Werken

Een warme, benauwde zaterdagmiddag. Als altijd glinsteren de namen van de gevallenen op de gedenkzuil tegenover de kerk op het dorpsplein....

Stilte.

We zitten op het terras, de zoon van de kroegbaas, ik en een jongetje van een jaar of tien. De zoon van de kroegbaas draagt een moderne bril en zwarte Nikes met hippe zolen. Hij rookt een sigaret. Het jongetje zit op een stoel naast hem. Hij heeft het heet. Hij hangt met zijn hoofd tegen de tafel. Verderop ligt zijn fiets. Om zeven uur moet hij thuis zijn.

De kerkklok beiert.

Het is pas vier uur.

Dan arriveert een jonge vrouw. Ze is Marokkaans en draagt een kort rokje, witte gympen en lage, witte sokken, een hemdje en daaronder een witte beha – de kanten bandjes spannen over haar donkere schouders. Haar gezicht heeft ooit een harde klap gekregen; naast haar kin heeft ze een groot litteken, een bleke, dikke streep.

In haar neusvleugels draagt ze kleine, glitterende piercings, in haar oren zilveren hangers. Ze ruikt naar een goedkope parfum. Ze heeft korte, stevige benen. Ze begroet de zoon van de kroegbaas met twee zoenen en krijgt een espresso van hem. Ze is, vertelt hij mij, zijn femme de ménage, de werkster. Daarna volgen een paar grappen, begeleid door vette knipogen. Alsof ze ook iets anders van hem is, of zou moeten zijn.

De vrouw lacht.

Het is de lach van een vrouw die weet dat er over haar wordt gepraat en die weet hoe mannen zijn, maar die ook weet hoe het spel wordt gespeeld en hoe ze diezelfde mannen te vriend moet houden. Het is dus een trotse lach, maar er gaat ook enige voorzichtigheid achter schuil, een beetje pijn, eigenlijk.

Het jongetje sleept zich van tafel en naar zijn fiets. Hij stapt op en rijdt slingerend weg. De vrouw neemt zijn stoel in en daar zitten we dan, met z’n drieën op het stille dorpsplein. We zijn het er over eens dat het mooi weer is, maar ook dat het niet zo zal blijven. ‘Ça ne va pas durer’, is hier in de streek altijd het eerste wat mensen zeggen als je opmerkt dat het mooi weer is.

Er komt een oude Peugeot het plein opgereden. De auto stopt naast het monument. Achter het stuur zit een grote, grimmige man. Het is niet iemand uit het dorp. Na een tijdje stapt hij uit. Hij leunt wachtend over de deur van de auto en kijkt de dorpsstraat in.

Na een minuut of tien verschijnt uit die richting een oude, gebogen vrouw in een gebloemde rok en een oud, wollen vest. Ze draagt versleten gympen en haar blote, spierwitte benen zijn blauw van de spataderen. Op haar hoofd heeft ze een vies, wit hoedje, een soort pannekoek die uit de hemel is komen vallen.

Ze trekt een rammelend, paars karretje achter zich aan dat is volgeladen met folders. Ze duwt er eentje in de brievenbus van de bewoners van de oude apotheek aan de overkant en steekt dan over, onze kant op. Zweet gutst langs haar smalle gezicht.

Ze legt een folder van een meubelbedrijf op ons tafeltje en vervolgt zwijgend haar weg, nu in de richting van de Peugeot. De man heeft zich al in beweging gezet om de kofferbak te openen. Als de vrouw bij hem is, tilt hij de folders erin en vervolgens slingert hij het karretje er achteraan. Boos slaat hij het deksel dicht. Daarna rijden ze weg, om de andere kant van het dorp van folders te voorzien. Ja, de mensen moeten meer en langer werken, heeft president Sarkozy gezegd. En dit komt er dus van.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.