Wetenschappers die vergeten mens te zijn

In de namiddag van 22 april 1915 stond in een loopgraaf aan de Duitse zijde van de linies bij Ieper een gezelschap bijeen, dat in alle opzichten historisch mag heten....

In de eerste plaats om wat het Pionierkommando 36 daar precies deed. Toen het bevel tot aanvallen klonk, draaiden de in gasmaskers gehulde figuren de kranen open van 5730 cylinders met vloeibaar chloor, elk van tweehonderd pond inhoud. Binnen tien minuten dreef op de zwakke oostenwind een anderhalve meter hoge deken van groengeel gas richting geallieerde greppels aan de overkant van het front, waar een Algerijnse divisie van het Franse leger was ingegraven.

De gevolgen waren spectaculair. De Franse militairen die niet ter plekke stikten, vluchtten weg velen blind en bloedend uit neus en mond met achterlating van vijftig stukken geschut. Duitse infanteristen staken na enige tijd ongehinderd het niemandsland over en namen de geallieerde stellingen in, zonder dat er Duits slachtoffer viel. Gas was een wonderwapen, concludeerde het Duitse opperbevel uit de proef.

Maar ook in andere opzichten, schrijft historicus John Cornwell van Cambridge University in zijn boek Hitler's Scientists, was het een historisch gezelschap, daar in Ieper. Leider van het commando was de Berlijnse chemicus Fritz Haber, die in 1920 een Nobelprijs zou ontvangen voor zijn ontdekking van de kunstmest. Onder hem ressorteerden verder ook James Franck, Gustav Hertz en Otto Hahn, die respectievelijk in 1925 en in 1944 (Hahn) Nobelprijzen voor het een of ander zouden ontvangen. Dat gas, zeiden ze later ter verdediging, had het einde van de oorlog bespoedigd en in feite vele duizenden doden voorkomen.

Vooraanstaande academici dus, die met eigen handen en bij wijze van experiment honderden soldaten de dood injoegen. En die daarna als gerespecteerde geleerden gewoon grote internationale prijzen mochten ontvangen. Hahn zelfs in een periode dat zijn vaderland een gruwelijke wereldoorlog had ontketend.

In die toekenningen van Nobelprijzen, suggereert Cornwell, zit ook het begin van een antwoord op de vraag hoe de Duitse wetenschap zich tussen 1933 en 1945 zo verregaand tot onderdeel van Hitlers moordmachine kon ontpoppen. Omdat, is zijn conclusie, wetenschappers de laatste eeuw is afgeleerd dat ze in de eerste plaats een mens zijn en pas daarna een geleerde.

Dan kunnen artsen onder het mom van degelijk wetenschappelijk onderzoek krijgsgevangenen doodmartelen en verminken, kunnen genetici sterilisatie en uiteindelijk euthanasie op gehandicapten rechtvaardigen en organiseren, kunnen chemici strijdgassen ontwikkelen en op het slagveld uitproberen, kunnen ingenieurs slaven inzetten om moorddadige raketprogramma's van de grond te krijgen. Cornwells vuistdikke boek documenteert hoofdstuk na hoofdstuk de walgelijkste praktijken, die op zichzelf niet onbekend zijn, maar op den duur de verbijsterde lezer toch weer tranen in de ogen geven.

Dat wetenschappers is afgeleerd dat ze in de eerste plaats mensen zijn, is een indringende conclusie, die Cornwell ontleent aan Joseph Rotblat, Nobelprijswinnaar voor de Vrede in 1995. Rotblat is Pugwash-oprichter en de enige fysicus die in 1945 uit het Manhattan-project stapte, het Amerikaanse atoombomprogramma, toen duidelijk werd dat de Duitsers geen atoombom hadden. Zonder dat motief kon hij het werken aan een massavernietigingswapen niet voor zichzelf verantwoorden. Het argument dat de atoombommen op Japan een eindeloos bloedbad in Aziadden voorkomen, noemde hij later pervers.

Het is geen toeval dat Cornwell zijn verhaal over de wetenschap in nazi-Duitsland al kort na het begin van de twintigste eeuw laat beginnen. Duitsland gold rond die eeuwwisseling als de wetenschappelijke supermacht bij uitstek, bron van nieuwe inzichten en theorie van processen en technieken. Teams van wetenschappers gaven de Duitse industrie enorme innovatieve voorsprong.

Met de Eerste Wereldoorlog ging veel van dat prestige verloren, en bovendien brachten de wurgende voorwaarden van de Vrede van Versailles niet alleen Duitsland als land, maar ook de Duitse wetenschap in grote problemen. Ook veel gefrustreerde Duitse academici koesterden daardoor in de jaren dertig, toen Hitler aan zijn opmars begon, een enorme wrok.

Cornwell laat nauwkeurig zien hoe het nazisme zelf de zo vooraanstaande Duitse wetenschap verziekte, uit elkaar scheurde en liet ontaarden in politiek correcte pseudowetenschap. Over de omvang van de teloorgang is Cornwell niet erg specifiek, maar de verhalen over de top zijn al verbijsterend genoeg. Joden en progressieve academici werden ongeacht hun statuur ontslagen of weggepest, en hun posities ingenomen door baantjesjagers met de juiste partijpapieren. Een ware uittocht van talent was het gevolg.

Bij dat proces speelden twee Duitse Nobelprijswinnaars een verbijsterend prominente rol: Philipp Lenard (1905) en Johannes Stark (1919). Gedreven door antisemitisme voerden ze fanatieke lastercampagnes tegen joodse geleerden, tot aan de toen al wereldberoemde Albert Einstein toe. Bovendien hamerden zij onvermoeibaar op het idee dat abstracte theorieals relativiteit en quantummechanica, ongezonde joodse bedenksels waren.

Daarin gingen ze zelfs zo ver dat ze de op en top patriottische quantumpionier Werner Heisenberg (Nobelprijs 1932) een 'witte jood' noemden. Heisenberg was geen nazi, maar wilde door te blijven de wetenschap in zijn vaderland redden van de totale ondergang. Hij bleef, paste zich aan, negeerde de misstanden die hij om zich heen moet hebben gezien.

Hitler benoemde hem uiteindelijk tot hoofd van het Duitse atoombomprogramma. Al leek de F zo weinig belangstelling voor wetenschap en techniek te koesteren dat hij academici liever naar het front stuurde om te vechten dan ze op hun werkelijke talenten te gebruiken. Zelfs van nieuwlichterij als het raketprogramma van Werner von Braun in Peenem volgens Cornwell het Duitse Manhattan-project, had hij geen hoge pet op.

Na de oorlog is altijd onduidelijk gebleven waarom Heisenberg uiteindelijk faalde in de bouw van een Duitse atoombom. Had hij de boel uit nobele motieven getraineerd en zelfs gesaboteerd? Of was het incompetentie, van hem persoonlijk en van de uitgemergelde Duitse wetenschap?

Cornwell weegt Heisenbergs uitlatingen na de oorlog en al het andere bewijsmateriaal, en concludeert dat Heisenberg de bom zou hebben gebouwd als hij ertoe in staat was geweest.

Daar is, luidt zijn sombere stelling, namelijk niets specifiek Duits of nazistisch aan. In de Koude oorlog bouwden in Amerika en in Rusland geleerden uit landsbelang gewoon mee aan onafzienbare arsenalen gruwelwapens en deden ze net zo goed experimenten op weerloze mensen, van gevangenen in de Goelag tot eilandbewoners in de Pacific, testgebied voor waterstofbommen.

Wetenschappers, waarschuwt Cornwell, hebben minder dan ooit een eigen gezicht. 'Mede als gevolg van de groei van Big Science onder auspicivan de staat, de industrie en de militairen sinds 1940.' Een belangrijk geluid, nu de wereld volgens sommige wereldleiders opnieuw in een oorlog verwikkeld is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.