Werkgevers zijn Frankrijks grootste vernieuwers

De agenda voor het sociale debat in Frankrijk wordt beheerst door de werkgevers, niet door de politieke partijen, niet door de vakbeweging of de universiteit....

Denis Kessler (50) staat bekend als de bulldozer van de Franse werkgeversvereniging Medef. Onder leiding van deze intellectuele veelvraat en zijn directe baas, voorzitter Seillière, ontwikkelde de Medef (zevenhonderdduizend aangesloten bedrijven) zich tot een lobby waarbij de Franse boeren of treinmachinisten bleekjes afsteken. Maar Kessler vertegenwoordigt niet alleen een lobby.

De Medef, tot 1997 onder de naam CNPF een slaperige belangenclub van 'les patrons', groeide in vijf jaar uit tot de belangrijkste liberale denktank. De agenda voor het sociaal-economische debat in Frankrijk wordt beheerst door de werkgevers.

Ook tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen op 21 april roert vice-voorzitter Kessler zich. De Medef wil het Franse sociale stelsel 'herfunderen'. Pensioenstelsel, sociale verzekeringen, de verhouding tussen werkgevers, vakbonden en staat, alles moet wat betreft Kessler op de helling. Om te beginnen moet de staat ophouden het hele Franse sociale leven te willen regelen. 'Het contract moet de voorkeur krijgen boven de wet. Dat is waar deze verkiezingen om draaien.'

Het grote probleem van Frankrijk, zegt Kessler, is de zwakte van de sociale organisaties. ('société civile'). Dat stelde Tocqueville halverwege de negentiende eeuw al vast. 'Een kwijnend, slecht georganiseerd middenveld, zeker in vergelijking tot de politieke sfeer.' Die rol van de société civile moet versterkt worden, dan volgt de noodzakelijke hervorming van de staat vanzelf. 'Wij hebben nu een extreem machtige, dure, bemoeizuchtige staat. Elders heeft die hervorming allang plaatsgehad, in Groot-Brittannië, Nederland, zopas in Zweden, in Spanje. In Duitsland wordt een groot debat gevoerd. Wij lopen achter.'

De afgelopen vijf regeringsjaren-Jospin heeft de staat zijn tentakels nog verder uitgespreid. 'Afschuwelijke jaren wat betreft de sociale dialoog.' Kessler: 'Links Frankrijk heeft een traditie van economisch ingrijpen. In 1981 wilde Mitterrand bedrijven nationaliseren, industriepolitiek voeren, hoge inkomens aftoppen.

'Dat kan nu allemaal nauwelijks meer. We zijn overgegaan op de euro, het financieringstekort moet worden weggewerkt, vanwege Brusselse regels mag een industriepolitiek ook niet meer. Daarom heeft de linkse regering haar bemoeizucht verlegd naar het sociale domein. Het sociale Europa bestaat immers niet, daar zijn staten nog soeverein. Dus de regering heeft de 35-urige werkweek, de jongerenbanen, de modernisering van het ontslagrecht bij wet aan de sociale partners opgelegd. Dat was voorheen het terrein van de sociale partners. En dat is een heftig conflict geworden.'

De werkgevers hebben zich kunnen opwerpen als - bijna enige - vernieuwingskracht, omdat Franse politici van oudsher nauwelijks oog hebben voor het buitenland. 'Alleen voor Duitsland een beetje, omdat ze daar rijker en machtiger waren dan wij.' De politieke ruimte hield bij de Franse grenzen op, terwijl de economische ruimte van lieverlee Europees zoniet mondiaal is geworden.

'Frankrijk kan zich geen politiek meer veroorloven die radicaal anders is dan de omgeving. Voorbeeld: wij zijn het enige land waar men met zestig jaar met pensioen gaat. Daar zei de Medef wat van, omdat het stelsel steeds duurder wordt. De staat wil er niet van weten. Wij zeggen: dat is niet vol te houden, als men in andere landen met 65 of 67 met pensioen gaat. Iets dergelijks geldt voor de 35-urige werkweek of het belastingtarief voor ondernemingen. Frankrijk kan geen besluit meer nemen zonder te verifiëren of het ''eurocompatibel'' is.'

Frankrijk wordt vaak aangeduid als een 'société bloquée', een samenleving die niet in beweging te krijgen is. Dat geldt niet voor het bedrijfsleven, vindt Kessler. De luchtvaart, de automobielindustrie, de bancaire sector hebben zich de laatste twee decennia 'formidabel' aangepast. 'Daarentegen is de publieke sector ongelooflijk moeilijk te moderniseren. De kosten van het heffen van belasting zijn hier driemaal zo hoog als in Nederland. Maar als je daar iets aan wilt doen, volgt onmiddellijk een staking van de belastingambtenaren. Zoals op dit moment.'

Fransen zijn 'ongelooflijk' gehecht aan hun publieke diensten, aan hun staat. Volgens Kessler omdat de overheid van oudsher diende als voertuig van sociale stijging. Als onderwijzer, wethouder of gemeente-ambtenaar kon iemand op de sociale ladder stijgen. 'De droom van elke Fransman was de ambtenarij.'

Hunkeren Fransen niet ook naar hun staat als arbiter die boven de partijen staat, omdat het land zo onwrikbaar in links of rechts is verdeeld? Kessler reageert als door een wesp gestoken. 'Arbiter? Maar die staat ís helemaal geen arbiter. De staat is partij!' In de Franse sociale traditie, legt hij uit, beschermt de staat de zwakke tegen de sterke, de werknemer tegen de werkgever, de consument tegen de producent. 'In Franse ogen is een cao suspect, want een contract móet wel ongelijkwaardig zijn. De staat wordt verondersteld die krachtsverhoudingen te corrigeren, en dus is de staat helemaal niet neutraal.'

Kessler windt zich nu zichtbaar op. 'Waarom zijn zo weinig Fransen lid van een vakbond? Omdat de staat het werk opknapt. We hebben hier de vakbondsstaat.'

Deze verkiezingsstrijd draait volgens Kessler om de vraag of aan deze staatsdominantie een eind komt. Hij ontkent met verve elke relatie tussen zijn Medef en de rechtse partijen. Desondanks heeft met name president Chirac een en ander van de werkgeversideeën overgenomen: instellen van pensioenfondsen, meer ruimte voor sociale partners. Maar zelfs de socialist Jospin belooft in zijn boek Le temps de répondre - tijd om te antwoorden - een soort Wassenaarse rondetafelconferentie op z'n Frans. De regering moet samen met de sociale partners inventariseren hoe het verder moet met de pensioenen, sociale zekerheid, oudere werknemers.

'Ze beginnen erover te praten', zegt Kessler niet ontevreden. Dan heft hij de blik biddend ten hemel. 'We zijn nog vroeg in de campagne. Die is nog niet uit de bocht gevlogen. Niemand heeft nog een werkweek van 32 uur beloofd, of pensioen met 55 jaar, of de verhoging van het minimumloon met 30 procent. Maar het kan allemaal nog gebeuren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden