Werken om lui te zijn

Tegenover de knoop in de maag waarmee de helden van de arbeid zich op maandagochtend naar hun werkplek begeven, staat de ontlading van de vrijdagavond....

VERTROUWDE taferelen op de werkvloer: gebruinde collega's treffen elkaar bij de koffieautomaat of - erger nog - de vergadertafel. Ze stellen vast elkaar al enige tijd niet meer te hebben gezien, en dragen de vakantie met berusting ten grave. Ze wisselen enige wederwaardigheden uit over het vrij kamperen in Bulgarije ('wel uitkijken voor wilde beren'), zeilen in Friesland ('iedereen denkt tegenwoordig dat ie voorrang heeft'), of de rijkdom van de mediterrane keuken ('drie dagen aan de schijterij geweest').

Daarop volgt steevast een ode aan het vrije leven, de antipode van het dagelijks bestaan. De vakantie is geslaagder naarmate men meer afstand heeft kunnen nemen van het werk en de besognes die daarmee vergezeld gaan. Men heeft zich weer even kunnen laven aan ruimte en ongebondenheid, zodat men de benauwde alledaagsheid weer het hoofd kan bieden.

De een zegt inspiratie te hebben opgedaan voor die reeds lang gekoesterde wereldreis, en de ander weet het nu zeker: ik ga op mijn 57ste met pensioen, en doe definitief afstand van mijn mobiele telefoon. Maar beiden weten van elkaar dat het daar vermoedelijk nooit van komt. Na een paar dagen hebben zij zich weer met het werk verzoend, en is de spelende mens tot een schim gereduceerd.

De vraag is hoe oprecht het gekanker op de arbeid eigenlijk is. Behoort het tot de privileges van de werkenden zich eendrachtig af te zetten tegen deze hoedanigheid? Of wordt het werk als een noodlot ervaren dat slechts moedig wordt gedragen omdat het nu eenmaal tot de condition humaine behoort, en is het slechts voor rebellen weggelegd ermee te breken? Het valt te hopen dat werk iets toevoegt aan het leven. Zo niet, dan is de mensheid ver van haar lotsbestemming afgeraakt.

Feit is dat geregelde arbeid een noviteit is. Een bijkomstigheid van de Industriële Revolutie. Tot dan toe waren nijverheid en landbouw de optelsom van ongereglementeerde werkzaamheden in de huiskamer of op kleine akkertjes. De industrialisatie bracht met zich mee dat arbeid aan plaats en tijd gebonden raakte. Ze bracht een scheiding teweeg tussen wat wij nu 'werktijd' en 'vrije tijd' zouden noemen. En beide domeinen gingen als tegenpolen fungeren. De bekoring van de vrije tijd nam toe naarmate ze schaarser werd. En het omgekeerde was eveneens het geval. Herman van Veen bracht dit (niet zonder toeval in het crisisjaar 1982) als volgt tot uitdrukking: 'Het leven wordt langzaam bepaald en beperkt, het een heet vakantie, het andere werk. Wie droomt niet van vrijheid aan de lopende band, waar je, als je geen werk hebt, toch terug naar verlangt.'

Daartoe beperkte de ontwrichtende invloed van de arbeid zich niet. In veel takken van nijverheid werd de vrouw uitgesloten. Haar verbanning naar het huis begon toen de man elders zijn brood moest verdienen. Er ontstonden nieuwe maatschappelijke geledingen. Zoals blue collar- en white collar-workers, ofwel: arbeiders en klerken, schrijnwerkers en pennenlikkers. Zelfstandige ondernemers (groot en klein) en de naamlozen op de loonlijst. Oude en nieuwe rijken. Paupers en 'kleine luyden'. Arbeid ontwikkelde zich van een noodzakelijk kwaad tot het ijkpunt van het bestaan. Tot de graadmeter van maatschappelijk succes.

En dat was even wennen. Veel mensen hadden tot dan niet meer werk verricht dan noodzakelijk was voor het levensonderhoud. Dat ondervonden de uitbaters van de eerste Engelse textielfabrieken. Incidentele loonsverhogingen gingen gepaard met een navenante daling van de productiviteit: zodra de primaire uitgaven van de werknemers waren gedekt, deden zij het wat rustiger aan. De ondernemers meenden hun belangen dus het best te dienen door de lonen laag te houden.

Maar ook aan de maatschappelijke toppen heerste een onverholen onbegrip voor het moderne arbeidsethos. Wie, vanwege de omvang van zijn familiefortuin, niet hoefde te werken, deed dat doorgaans ook niet. Sterker nog: men ontleende zijn maatschappelijke status aan het vertoon van elegante ledigheid. Menig Engelse schrijver heeft er zijn oeuvre aan te danken.

Ook de Nederlandse aristocraten maakten hun handen bij voorkeur niet vuil. Zij waren, zo stelde de socioloog Jaap Dronkers vorig jaar vast, lange tijd ondervertegenwoordigd in het hoger onderwijs. Pas vanaf 1950, of daaromtrent, maakten zij ernst met wat Dronkers 'de modernisering van het maatschappelijk kapitaal' noemde. Dat wil zeggen: zij voorzagen zichzelf van (hogere) beroepskwalificaties, en behoedden zichzelf daarmee voor verdere marginalisering. Dat laat onverlet dat menig jonkheer of baron nog prat gaat op een vader of grootvader die nooit heeft hoeven werken. Het adagium 'werk is voor de dommen' sluimert nog zachtjes na.

Werk was onlosmakelijk verbonden met de zondeval. Met de verbanning van de mens uit de Hof van Eden. Pas nadat hij zich had vergrepen aan de boom des levens voelde hij zich naakt, en was hij gedoemd te werken. Of, om het in het proza van de straffende God te formuleren: 'De aardbodem (is) om uwentwil vervloekt: al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten: in het zweet des aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt: want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren' (Genesis 3:17-19, vertaling Nederlands Bijbelgenootschap, 1951).

In Frankrijk luisterde een martelwerktuig ooit naar de omineuze naam travail. En als de middeleeuwse mens zich fantasieën veroorloofde over het paradijs dat hij nog steeds zou hebben bewoond als Adam niet zo onverstandig was geweest naar zijn vrouw te luisteren, moest de arbeid het als eerste ontgelden. In het 'edele land van Cockaenghen' (Cocagne) - onlangs nog door Herman Pleij gereanimeerd - werd het paleis bewoond door nietsnutten, klaplopers en aanverwant volk. In de kerkers zuchtten de werkwilligen. Zelfs het gebruik van het woord 'arbeid' gold als een zwaar vergrijp.

Dat arbeid in de calvinistische geloofsleer meer achting geniet, hangt vooral samen met het pessimistisch mensbeeld in de Heidelbergse Catechismus: 'Onbekwaam tot enig goed, en geneigd tot alle kwaad'. Arbeid geldt hier als een vorm van boetedoening en een oefening in nederigheid. Maar zeker niet als een doel op zich, of als opmaat van materiële welstand.

Desalniettemin merkte Max Weber de calvinisten aan als wegbereiders van het kapitalisme. Niet voor het eerst in de geschiedenis verkeerde een revolutie dus in haar tegendeel. Het kapitalisme ging immers gepaard met secularisatie, materialisme, en met de 'exhibitionistische zelfverrijking' die zo hevig vloekt met de puriteinse beginselen. De ontwikkelingsgang van het calvinisme lijkt wel wat op die van de kloosterorde der cisterciënzers. Ook zij prezen, als reactie op de decadentie van de bestaande ordes, soberheid en ijver aan. Zij verwierven hiermee echter een rijkdom die met de eigen uitgangspunten in strijd was.

Al deze ambivalenties liggen besloten in de hedendaagse opvattingen over werk. Enerzijds schijnen wij, westerlingen, ons het gelukkigst te voelen als wij hard werken. Anderzijds geldt de schaarse vrije tijd waarmee we onszelf bedelen als de hoogste vorm van genot. Tegenover de knoop in de maag waarmee de helden van de arbeid zich op maandagochtend naar hun werkplek begeven, staat de ontlading van de vrijdagavond. Werk brengt een diffuus maar permanent verlangen teweeg naar alles wat zich van het hier en het nu onderscheidt. Wie binnen zit, wil graag naar buiten. Wie ploetert, verlangt naar rust - wat men daaronder ook mag verstaan. Als het maar niet herinnert aan de gangbare bezigheden.

Maar werk is eveneens onontbeerlijk voor deze plezierige sensaties. Niet alleen als financieringsbron, maar vooral als de legitimatie daarvan. Wij houden van werk, heimelijk of openlijk, omdat het dient als vertrekpunt van onze verlangens. Ons arbeidsethos heeft wel iets gemeen met het Stockholm-syndroom: het verschijnsel dat gijzelaars genegenheid gaan koesteren voor hun bewakers.

Dat neemt niet weg dat men zich een meer ontspannen houding tegenover werk kan veroorloven zodra het - zoals nu in Nederland - in overdaad aanwezig is. Die omslag schijnt zich, zoals Wilma de Rek en Paul de Beer onlangs in de Volkskrant hebben betoogd, nu te voltrekken. Het betrekkelijk schaarse goed van de vrije tijd wint aan glans, en de vierdaagse werkweek krijgt trekjes van een statussymbool. Althans: zolang ze met een vertoon van stoffelijke weelde gepaard gaat.

Maar ook in onze vrijheidsbeleving gaat de kost voor de baat uit. Zoals we onze vakantiedagen bij voorkeur niet opnemen aan het begin van het jaar, zo moet ons recht op luiheid eerst worden verdíend. En zolang dat het geval is, zullen wij ons betrapt en gecompromitteerd voelen als wij op een doordeweekse dag met een boodschappentasje in het openbaar worden gesignaleerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden