Wervelend designlab

Hij is extern adviseur voor museale ontwikkelingen in de Zuidas, het ambitieuze uitbreidingsgebied van Amsterdam, en lanceerde net zijn plan voor een designmuseum....

Een glimlach. Niet uitbundig, maar glunderend als een grote accolade, met kuiltjes in de wangen en blauwe pretogen daarboven. Zo zit Reyn van der Lugt aan de lunchtafel achter zijn broodje zalm, een flesje prikkelwater, het ene glas chardonnay dat hij die dag zal drinken en de cappuccino. Hij heeft er schik in.

Reden? Ach, er zijn zoveel redenen. Teveel om op te noemen eigenlijk. Maar om met het meest recente succes te beginnen: drie weken geleden werd zijn voorstel bekend gemaakt voor een nieuw Designmuseum aan de Amsterdamse Zuidas. Geschreven in opdracht van het projectbureau dat zich met de ontsluiting en bebouwing van de hele Zuidas bezighoudt. Het mammoetproject waar Amsterdam - of beter: sommigen in Amsterdam - al jaren van dromen, en dat de laatste tijd steeds meer contour begint te krijgen.

Als extern adviseur luidt zijn opdracht 'na te denken over museale ontwikkelingen aan de Zuidas'. Daarvoor zijn een aantal locaties aangewezen, waarvan de eerste bestemming dus nu bekend is: een 'designlaboratorium' aan de rand van het Beatrixpark. 'Een wervelende plek waar werk gemaakt, ontwikkeld en gepresenteerd gaat worden. Een soort werkplaats, waarin het proces van vormgeving aanschouwelijk wordt gemaakt, als op een academie. Maar ook met actuele en retrospectieve presentaties uit bestaande collecties in binnenland en buitenland.'

Volgens Van der Lugt is er behoefte aan een apart onderkomen voor design. Het zit in de lift. De Nederlandse ontwerpers zijn al decennia lang 'top off the bill'. Door hun onorthodoxe manier van kijken naar het alledaagse, door het hergebruik van materialen en de ironie. Belangrijk voor dat nieuwe elan is, volgens Van der Lugt, het feit dat vormgeving als een aparte discipline wordt gezien. Met aparte subsidies. 'Dat stelt vormgevers in staat hun experimenten in alle rust te ontwikkelen tot een volwaardig product. Desnoods in eigen beheer, als de industrie het niet wil. Die eigenwijsheid is typisch Nederlands. Dat zie je ook in de architectuur en de mode.'

Reyn van der Lugt (1949) studeerde bouwkunde in Delft, maakte de studie niet af ('te technisch'), volgde tussendoor colleges architectuur- en kunstgeschiedenis in Groningen. Bij Ed Taverne en Wim Beeren. 'Het sprak me erg aan. En dat is daarna mijn baan geworden, in 1979, bij de Rotterdamse Kunststichting. Eerst op de afdeling beeldende kunst, twee jaar later bij architectuur.' In die functie organiseerde hij verschillende festivals met internationale architecten. Een succesvolle periode, waarover hij graag mag praten. Tot in detail. Over het bidbook dat hij schreef om het Nederlands Architectuurinstituut naar Rotterdam te krijgen, de fotobiënnale die hij met Bas Vroege startte, de eerste notitie die hij schreef voor de Kunsthal én voor Witte de With. Aan vele vernieuwingen daar heeft hij bijgedragen. 'Ja, het is wel mijn stad geworden.'

Uitsmijter was het programma rond de opening van de Rotterdamse stadsschouwburg, in 1988. Van der Lugt vertrekt geen spier in zijn glimlachende gezicht, maar zijn ogen verraden dat Rotterdam 88 zijn huzarenstukje was, met een internationaal programma van architectuur, beeldende kunst, fotografie, muziek, dans en theater.

Dat hij twee jaar later gevraagd zou worden als cultureel attaché in New York was niet verwonderlijk. 'Ik wil niet zeggen dat Rotterdam te klein voor me was geworden, maar ik wilde wel naar het buitenland en heb dat ook her en der laten weten. Het ministerie van WVC pikte het op. Ze hadden behoefte aan iemand uit het culturele veld, met een andere aanpak.'

In 1990 vertrok Van der Lugt naar Amerika ('Ik was er nog nooit geweest'). Mét zijn netwerk. En niet afgeschrokken door eerdere, mislukte pogingen van de Nederlandse overheid om in de Amerikaanse kunstwereld een voet tussen de deur te krijgen.

Zijn 'andere aanpak' sloeg aan. Hij reisde het hele land af. Sprak met festivalintendanten, theaterprogrammeurs, galeriehouders en museumdirecteuren, niet alleen van het gerenommeerde Art Institute in Chicago, maar ook van het minder bekende Wexner Centre for the Arts in Columbus, Ohio. 'Daar was nog nooit een buitenlandse diplomaat geweest. Ze ontvingen me er met open armen.'

'Ik was een soort makelaar, een intermediair tussen Nederlandse kunstproducenten en Amerikaanse afnemers. Wist de juiste mensen achter mijn ideeën te krijgen. Mensen die een bredere kijk op Europa hebben en uit zichzelf een internationale visie binnen Amerika willen tonen. Dat waren mijn gesprekspartners. Die koos ik daarop uit, nodigde ze uit bij mij thuis in Soho, waar ik een kunstverzameling had en een bibliotheek. Konden ze gelijk zien waarover ik het had.'

Tegelijkertijd had Van der Lugt een andere agenda: de Nederlanders moesten niet als een 'incident' gebracht worden, maar 'als onderdeel van een langdurige ontwikkeling'. Wat hem gelukt is. De grafische vormgevers, architecten en productdesigners uit Nederland zijn nu bijna allemaal gastdocent aan de beste opleidingen: Yale, Harvard, CalArts, Columbia en Princeton. Hoogtepunt van zijn verblijf was zijn afscheids presentje aan New York in 1995: het Dutch Design Café in het Museum of Modern Art. 'Het sloeg in als een bom. Het heeft er vijf jaar gestaan. De Nederlandse vormgeving stond ineens op de internationale kaart en leidde ook in Nederland tot meer erkenning. Zo werkt dat. '

Na New York werd Van der Lugt directeur van het Groninger Museum. Maar al na ruim een jaar werd hij ziek. Heel ziek. Hij praat er openlijk over, zonder dat de glimlach van zijn gezicht verdwijnt. Hoe hij een moedervlek op zijn borst ongemoeid liet, omdat die toch onder zijn shirt zat. En dat juist dat vlekje schrikbarend begon te groeien. Diagnose: huidkanker. Prognose: dodelijk, binnen enkele maanden. Hij overwoog een wereldreis te maken. Er was toch niets meer aan te doen.

Maar de aanvankelijke gelatenheid sloeg om in iets strijdbaars. Hij werd vier keer geopereerd. Tussendoor voerde hij overleg met conservatoren aan zijn bed. Daarna volgde een lange periode van therapiëen en langzaam herstel. Hoewel de artsen nog steeds weigeren hem genezen te verklaren, ziet hij er toch patent uit. De linkerhand is nog wat opgezwollen. En hij is eerder moe. Een glaasje wijn per dag, dat is zo'n beetje de tax. De party's uit zijn Amerikatijd behoren (voorlopig) tot het verleden.

Ondertussen is hij wel weer volop aan het werk. Niet meer in Groningen. Aaron Betsky, directeur van het NAi, benaderde Van der Lugt al vorig jaar met de vraag daar te komen werken. Te vroeg. Hij was nog niet fit genoeg. Nu wel. Op 1 april begon hij aan zijn nieuwe baan bij het NAi. Hoofdconservator Presentatie luidt zijn aanstelling. Voor vier dagen per week.

De andere dagen gaan op aan museumbezoek en de Zuidas. Want met de komst van het Designmuseum zit zijn taak er nog lang niet op. Van der Lugt heeft nog twee andere musea in gedachten voor de Zuidas. Misschien wel drie. Welke, daar laat hij zich niet over uit. 'Daar vinden nu aanvullende gesprekken over plaats.' Het enige dat hij erover kwijt wil, is dat het een concentratie moet worden van actuele kunstvormen: beeldende kunst, architectuur, fotografie, vormgeving en media. En als daarvoor niet gelijk een nieuw gebouw zal verrijzen, dan maar in een tijdelijk onderkomen, 'desnoods een tent of een container'.

Medio 2010 moeten er, volgens Van der Lugt, substantieel een aantal dingen staan. Hij wijst erop wat er al is: de Rietveldacadmie, het Sandberg Instituut, Sotheby's. 'En er is het plan van de privé-verzamelaar Alex Mulder. Hij wil een museum bouwen waarin wisseltentoonstellingen komen van internationaal niveau, waarvoor hij al een pand heeft gekocht tegenover het toekomstige Designmuseum.'

Dat het Designmuseum er komt, is zeker. Als alles goed gaat in 2007. Er ligt 24 miljoen euro klaar. De helft van de gemeente, de andere helft van ING, ABN Amro en NS Vastgoed. Naar de exploitatie doet Van der Lugt de komende maanden een haalbaarheidsstudie. De nieuwe musea moeten een aanvulling zijn op wat er in de binnenstad al is - geen concurrentie. 'Maar alles hangt af van het ambitieniveau van de Amsterdamse gemeente. Als ze een belangrijke speler willen worden in de culturele ontwikkeling, nationaal en internationaal, moeten ze er financieel voor in de buidel tasten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden