Wetenschap kampt met geloofwaardigheid

Fraude, buigen voor opdrachtgevers, doofheid voor kritiek, onderzoekers gaan geregeld de schreef. Zegt oud-hoogleraar André Köbben, wiens tweede boek over dit onderwerp pas verscheen....

Hij heeft gelijk gekregen, constateert André Köbben tevreden. Vier jaar geleden publiceerde de 78-jarige emeritus hoogleraar antropologie samen met collega Henk Tromp het geruchtmakende boek De onwelkome boodschap. Onderzoekers laten zich geregeld te veel beïnvloeden door hun opdrachtgevers, betoogden ze met vele voorbeelden. Sceptische reacties volgden.

Eén daarvan kwam van S. J. Noorda, de voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Köbben: 'Hij zei: ''Als het vijf keer in de vijf jaar voorkomt, is het vijf keer te veel, maar toch niet iets om zoveel nadruk te geven.'' Intussen heeft het Academisch Medisch Centrum van de UvA wél een protocol opgesteld om onethisch gedrag te voorkomen. Juist omdat het te veel gebeurt en schadelijk is. Noorda's eigen universiteit logenstraft zijn woorden.'

Reden om tevreden achterover te leunen was dat echter niet. De 'advocatisering van de wetenschap', zoals Köbben het pleegt te noemen, schrijdt volgens hem nog altijd voort, hoewel hij ook toegeeft dat daarover onmogelijk precieze cijfers zijn te produceren. Hij vond ook nog vele andere valkuilen waarin een wetenschapper kan trappen bij het doen van zijn onderzoek.

En dus schreef de dwarse antropoloog het boek Het gevecht met de engel, Over verheffende en minder verheffende aspecten van het wetenschapsbedrijf (uitgeverij Mets & Schilt, ISBN 90 5330 370 7) dat afgelopen maand verscheen. Het is een bundeling geworden van essays, case-studies en herinneringen - vaak bewerkingen van eerder geschreven artikelen. Opgeteld vormen ze een reeks bespiegelingen over de ethiek van de wetenschap. Met 'vaderlijke raad', zoals de oud-hoogleraar in het hoofdstuk Doe nooit voorspellingen! schrijft.

Want advies hebben veel wetenschappers nog altijd nodig, meent Köbben. Ze weten wel dat ze in hun speurtocht naar kennis (het 'gevecht met de engel') bewust of onbewust allerlei dwaalwegen in kunnen slaan, maar daarnaar handelen is een andere kwestie. Hij constateert dat de wetenschap daardoor met een groot geloofwaardigheidsprobleem kampt.

Laatst zag hij het nog gedemonstreerd op tv bij een gesprek over de uitbreiding van Schiphol. 'Een deelnemer leunde lui achterover en zei: ik hoef al die rapporten over Schiphol niet te lezen. Vertel me wie de opdrachtgever is en ik kan je vertellen wat er ín staat.'

Hoe anders was dat een eeuw geleden. 'De mensen dachten toen dat de wetenschap De Waarheid vertelde. Die periode is voorbij. Burgers weten dat onderzoekers feilbare mensen zijn. Maar het gaat veel te ver om te zeggen, zoals sommigen doen: wat de wetenschap vertelt is maar een subjectief oordeel, een verhaal als een ander. We moeten ervoor zorgen dat we mensen door ons toedoen niet stijven in die gedachte.'

Wetenschappers kunnen op vele manieren over de schreef gaan, betoogt Köbben in zijn boek. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen fouten ten aanzien van degenen die object van onderzoek zijn en fouten ten aanzien van de normen van de wetenschap.

Bij de eerste soort fouten, zegt Köbben, gaat het om een moeilijke afweging: het belang van de wetenschap versus dat van de onderzochte personen of dieren. Een bekend voorbeeld is het gehoorzaamheidsexperiment van Stanley Milgram, uit de jaren zestig. Proefpersonen moesten van Milgram op een knop drukken als andere mensen een vraag fout beantwoordden, om ze zo een elektrische schok toe te dienen.

De schokken liepen zogenaamd op tot 450 volt - in werkelijkheid was er geen sprake van schokken. Tot ieders verrassing gehoorzaamden veel proefpersonen aan deze opdracht, hoewel meestal met merkbare tegenzin.

Het onderzoek leidde tot felle discussies. Milgram had zijn proefpersonen psychische schade aangedaan, luidde het verwijt, hij had ze beter moeten inlichten. Tegenwoordig, zegt Köbben, rust er daarom op wetenschappers een grote druk om hun proefpersonen van te voren volledig te informeren over het onderzoek.

Te veel druk, vindt hij. 'Een zekere mate van pia fraus, vroom bedrog, is soms nodig. De uitkomsten van Milgram waren buitengewoon belangrijk en de meeste proefpersonen namen het hem achteraf niet kwalijk dat ze waren bedot. Ander voorbeeld: moet je een uitkeringsgerechtigde vertellen dat je in opdracht van Sociale Zaken onderzoek doet naar de vraag of uitkeringstrekkers er wat bijverdienen? Dan zegt zo iemand zeker: nee, ik niet, ook al garandeer je anonimiteit. Dan kun je beter niet zeggen wie je opdrachtgever is.'

De antropoloog vindt niet dat hij daarmee de geloofwaardigheid van de wetenschap geweld aandoet. 'Toegegeven, het is een dilemma. Maar de medewerker van de Michelingids kondigt zich ook niet als zodanig aan wanneer hij in een restaurant gaat eten. Dat accepteert ook iedereen.'

Nee, die geloofwaardigheid wordt eerder aangetast door de andere soort fouten, die ten aanzien van de normen van de wetenschap. Köbben onderscheidt hier 'doodzonden' en 'dagelijkse zonden'.

De doodzonden kent iedereen. Het zijn gevallen waarbij de onderzoeker bedrog of plagiaat pleegt. Köbben noemt in zijn boek de Almelose neuroloog die in de jaren negentig testgegevens verzon, en recentelijk de Duitse nanotechnoloog Jan Hendrik Schön die bladen als Nature en Science haalde met uit zijn duim gezogen onderzoeksresultaten. Dergelijke affaires krijgen meestal uitgebreid aandacht in de media.

Toch wil Köbben het belang ervan niet overschatten. 'Ik denk wel dat het iets meer voorkomt dan sommigen denken, vooral omdat door de toename aan wetenschappelijke publicaties niemand meer overzicht heeft. Maar pas echt schadelijk voor de wetenschap is de accumulatie van dagelijkse zonden.'

Daarvan zijn er veel, schrijft hij in zijn boek. Want niets menselijks is de wetenschapper vreemd. Promovendi laten zich soms onder druk zetten door autoritaire professoren, geniale hoogleraren zijn vaak ontoegankelijk voor kritiek, groepen onderzoekers voeren ware loopgravenoorlogen, sommige wetenschappers laten zich te veel leiden door de tijdgeest en andere bedienen zich van ongeoorloofde retoriek om hun stellingen te verdedigen.

Daarnaast is er de zonde waarover zijn vorige boek ging: toegeven aan de druk van opdrachtgevers. 'De overheid laat jaarlijks zo'n zeshonderd evaluatie-onderzoeken doen naar haar projecten', zegt hij. 'En natuurlijk wil ze horen dat het daarmee goed gaat. De neiging is dan groot om als onderzoeker de welkome boodschap iets meer nadruk te geven dan de onwelkome, bijvoorbeeld door de eerste cursief te drukken en de tweede niet. Of door de welkome boodschap in de samenvatting, die iedereen leest, veel aandacht te geven en de tweede slechts terloops te melden.'

Op de achtergrond speelt mee dat wetenschappers steeds afhankelijker zijn geworden van onderzoek in opdracht. En niet alleen aan de universiteit. 'Grote wetenschappelijke instellingen als TNO en het RIVM werden vroeger voor honderd procent door de overheid betaald. Nu moeten ze gedeeltelijk zelf de broek ophouden. Hun opdrachtgevers zijn ''klanten'' die goed bediend moeten worden. Dan krijg je toch iets van: ik moet ze niet tegen me innemen.'

Wel wijst hij erop dat sinds kort tegenmaatregelen worden bedacht. Zo is dit jaar het Landelijk Orgaan voor Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) ingesteld, gevestigd bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Maar helaas, zegt Köbben, heeft dit LOWI nog weinig macht en strekt die zich niet uit tot de meeste buiten-universitaire instellingen.

Voorlopig zal de wetenschapper het met zijn eigen ethische regels moeten doen. Köbben noemt zelfkennis, zelfkritiek, scepsis en intellectuele onafhankelijkheid als voorwaarden voor zuivere wetenschapsbeoefening.

Zijn voorstel? 'Men zegt vaak dat het in de wetenschap om de waarheid gaat. Met die uitspraak is niks mis. Alleen, wie die term gebruikt, moet zich ervan bewust zijn dat hij in een mijnenveld stapt. 'De waarheid', wat is dat? Er is iets voor te zeggen een andere term in het centrum te stellen: eerlijkheid.'

Dus, vervolgt hij: 'Wetenschappers zeggen dan: wij doen ons onderzoek zo eerlijk mogelijk. Geven zelf aan wat de beperkingen en tekortkomingen zijn. Wij zijn bereid onze conclusies te veranderen op grond van inhoudelijke kritiek.

'Maar alleen om die reden! Niet om het belang te dienen van iemand of iets, of om in het gevlij te komen, of voor het geld.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden