Achtergrond Wetenschappelijke bureaus

Wetenschappelijke bureaus van politieke partijen: van denktanks tot propagandamachines

Patrick van Schie, directeur van het wetenschappelijke bureau van de VVD. Beeld Freek van den Bergh/de Volkskrant

Ze zijn het brein, misschien wel het geweten, van de politieke partijen. Althans, dat zouden de wetenschappelijke bureaus moeten zijn. Maar grote ideeën en kritiek op het beleid worden door de partijleidingen steeds minder op prijs gesteld.

Patrick van Schie heeft een nette, ruime werkkamer. De grijze leren stoelen rond de koffietafel zijn wat ouderwets, vooruit, maar je zakt er wel lekker in weg. Langs de muren staan boekenkasten met daarin het liberale gedachtengoed dat hem dagelijks inspireert. John Locke, Adam Smith, John Stuart Mill. De koffie wordt Van Schie gebracht. Een wolkje melk? Natuurlijk. Zo bezien heeft de directeur van de Teldersstichting, het in 1954 opgerichte wetenschappelijk bureau van de VVD, het prima voor elkaar.

Toch had Van Schie hier liever niet gezeten. Tot 2015 zetelde zijn bureau aan de Koninginnegracht in Den Haag. Nu vindt hij zich terug op de derde etage van het partijkantoor van de VVD aan de Mauritskade. Wie de trap naar boven neemt, passeert meermaals de in foto’s vereeuwigde grijns van partijleider Mark Rutte. De verhuizing was nadrukkelijk niet de keuze van Van Schie. ‘Het partijbestuur vond dat de contacten tussen partij en bureau intensiever moesten.’

Of dat een eufemisme is voor het vergroten van de greep op de liberale Teldersstichting, die soms de partij onwelgevallige standpunten inneemt? Van Schie: ‘Die indruk kan de buitenwacht zeker krijgen.’

Ideologische slijpsteen

Ze verschijnen zelden in kranten of op tv – en dus zullen weinig kiezers hun namen kunnen opdreunen. Toch gaan wetenschappelijke bureaus als de Teldersstichting er prat op de ideologische slijpsteen van hun politieke partij te zijn. Als de Haagse politici druk zijn met de waan van de dag, proberen de bureauwetenschappers – het zijn er vaak niet meer dan een handjevol – de inhoudelijke koers van de partij te bewaken. Meer dan het hart van de partij vormen zij het brein, misschien wel het geweten.

Wijkt de PvdA op het Binnenhof af van de sociaal-democratische lijn, dan kan de aan die partij gelieerde Wiardi Beckman Stichting daarover een kritisch rapport schrijven. Partij en bureau kunnen dan stevig botsen. Wim Kok werd er als PvdA-premier haast wanhopig van. ‘Soms zou ik de Wiardi Beckman Stichting wel eens willen uitlenen aan de concurrerende partij’, sprak hij eens na scherpe kritiek op zijn regeringsbeleid. ‘Maar soms heb ik ook wel het gevoel dat dat zonder mijn medeweten al gebeurd is.’

Recenter, in 2013, uitte toenmalig bureaudirecteur Monika Sie kritiek op het regeerakkoord dat PvdA-partijleider Diederik Samsom sloot met de VVD. Stoppen met versoberen, was de conclusie van het rapport, waarvan de inhoud op gespannen voet stond met het regeringsbeleid. De Teldersstichting schreef in datzelfde jaar kritisch over het democratisch tekort bij haar eigen VVD. Leden moesten meer invloed krijgen op het beleid, bijvoorbeeld door voor of tegen een regeerakkoord te kunnen stemmen.

En de denktanks doen meer dan kritische rapporten tikken. Zo organiseren ze debatten en symposia en schrijven ze mee aan verkiezingsprogramma’s. In potentie is hun macht groot. Lichtend voorbeeld is het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Jan Peter Balkenende en Ab Klink, de latere respectieve premier en minister van Volksgezondheid, schaafden als medewerkers van het bureau in de jaren negentig aan de moderne CDA-koers. Meer verantwoordelijkheid voor de burger, de overheid terughoudend.

Subsidie

Voor hun werk krijgen de denktanks subsidie van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De hoogte hangt af van het aantal Kamerzetels van de partij waar het bureau aan verbonden is. Dit jaar bedraagt de subsidiepot 3,2 miljoen euro: het bureau van de kleinste partij in de Tweede Kamer, Forum voor Democratie, krijgt daar zo’n 150 duizend euro van, dat van de grootste partij, VVD, bijna 550 duizend.

Ondanks de directe link met de partijen zijn de bureaus als stichtingen onafhankelijk – althans, op papier. Ze zijn er voor, maar ze zijn niet ván de politieke partij. Hun subsidies lopen weliswaar via de partij, maar de partij is verplicht om de bureausubsidie in z’n geheel aan het bureau over te maken. Zo hoeven de denktanks bij het uitbrengen van een streng rapport niet te vrezen voor financiële wraak.

In februari hield een commissie van politiek deskundigen de financiering van de politieke partijen tegen het licht. In hun advies, waar minister Ollongren na de zomer inhoudelijk op zal reageren, stelden zij voor het schot tussen de subsidies van de partij en het wetenschappelijk bureau in stand te houden. De andere optie is het verdelen van het subsidiegeld overlaten aan het eigen inzicht van een partij.

‘Maar maak je een lumpsum over aan de partijen, dan bestaat de kans dat zij het geld dat bedoeld is voor het bureau gaan gebruiken voor bijvoorbeeld een verkiezingscampagne’, zegt commissielid Gerrit Voerman. ‘Wij vinden het werk van de bureaus dusdanig belangrijk dat we zoiets willen voorkomen.’

Minder onafhankelijk

Het schot in de subsidiestroom heeft echter niet kunnen voorkomen dat de bureaus zich anno 2018 minder onafhankelijk (kunnen) opstellen. ‘Zoals ik het zie, is de afstand tussen de politieke partijen en de wetenschappelijke bureaus kleiner geworden’, zegt Voerman, die zich als hoogleraar aan de Universiteit Groningen bezighoudt met het Nederlandse partijstelsel. ‘Partijen zijn tegenwoordig minder geporteerd van een al te onafhankelijk en kritisch bureau. Interne partijdiscussies worden in de media al snel uitgemeten als ruzies. Partijen staan niet te trappelen om die negatieve publiciteit.’

‘De partijleiding trekt steeds meer macht naar zich toe’, ziet ook André Krouwel, politicoloog aan de Vrije Universiteit. ‘Zeker bij de VVD is dat het geval. Het laatste wat zo’n partijtop zich wenst, is een of ander clubje dat lastige dingen roept. Terwijl die kritiek juist nodig is om de partij scherp te houden.’

En, zegt Krouwel: zonder scherpe partijen geen scherpe democratie. Juist in een ontzuilde samenleving als de Nederlandse snakken kiezers naar een heldere politieke visie. Een groter verhaal. De bureaus, stelt Krouwel, zijn in theorie geschikt om zo’n visie te formuleren. Toch lukt ze dat in de praktijk niet. ‘Partijen hebben enorm functieverlies geleden’, aldus Krouwel. ‘Het ontbreekt de partijen aan intern debat. En de wetenschappelijk bureaus, die dat debat kunnen aanzwengelen, zijn zwak of onzichtbaar.’

Interne discussie

Op de bovenste verdieping van het partijkantoor van de VVD onderschrijft Van Schie, sinds 2001 directeur van de Teldersstichting, het belang van interne discussie. ‘Meningsverschillen zijn gezond. Als er binnen een partij geen debat over de inhoudelijke koers is, betekent dat natuurlijk niet dat iedereen het volledig met elkaar eens is. Het betekent dat sommige meningen niet worden gehoord.’

Ook Van Schie ziet dat de partijdiscipline ‘in z’n algemeenheid’ is toegenomen. Bij de VVD wijt hij dat aan het feit dat de partij sinds 2010 non-stop de grootste coalitiepartij is. ‘Sommige VVD-politici laten ons in het voorbijgaan merken dat ze niet zo gelukkig zijn met de dingen die we naar buiten brengen.’

Als voorbeeld noemt Van Schie het rapport uit 2013 waarin zijn stichting voorstelde om VVD-leden meer inspraak te geven. ‘Het hoofdbestuur was not amused over de inhoud van het rapport. Blijkbaar hadden we moeten opschrijven dat de andere partijen niet deugen, terwijl hier alles fantastisch gaat.’

Met de verhuizing naar het partijkantoor in 2015 nam de afstand tussen de VVD en de Teldersstichting ook fysiek af. Het samenwonen kwam er op initiatief van het partijbestuur, toen nog gerund door de inmiddels afgetreden voorzitter Henry Keizer. Dat Van Schies eigen curatorium (het bestuur van het bureau met aan het hoofd de voorzitter) met de verhuizing instemde, werd door critici uitgelegd als ‘kadaverdiscipline’ en angst om tegen de partijlijn in te gaan.

Begrijpen kan Van Schie de verhuizing nog steeds niet, ook omdat hij nu veel duurder uit is. Zat de Teldersstichting eerst in een reeds afbetaald koophuis, nu is de directeur jaarlijks 35 duizend euro kwijt aan huur. Geld dat in de partijkas van de VVD verdwijnt. Van Schie: ‘Dat vind ik dus geen goede zaak.’

Allergisch voor kritiek

Sinds 1945, het jaar waarin de eerste van de nog bestaande wetenschappelijk bureaus het licht zagen, is het altijd zo geweest dat het ene bureau zich onafhankelijker opstelt dan het andere. De denktanks van VVD en PvdA durven historisch gezien het sterkst een eigen koers te varen. Ook de Wiardi Beckman Stichting van de PvdA heeft het echter moeilijk, vooral dankzij de grote nederlaag bij de laatste verkiezingen. Het jaarlijks budget valt daardoor 350 duizend euro lager uit. Van de zeven bureaumedewerkers zijn er nu nog drie over.

Klara Boonstra, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijke bureau van de PvdA. Beeld Freek van den Bergh/de Volkskrant

‘Je wil ondanks de klap van de verkiezingsnederlaag mooie dingen blijven doen’, zegt Klara Boonstra, directeur van de Wiardi Beckman Stichting. ‘Dus we hebben een constructieve band met de PvdA.’

Volgens Paul Kalma, tussen 1989 en 2006 directeur van de ‘WBS’, heeft het bureau weinig in de melk te brokkelen. ‘De PvdA-leiding is al decennialang allergisch voor kritiek van het bureau, maar dat is met de jaren alleen maar toegenomen.’ Een ‘zeer zorgelijke ontwikkeling’, vindt Kalma. ‘Zelfs na de verkiezingsnederlaag denkt men binnen de partij niet na over hoe het verder moet. Het ontbreekt aan ideeën, en niet alleen bij de PvdA. Het belang van de politieke idee verwatert overal. Welke partij regeert, maakt nog nauwelijks wat uit.’

Aan de andere kant van het spectrum van wetenschappelijke bureaus zit van oudsher de SP. Haar bureau is onderdeel van de partij en levert praktische rapporten af, bijvoorbeeld over de positie van vrachtwagenchauffeurs. Dwarsliggen over de koers zal niet snel bij de SP-wetenschappers opkomen.

De bureaus van de andere partijen bevinden zich traditioneel tussen die twee uitersten in. Kritiek mag, maar wel ‘constructief’. Toch heeft ook het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, de belangrijkste vertegenwoordiger van deze middengroep, volgens oud-directeur Ab Klink aan belang ingeboet.

‘Het instituut speelde lange tijd een belangrijke rol binnen het CDA’, zegt Klink, die tussen 1984 en 1992 als medewerker en van 1999 tot 2007 als directeur op het bureau werkte. ‘We formuleerden een alternatieve agenda. Dat lukt het Instituut nu minder, zoals ook de rol van de bureaus van andere partijen kleiner is geworden. Door de versplintering van het politieke landschap ontbreekt het de bureaus aan de benodigde subsidie.’ Het gevolg, legt hij uit, is dat de partijen te weinig denken aan de vraagstukken van overmorgen en te veel aan de sores van vandaag. ‘Dat moet de kiezer zorgen baren.’

Nieuwkomers

Fier hangen de banieren van Forum voor Democratie langs de muren van De Rode Hoed in Amsterdam. Ruim vierhonderd partijleden en andere geïnteresseerden komen op een lenteavond in het debatcentrum bijeen voor een lezing van de Britse Europarlementariër en Brexiteer Dan Hannan, een graag geziene gast in eurosceptisch Europa. Na afloop van de lezing, voorgelezen vanaf een katheder met daarop de naam van FVD, liggen op een lange tafel pennen, mokken, sjaals en inschrijfformulieren van de partij klaar. Bezoekers verdringen zich voor een handtekening van Hannan én FVD-leider Thierry Baudet.

Dat het hier niet gaat om een evenement van FVD, maar van het daaraan gelieerde Renaissance Instituut, is alleen op te maken uit de uitnodiging en het inleidende praatje van professor Paul Cliteur. Op de vraag of dit nu de eerste activiteit van het wetenschappelijk bureau is, aarzelt de voorzitter even.

‘Vorig jaar organiseerden we ook al winter- en zomerscholen’, zegt Cliteur eerst, een biertje in zijn hand. ‘Of droegen die scholen toen nog de naam van de partij? Ach ja, dat loopt ook in elkaar over.’

Relatief nieuw in de wereld van de wetenschappelijke bureaus zijn die van 50Plus, Denk en Forum voor Democratie. Het prille bestaan van deze partijen maakt het lastig om intern weerwoord te organiseren: in alle gevallen zitten de partijoprichters nog aan de knoppen. Wie durft het op te nemen tegen de mannen die het politieke avontuur nota bene begonnen? Desondanks beschikken de drie partijen over een eigen wetenschappelijk bureau. Jaarlijks strijken zij ieder zo’n 150 duizend euro subsidie op.

Visie scheppen

In een telefonisch gesprek, een week na de lezing in de Rode Hoed, hoort bureauvoorzitter Cliteur dat bedrag voor het eerst. ‘De partij doet de financiën.’ Hij somt een paar activiteiten van het Renaissance Instituut op: zo betaalt het bureau voor een onderzoek naar de ware kosten van massa-immigratie van antropoloog Jan van de Beek en organiseert het vanaf dit jaar dus lezingen en winter- en zomerscholen.

‘Een wetenschappelijk bureau moet de partij helpen bij het scheppen van een visie met een zekere consistentie’, zegt Cliteur. ‘Er moet een filosofie worden ontwikkeld.’ Dat is iets anders dan de partij bijsturen als het in de Tweede Kamer de verkeerde kant op gaat. ‘Het belang van een onafhankelijk bureau kan ook worden overschat. Zo’n lezing van Dan Hannan mag je van mij gerust een partijdag noemen. Maar dan wel eentje waarop de lange termijn centraal staat, en niet het alledaagse werk.’

Het Wetenschappelijk Bureau van 50Plus kwam in 2013 in opspraak toen bleek dat zo’n 85 procent van de subsidie rechtstreeks naar opiniepeiler Maurice de Hond ging. Nog steeds gaat veel van het geld naar universitaire onderzoeksgroepen én soms commerciële onderzoeksbureaus, zegt voorzitter Richard de Mulder. Zijn bureau wordt gerund door vrijwilligers en één professionele kracht, die één dag in de week werkt. Een directeur is er niet. Bij het bureau van 50Plus zwaait de voorzitter de scepter.

Richard de Mulder, de voorzitter van het wetenschappelijke bureau van 50Plus. Beeld Freek van den Bergh/de Volkskrant

‘We zijn nog erg jong’, verklaart De Mulder, die eind vorig jaar nog een stevig rapport over de voor 50Plus tegenvallende verkiezingsuitslag schreef. Dat rapport, bedoeld voor intern gebruik, kwam via NRC op straat te liggen. De Mulder zegt dat de onafhankelijke positie van het bureau hem heilig is, al begrijpt niet iedereen binnen 50Plus die houding. ‘Soms vragen ze me voor peilingen te betalen die de partij wil laten uitvoeren. Zulke druk is er vaker, maar daar hoeven we nog niet naar te luisteren.’

Denk

Onder de nieuwe partijen springt de bezetting op het bureau van Denk, Statera, het meest in het oog. Voorzitter van Statera is Selçuk Özturk, ook voorzitter van de partij Denk én Tweede Kamerlid. Gladys Albitrouw, Denk-penningmeester en nauw betrokken bij de Tweede Kamer-fractie, is de directeur.

Die rolverdeling is opvallend. Eind 2016 verontschuldigde Stephan van Baarle, destijds directeur van Statera én beleidsmedewerker van de Haagse fractie, zich al tegen De Groene Amsterdammer voor zijn eigen dubbelrol. ‘Dat is natuurlijk geen gelukkige situatie. Een wetenschappelijk bureau moet op een bepaalde kritische afstand staan. Maar op het moment kan het even niet anders.’ Als reden gaf Van Baarle de beperkte financiële armslag. ‘We hebben als afsplitsing nu eenmaal nog weinig middelen.’

Die middelen zijn er anderhalf jaar later wel. Wetenschappelijk bureaus krijgen 80 procent van hun subsidie als voorschot aan het begin van het jaar. Bovendien ontving Statera in 2017 ook al bijna 100 duizend euro aan subsidie. Wat het bureau met dat geld uitricht, is onduidelijk: tot op heden is het enige zichtbare resultaat een voorlichtingsvideo van twee minuten over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv). Aansluitend organiseerde Statera in maart een informatie- en discussiebijeenkomst over deze zogenoemde sleepwet. Ondanks herhaaldelijke verzoeken reageerden voorzitter Özturk en directeur Albitrouw niet op vragen over de projecten van Statera.

Ruimte voor interactie

Het ministerie van Binnenlandse Zaken, verklaart een woordvoerder, toetst niet inhoudelijk wat de bureaus met het geld doen. De laatste keer dat de wetenschappelijke subsidie werd teruggevorderd, was in 1986. Het bureau van de extreem-rechtse Centrum Democraten moest toen 65 duizend gulden terugbetalen omdat het geld niet aan wetenschappelijk onderzoek, maar aan propaganda-activiteiten was besteed.

Dat het schot tussen de subsidies van partij en bureau in de praktijk minder waterdicht is dan in de wet, is niet vreemd. Evenementen als masterclasses en symposia kunnen door beide organen worden georganiseerd. ‘Er moet ruimte zijn voor interactie tussen partij en bureau’, zegt hoogleraar Voerman. ‘Maar een wetenschappelijk bureau moet ook een zekere autonomie hebben. Is iemand voorzitter van zowel partij als bureau, zoals Özturk bij Denk, dan kan het bureau eerder een verlengstuk worden.’

Politicoloog Krouwel vreest dat veel van het wetenschappelijke geld voor partijpropaganda wordt gebruikt. Een wetenschappelijk bureau als het Renaissance Instituut van FVD noemt hij een ‘propagandamachine’. ‘Dat is niet de bedoeling, maar het ministerie van Binnenlandse Zaken grijpt niet in. Het is ook logisch dat de staat daarvoor terugdeinst, want het gaat hier om interne partijzaken.’

Heeft het nog wel zin om de schotten tussen de subsidies te behouden als er toch niet op de besteding wordt gelet? Is het dan niet beter als Ollongren vanaf 2019 de hele zak geld aan de partij overhandigt? Nee, zegt Voerman. ‘Daarmee zou je de ontwikkeling dat de bureaus steeds dichter op de partijen komen te staan alleen versnellen. Dan kunnen de wetenschappelijke bureaus zelfs geheel verdwijnen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.