Wie een Nobelprijs kreeg en wie niet

Hij vroeg het echt, Geert Lubberhuizen. Op 7 februari 1966 stelde de uitgever de onvermijdelijke vraag aan de onvermijdelijke winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur: Simon Vestdijk....

MICHEL MAAS

'En wat ga je doen met het geld?'

Lubberhuizen heeft het hele gesprek - met Simon en de veertig jaar jongere Mieke met wie Simon enkele maanden eerder is getrouwd - op band opgenomen, omdat hij er ooit nog iets mee wilde doen. Nu is de band uitgetikt, en de tekst opgenomen in het eerste nummer van het nieuwe tijdschrift De Parelduiker van uitgeverij Bas Lubberhuizen. Een gesprek over het voederen van de oude blinde kat tot en met de Nobelprijs. En over Mieke, natuurlijk.

L: 'Ik kreeg straks de indruk, je moet niet kwaad worden als ik het zeg, dat jij bij je dagindeling voor het huwelijk, dat jij een periode hebt gehad van een hele grote eenzaamheid. Ik stel me dat zo voor, blikjes warmen en zo.'

V: 'Nou ja, op zichzelf is dat niet zo eenzaam. Nee, ik was wel eenzaam, technisch gesproken was ik eenzaam, maar ik voelde me helemaal niet eenzaam, helemaal niet. En ook niet een bepaalde behoefte aan verzorging of zo, dat had ik toch echt niet. Een heleboel mensen schijnen gedachte te hebben dat ik, nou ja, dat ik met Mieke getrouwd ben om eindelijk weer eens verzorgd te worden, maar dat is helemaal niet waar. (. . .) Ik ben erg gelukkig, heel erg gelukkig. Ja, daar was het ook om begonnen eigenlijk, hè?'

Dit is het soort 'verborgen schatten van de literatuurgeschiedenis' waar de redactie van De Parelduiker (opvolger van Het Oog in 't Zeil) naar op zoek is. Een speurtocht die in dit eerste nummer nog heeft geleid tot brieven en notities van Theo Thijsens, Picabia en F.J.H. Lousberg, tot de beschrijving van een avontuur van Heijermans in een Berlijns gesticht, en tot een verhaal over het leven van de dandy Jacques baron d'Adelswärd-Fersen (1880-1923) die ooit het tijdschrift Akademos bestierde.

De Nobelprijs gaat altijd naar de verkeerde. Toen in 1994 niet Hugo Claus maar Kenzaburo Oë hem kreeg, waren er mensen die niet wisten wie Kenzaburo Oë was. Die mensen zijn er nog. Misschien moeten ze maar eens een willekeurige zin van Oë lezen.

In het aan Japan gewijde nummer van De Tweede Ronde staat een fragment uit Oë's nieuwste roman Schreeuwen in de nacht, die in het najaar bij Meulenhoff zal verschijnen. Een fragment vol zinnen die erom schreeuwen geciteerd te worden. Zoals deze willekeurige, waarin de hoofdpersoon een hoer bezoekt: 'Net als de fantomen van mijn slapeloze nachten hield ze een geslacht als een vleesetende plant verborgen; als een kikker hapte ze me op, en zoals een kikker zijn maag omkeert, zo spuugde ze me weer uit. Die geslachtsdaad was niet meer dan één veeg door een uitgedroogde rubberbuis, geplant in een harig gat dat was uitgesneden in een houten blok. Dat was alles, het had niet de minste betekenis.'

In De tweede ronde staat ook de Nobelprijs-rede afgedrukt, die Kenzaburo Oë in 1994 in Stockholm uitsprak. De rede van een schrijver die moet leven te midden van een volk dat zich heeft laten ophitsen tot 'een krankzinnig enthousiasme voor vernietiging'. Oë schrijft om de pijn die het leven in zo'n land en met zo'n volk teweegbrengt onder woorden te brengen, en te genezen.

Al het overige in De tweede ronde verbleekt wat naast Oë. Bij hem vergeleken blijken Nederlanders een soort drooggemalen polderproza te schrijven: 'Vroeger had ik een boot. Daar voer ik mee door de grachten van de stad. De boot was van ijzer en zo'n drie meter lang en bijna helemaal waterdicht.' (Michael Frijda). 'Ze was ouder dan ik had verwacht. Ze had een grote plastic zak bij zich. Ze droeg een zwarte broek, een V-halstruitje, en vooral de huid rond haar ogen was volkomen verweerd.' (Arnon Grunberg). 'Notling trapte op de rem. ''Nee'', zei hij. Het leek of er duizend mieren bezig waren zijn hoofdhuid kaal te vreten.' (Viktor Frölke).

Maar een vers van Mathilde Lippens kan een mens daarna weer helemaal opbeuren. Maatstaf drukt er vijf af, waaronder Vrouw:

Fluitketelend, stofzuigerend,

magnetronnend was ik altoos

de zijne, was ik zijn troetel-

moeder, zijn lijfeigenste,

zijn hittebestendigster.

Haar prettige verzen staan tussen wrang, met waar gebeurde wreedheden doorschoten proza over Indië (van Fred Lanzing), een niet minder bitter Joegoslavisch Requiem van ex-officier Arnold Jansen op de Haar, een afrekening met Theun de Vries die van zijn Oost-Duitse vrienden nog geld te goed heeft (Hans Olink), en een laat essay van Henk Pröpper over het fenomeen Mitterrand.

Michel Maas

De Parelduiker, 1996 1, ¿ 16,50. De Tweede Ronde, lente 1996, ¿ 17,50. Maatstaf, 1996 3, ¿ 22,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden