'Wie ben ik zonder de krant?'

Na dertig jaar Volkskrant, waarvan vijftien als hoofdredacteur, neemt Pieter Broertjes (57) afscheid. Toen-ie kwam, wist hij precies wat hij wilde: de beste worden....

Hoe laat stond u vanochtend op? ‘Half zes.’Wat deed u? ‘Ik haalde de kranten van de mat. Ik sta elke dag om half zes op en begin met de Volkskrant, De Telegraaf, Trouw. Op de krant lees ik daarna nog The Guardian, Het FD, de International Herald Tribune. Daar ben ik anderhalf uur mee bezig.’

Vijftien jaar lang om half zes opstaan? Nooit een dag overgeslagen? ‘Nee. Verschrikkelijk.’

Is dat discipline of gedrevenheid? ‘Ah, je wilt in mijn ziel kijken. Wat beweegt mij.’

Ja. ‘Al die mensen die je over me gesproken hebt, hebben daar vast een goed antwoord op.’

Maar ik wil het van u weten. ‘Haha.’

Wat was uw doel toen u begon in 1995? ‘Ik had het er vanochtend met mijn vrouw over. ‘Het was wel bizar’, zei ze. ‘Tijdens je eerste interview op de radio als hoofdredacteur werd je gevraagd wat je wilde bereiken en toen antwoordde je: de beste zijn.’ Ik was het alweer vergeten, maar mijn vrouw herinnerde me eraan. Ik zei: ‘God, ja, ik wilde de allerbeste worden.’ Er zit kennelijk iets in mij waardoor...’

Bent u eigenlijk de beste geworden? ‘Dat ga ik niet zeggen, dat weet ik niet.’

Hoe wilt u herinnerd worden? ‘Als iemand die de ontwikkelingen van zijn tijd heeft begrepen en naar zijn beste vermogen gehandeld heeft.’

Dat klinkt vaag. ‘Nee. Dat is helemaal niet vaag. Ik heb de krant modern gemaakt. Toen ik kwam waren we alleen op één platformpje bezig, de papieren krant. Nu zijn we op tien platforms tegelijk bezig. We hebben bijvoorbeeld een site die klinkt als een klok. Dat ik innovatief geweest ben, ja, zo zou ik herinnerd willen worden. Ik weet dat er mensen binnen de krant zijn die vinden dat ik te veel vernieuwingen heb willen doorvoeren. Maar ik ben er trots op dat ik niet alleen op de winkel heb gelet. Ik heb er heel veel energie en betrokkenheid in gestopt die anderen misschien niet hadden kunnen opbrengen. En wat mijn vertrek betreft: ik geloof wel, met de kennis van nu, dat het goed is om te vertrekken.’

Maar uw hart aarzelt. Is het weemoed die u voelt? ‘Uh...’

U was liever nog wat langer gebleven. ‘Nou...’

Als ze gevraagd hadden: toe alsjeblieft. ‘Daar vertrouw ik mezelf niet in, of ik dan het goede antwoord had gegeven. Men vond dat de krant toe was aan iets fris en fruitigs. We hebben het erover gehad, onze Belgische uitgever Van Thillo en ik, en ik heb gezegd: ‘Ik wil in elk geval nog het tabloid maken en alleen als dat een succes wordt, ga ik weg.’ Als het geen succes was geworden, dan had ik gezegd: ‘Jongens, ik blijf nog even.’ Dat heb ik wel vaker gezegd. Mijn vertrek is wel eerder ter sprake gekomen de afgelopen vijf jaar, maar ik vond dat de chaos door de steeds wisselende uitgevers te groot was om zo’n beslissing te kunnen nemen. Ik denk weleens: mijn opvolger, Philippe Remarque, weet niet half waar hij aan begint. Een hoofdredacteur is voor alles een poortwachter.’

Een poortwachter? ‘Iemand die de vijandelijke troepen buiten de deur houdt.’

Niet iemand die de krant maakt? ‘Natuurlijk, dat ook. Maar hoofdredacteur zijn is een les in nederigheid. De grootste ego’s – ik ga geen namen noemen, die moet je zelf maar invullen – moet je geen hoofdredacteur maken en zeker geen hoofdredacteur van de Volkskrant. Dat zou heel dom zijn. Die mensen zijn te veel met zichzelf bezig en als hoofdredacteur moet je bezig zijn met je omgeving. Energie stoppen in de mensen met wie je werkt.’

Is een hoofdredacteur dienstbaar? ‘Absoluut. Zoals ik het doe wel. Dat is voor de Volkskrant het best. Er zijn genoeg mensen die veel energie voor zichzelf nodig hebben, en niet afgeleid willen worden. Dit is een vak en niet iedereen kan het.’

U heeft stiekem het gevoel dat u de enige bent die het kan. ‘Stiekem? Haha. Nee. Ik bedoel alleen: je moet het leren. Je kunt het niet vanaf dag één. Daarvoor zijn er genoeg mensen te noemen die gesneuveld zijn. Dit vak past bij mij. In de loop der jaren heb ik me erin bekwaamd en nu past het me als een handschoen. Weet je wat het is? Toen ik bij de krant kwam werken, kon ik helemaal niet schrijven. Dat heb ik geleerd door het te doen. Ik ben nog steeds niet de beste schrijver van Nederland, ik ben ook niet de beste schrijver van de krant. Ik kan een interview maken, ik kan een nieuwsstuk maken, maar ik blink er niet in uit. Wat ik merkte toen ik daar een tijdje zat, was dat er binnen de journalistieke omgeving van de krant eigenlijk maar weinig mensen waren die enthousiasme konden opbrengen voor de dingen eromheen. Het technische, het organisatorische. Veel briljante journalisten zijn alleen gericht op dat ene stukje – en vergeten dan ook nog vaak om een fotograaf te bellen. Maar een krant is meer dan een optelsom van stukjes. Ik was altijd al bezig met die andere aspecten van het maken van een krant. Ik had in de gaten dat ik iets kon wat veel anderen niet wilden en konden. En in het land der blinden is eenoog koning.’

Wat bescheiden. U bent toch niet vijftien jaar hoofdredacteur geweest met maar één oog? ‘Ik ben een marathonloper. Een man van de balans. Ik kan feilloos peilen hoe de stemming op een redactie is. Ik besef dat dat niet spectaculair klinkt, maar strategisch denken en tactisch handelen is van het grootste belang voor een krant als de Volkskrant.’

Is een redactie een rattenpoel? ‘Nee, dat vind ik een gevaarlijk beeld. De redactie deugt. Het is alleen wel zo dat het als individuen allemaal zeer getalenteerde mensen zijn, maar dat ze zich als collectief kunnen ontpoppen als een veelkoppig monster. Ik heb wel eens een vergadering met de hele redactie gehad, waarbij ik na afloop naar mijn kamer liep en dacht: als ik nu niet zoveel zelfvertrouwen zou hebben dat ik zeker wist dat we de goede beslissing hebben genomen, dan zou zojuist de fik erin gegaan zijn. Snap je wat ik bedoel? Ik zorg altijd dat ik van tevoren weet wie ik aan mijn zijde heb, dan weet ik me verzekerd van steun tijdens zo’n plenaire bijeenkomst. Een hoofdredacteur maakt een krant, hij stuurt de langetermijnprocessen, maar in de eerste plaats is hij iemand die zorgt voor balans, voor rust, voor draagvlak. Want elke dag opnieuw moet er, hoe groot de bestuurlijke chaos om ons heen soms ook is, weer een krant komen. Dat maak ik met mijn manier van leiding geven mede mogelijk.’

Is het overleven voor u? ‘Ja. Ik hang als een aap in de touwen en laat mijn kunstjes zien.’

Is het eenzaam? ‘Nee, eenzaam voelde ik me alleen toen ik eens zes medewerkers in een jaar moest begraven. Dat was zwaar en eenzaam; de toespraken, de emoties. Martin Bril, nog geen 50 jaar oud, dat heeft me erg aangegrepen.

‘Ik bel mijn vrouw vaak, op weg naar huis. Dan houd ik een minutenlange monoloog over alles wat me die dag is overkomen, zonder me af te vragen of het wel uitkomt. Tot zij zegt: ‘Schat, ben je over tien minuten thuis? Zullen we dan verder praten?’

Ik kan me dit werk niet voorstellen zonder een stabiel huwelijk. Maar, nee, eenzaam is het nooit.’

Een echte marathonloper loopt door de pijn heen. ‘Ja. Ik zie het als een spel, ik ben te veel socioloog om me te laten meezuigen in allerlei processen tussen mensen. Mijn methode is: niet provoceren, adaptief zijn. Denken: dat heb je nu al tien keer gezegd. En zeggen: ‘Ik ben blij dat je die kritiek uit.’ Ik blijf bestuurlijk. Ruzie maak ik alleen met mijn meerderen, nooit met de redactie. Zij moeten de krant maken. Ik heb wel adjuncten gehad die als een razende recht op hun doel afgingen. Van wie ik wist: je hebt gelijk, maar de manier waarop je er probeert te komen is niet handig. Ik probeer zo lang mogelijk alles heel te houden. Voor je het weet vliegt de vlam erin of ontploft alles en ontstaat er zoveel negatieve energie dat je je plan niet kunt uitvoeren.’

Heeft u dat ooit meegemaakt? ‘Ik heb wel eens een plan tijdelijk moeten terugtrekken. Wie hoofdredacteur van de Volkskrant wil zijn, moet snappen hoe je politiek bedrijft. Er zitten daar 250 mensen, waterdragers, ruggengraatmensen, excellente mensen, overgetalenteerde eigenwijsneuzen, ik wil er voor iedereen zijn. Een krant leiden, is Tweede Kamertje spelen. En alleen omdat ik de regels van het spel denk te doorgronden, omdat ik er nooit helemaal gestrekt inga, maar erboven blijf hangen, heb ik kunnen overleven. En met mij de krant. Want er zijn nogal wat kranten gesneuveld de laatste jaren. Ik heb de obsessieve neiging in balans te blijven, zowel privé als op de krant. En ik weet dat men me soms besluiteloosheid verwijt. Dat is de andere kant. Ik ben niet de man van de vuist op tafel.’

Geen visionair. ‘Nee, niet altijd.’

De herder die de kudde bij elkaar houdt. ‘Die rol vervul ik graag.’

U kookt elk jaar voor de redactie. ‘Ja. Hou op. Ja.’

En u stuurt kaartjes met verjaardagen en geboorten. ‘Ja.’

Maar toen u de beste wilde worden in 1995, had u toch iets groters voor ogen? ‘Ik wilde van de Volkskrant een soort International Herald Tribune maken.’

U bent geliefd, heel goed in persoonlijke contacten. Is dat de reden waarom u zich vijftien jaar lang onder zware omstandigheden kon handhaven? Vanwege uw vermogen mensen aan u te binden? En was u misschien dichter bij de Herald gekomen als u meer uw zin had doorgedreven?’ ‘Jij zegt dat we er niet zijn gekomen. Maar ik vind dat we er met de komst van het tabloid zeker niet vanaf zijn geraakt. Laat ik het bescheiden zeggen: het is een mooi product geworden. We hebben er lang over gedaan, maar ik ben er trots op. En wat dat geliefd zijn betreft: dat vind ik moeilijk. Ik functioneer goed in een omgeving waarin mensen goed met elkaar overweg kunnen. Dat is ook een valkuil. Dat besef ik wel, hoor. Maar het hoort bij me. Pieter, de man van het draagvlak noemen ze me. De zorgende Broertjes. Dat heb ik van mijn moeder. Met opportunisme heeft dat allemaal niet te maken, wel met pragmatisme.’

Uw vader was generaal der Cavalerie. In hoeverre lijkt het leiden van een leger op het leiden van redactie? ‘O, heel veel. De krant is een trechter. Je begint elke dag met blanco pagina’s. Dan is het kiezen, kiezen, kiezen en tegen het eind van de dag wordt de besluitvorming steeds militaristischer. Dan wordt er niet meer geluld, dan is het bam, bam, bam. Mijn vader zei altijd: ‘Je hebt twee typen generaals. Troepengeneraals en papieren generaals. De papieren generaals staan hoger in de hiërarchie en bepalen de strategie. Mijn vader was een troepengeneraal. Van hem heb ik geleerd dat je altijd op goede voet met je mensen moet blijven, want met hen moet je de oorlog winnen. Ik heb hem aan de telefoon ruzie horen maken met zijn meerderen, de papieren generaals, over bureaucratische beslissingen die hij niet accepteerde, omdat hij het voor zijn mensen opnam. Zoals hij honend zei: ‘Die tekentafelgeneraals hebben nooit duizend man langs vijandige linies door een vallei geleid. Ja, van mijn vader heb ik veel geleerd.’

Welke vallei was dat? ‘In Duitsland, tijdens de Koude Oorlog. Hij zat altijd in Duitsland wegens de dreiging van de Russen. En wat ik bijzonder vond en altijd heb onthouden: hij werd nooit ontslagen hoezeer hij ook tegen zijn superieuren tekeerging. Zo veel ontzag hadden ze voor hem.

‘Ik ben al die jaren een vechthoofdredacteur geweest. Wat ik niet heb overleefd! Acht uitgevers, een economische crisis... Dat ik niet door het putje ben gespoeld! Als je je dat zou realiseren, zou je wel wat meer respect voor me hebben.’

Respect? Is dat waar u op uit bent? Van wie wilt u respect? ‘Toen ik hoofdredacteur werd, belde ik mijn moeder en zei: ‘Ik ben hoofdredacteur van de Volkskrant geworden en dit is het wel zo’n beetje. Hoger kom ik niet.’ Mijn ouders vonden het vreselijk dat ik bij die linkse krant werkte, maar ik heb altijd gedacht: geef mij de tijd, ik word dan weliswaar geen notaris of arts zoals jullie willen, maar uiteindelijk kom ik met iets voor de dag waardoor jullie weer trots op me kunnen zijn.’

Je zou kunnen zeggen dat u met uw hoofdredacteurschap uw vader heeft willen laten zien dat u net zo’n goede generaal bent als hij. ‘Dat speelt zeker een rol.’

En vanaf deze zomer zit de troepengeneraal zonder troepen. ‘Ja.’

Op welke leeftijd realiseerde u zich dat u sterfelijk was? ‘Sterfelijk? Daar heb ik nooit moeite mee gehad. Ik zei vroeger altijd tegen mijn vrouw dat ik zeker wist dat ik niet ouder dan 40 zou worden. Ik ben een hypochonder; de laatste keer dat ik dacht dat ik kanker had, is niet zo lang geleden. Maar of je daarmee mijn gedrevenheid en ernst kunt verklaren?’

Gedrevenheid? Als iemand zich zo identificeert met de krant, is dat geen gedrevenheid, maar liefde. ‘Zeker.’

Als u uw relatie met de Volkskrant met een huwelijk zou vergelijken? ‘Wanneer ben ik dan bedrogen? Is dat wat je wilt weten?’

In een huwelijk leunt vaak een van de partners zwaarder op de ander dan andersom. Houdt u meer van de krant of houdt de krant meer van u? ‘De krant kan zeker zonder mij. Of ik zonder de krant kan, moet nog blijken. Dat durf ik nu nog niet te zeggen.’

Maakt u zich zorgen? ‘Ja. Daar maak ik me wel zorgen over.’

Waar bent u bang voor? ‘Voor dat zwarte gat natuurlijk. De teller gaat weer op nul. Ik was hoofdredacteur van een grote kwaliteitskrant. Dat kan ik. Dat kun je mij wel toevertrouwen. Zonder al te veel gedoe en al te veel gezeur krijg ik dat voor elkaar. Dat is leuk om te weten. Dat geeft zelfvertrouwen. Maar wat kan ik eigenlijk nog meer? Wie ben ik zonder de krant? Ik sluit naast vijftien jaar hoofdredacteurschap ook dertig jaar journalistiek af.’

Iemand vertelde me dat u ooit, toen u eens een andere baan overwoog, een terugkerende droom had over een kamer die u toegewezen werd waarvan de sleutel weg was. En niemand die daarna ooit nog wat van Pieter Broertjes vernam. Is dat een angst, te verdwijnen in vergetelheid? ‘Ik moet nog maar zien dat ik opnieuw iets voor elkaar krijg, ik weet nog niet precies wat ik ga doen en ik ben licht faalangstig.’

Faalangst die u de baas blijft met toewijding en ernst? ‘Wat Cohen overkwam, bepaalde cijfers van een dossier niet kennen, zou mij nooit overkomen.’

Maar is een vak als het uwe juist niet gebaat bij wat meer creativiteit? Ontstaan de mooiste dingen niet bij een zekere roekeloosheid? ‘Misschien is dat zo. Maar de kranten zaten in zwaar weer, het was niet de tijd voor luchtigheid. En je zult maar een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Basta! Om prins Bernhard maar eens te citeren. Daarbij: die passie waar jij het over hebt, die hartstochtelijke wens het verschil te maken, krijgt alle kans in mijn liefde voor primeurs, voor nieuws. Ik kan buitengewoon opgewonden raken wanneer de Volkskrant een nieuwsfeit eerder heeft dan een andere krant.’

Echt? Haha. ‘Vind je dat kinderachtig? Jan Blokker heeft ooit gezegd: ‘Journalisten zijn de notulisten van de geschiedenis.’ Dat is waar het om gaat, waarvan ik me voortdurend bewust ben als krantenmaker. Als ik op een receptie ben, en dat ben ik nogal eens, houd ik altijd mijn oren open. En niet zelden hoor ik iets waarvan ik onmiddellijk de chef binnenland of de chef economie op de hoogte stel. De DSB was de ultieme primeur, het nieuws kwam tot mij via het informele circuit en wij kopten de volgende dag: ‘DSB aan een zijden draad.’ Als enige! Ja, dat zijn de momenten van euforie.

‘Bij rampen als de moord op Fortuyn of de aanslag op het World Trade Center, ben ik me die rol van historisch notulist ook zeer bewust. Met de keuze voor een foto op de voorpagina, bepaal ik hoe de lezer zich later die ramp zal herinneren. Die mensen die van de Twin Towers sprongen, vlinderden bijna. Veel redacteuren vonden het een te gruwelijk beeld. Maar ik zei: ‘Dat wordt een icoon.’ Die man die rechtstandig naar beneden viel; ik kan zijn silhouet nog uittekenen. En de foto van Pim Fortuyn, languit op de grond, is dat sensatie, populisme, niet passend bij de Volkskrant? Daar heb ik een paar uur over nagedacht, ik heb overlegd, en uiteindelijk is het: ‘Zeg het maar, Pieter, wat doen we?’ Ik heb hem afgedrukt en ik ben er trots op. Alleen Ruben, dat had ik niet moeten doen. Dat jongetje in dat bed, na de vliegramp in Tivoli, was te particulier. Die beslissing heb ik te snel genomen.’

Waarvan heeft u nog meer spijt? ‘Spijt is een groot woord. De omstandigheden waaronder ik vijftien jaar geleden begon verschillen als dag en nacht met die waaronder ik nu stop. Ik dacht dat het makkelijker zou worden na verloop van jaren, maar het tegendeel was waar.

‘Als je me vijftien jaar geleden gezegd zou hebben dat we op tabloid zouden verschijnen, zou ik voor gek hebben verklaard. Nieuws moet groot gebracht worden. Maar ja, toen kwam de economische crisis en toen waren we gewoon verloren.

‘De overname door Apax in 2004, daar had ik ook niks over te zeggen, dat gebeurde dan. In plaats van dat er geld binnenkwam, vloog er geld uit. Dat heeft ons geweldig op achterstand gezet. Ik zou willen dat ik achteraf meer van de daken had geroepen: ‘Jongens, dit moeten we stoppen, dit is een groot misverstand.’ We hadden ze moeten tegenhouden. Apax heeft de boel leeggeroofd voor 200 miljoen, daar had ik nu vier nieuwe persen voor kunnen kopen, zodat we de krant op het iets grotere Berliner-formaat hadden kunnen gaan drukken, wat ik veel liever had gewild. Dat kan nu alleen op zaterdag.’

U bent faalangstig, zegt u. ‘Enigszins faalangstig, hè. Kijk uit.’

Afgezien van uw vader, aan wie wilt u laten zien dat u iets kan? ‘Ik hield zielsveel van mijn vader, maar een schouderklopje heb ik bijna nooit van hem gehad. Nee. Ik herinner me een voorval uit het begin van mijn loopbaan. Ik was begin 30 en net in dienst van de krant. Ik had lang haar, hoge ambities, wilde de wereld redden en het armoedeprobleem oplossen, en ik schreef over ontwikkelingssamenwerking. Op een dag was ik op een bijeenkomst van de PvdA toen er ineens werd omgeroepen: ‘Wil Pieter Broertjes zich bij de balie melden.’ Ik schrok, was bang dat iemand me op een fout betrapt had. Helemaal toen mij verteld werd dat Den Uyl me wilde spreken. Het bloed vloog naar mijn wangen. Den Uyl! De tegenpool van mijn vader, mijn idool, een socialist. Ik werd naar hem toe gebracht in zo’n rokerig zaaltje. Hij zei: ‘Zo, dus u bent Pieter Broertjes.’ In zijn mond een kleine sigaar, rook kringelde om zijn lippen, toen hij zei: ‘U schrijft heel goed over ontwikkelingssamenwerking, ik lees uw stukken altijd. Ik hoop dat u daar nog lang mee doorgaat.’

Wat antwoordde u? ‘Ik weet het niet. Ik had geen woorden, maar nu ik eraan denk, ben ik opnieuw geëmotioneerd. Langer dan vijf minuten duurde onze ontmoeting niet, maar die ene opmerking heeft me voor jaren energie gegeven.’

Den Uyl is al heel lang dood. ‘Ja. Twee jaar later stierf hij. Mijn vader leeft ook niet meer.’

Van wie krijgt u nu een schouderklopje? ‘Mijn 23-jarige zoon Bas.’

Van uw zoon? ‘Hij belt vaak. Dan zegt hij: ‘Piet, je hebt potverdorie weer een geweldige krant gemaakt.’

Meer niet? ‘Meer niet. Alleen die woorden. ‘Je hebt weer een geweldige krant gemaakt.’ Als ik hem dat hoor zeggen, ben ik gelukkig.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden