothese begint al meteen in de eerste zinnen: 'Laten we eens veronderstellen dat Shakespeare vanaf zijn kindertijd gefascineerd werd door taal, dat hij bezeten was van de magie van woorden.' De veronderstelling wordt uitgewerkt. Daar is de eerste poe, die van het wiegelied! Een sprookje is, ook in de toon, begonnen. Een zeer wetenschappelijk sprookje, dat wel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden