Werken, mond dicht en benen bij elkaar

Bestaan ze nog, ergens op een afbladderend buitentje, de meiden voor dag en nacht die zich een leven lang poetsend, kokend en zwijgend onderwerpen aan de grillen van hun 'mevrouw'?...

In de romans van Couperus, Mann en Flaubert drentelden ze nog rond, met machtig gesteven boezem. Maar nooit kregen ze van hun scheppers zelf het woord. Nooit onthulden zde ware aard van de hysterische Elines en Emma's die zij grootbrachten. Monika van Paemel doet dat wel. Zij laat in haar nieuwe, vuistdikke roman Celestien de stem spreken van een dienstmaagd die haar ogen niet in haar zak had.

Veertien jaar was de Vlaamse Celestien toen zij werd afgeleverd bij Mon Repos, de villa van de familie Van Puynbroeckx, met de opdracht: 'werken, mond dicht en benen bij elkaar'. Ze bleef haar hele leven. Eerst bij de oude meneer en mevrouw, en later bij de zoon en zijn vrouw. Zij was erbij toen er werd verwekt, gebaard en gestorven. Ze hield de 'engeltjes' in handen die levenloos ter wereld kwamen en ze hield de onhandelbare vier duiveltjes die bleven leven in toom. Ze verhuisde mee naar de grote stad en leerde stadse manieren. Ze hoorde de heldenverhalen van vader Augustijn uit de eerste Groote Oorlog en zag de tweede oorlog huishouden in 'haar' gezin: een foute zoon, een in het verzet, een avonturier en een weggevoerde joodse schoonzoon. Zij leed mee alsof het haar eigen gebroed betrof. En intussen moesten de ramen worden gelapt.

Maar aan het eind van haar leven wordt ze, na de dood van haar Madame, w afgeleverd bij Mon Repos, dat nu Welverdiend heet. De villa is een tehuis voor ouden van dagen, een wachtkamer van de dood. Uitgerekend daar, waar ze elke richel kent, wordt ze gestald door de egocentrische Van Puynbroeckxjes. Het was haar niet vergund om bij de weduwnaar te blijven, de mooie Augustijn, een leven lang door haar bemind. 'Oud en opzij gezet en bij mijn volle verstand. Ik heb alles opgepot en de tijd is gekomen om mijn hart uit te storten.'

Dat doet ze, Celestien. De wrok komt naar buiten, in grote golven. Maar ook de herinnering aan broze vreugde. Het geluk en het verdriet van de Van Puynbroeckxjes was nu eenmaal ook het hare. Zij had geen eigen leven.

Het is een mooi gegeven: onze hele, gedoemde 20ste eeuw zoals die trok door de keuken van een statige burgermanswoning in Antwerpen. De 'vrouwelijke' kant van de geschiedenis die door de mannen werd gemaakt, en verziekt. Het duurde bijna twintig jaar voordat Monika van Paemel kwam met de tegenhanger van haar 'mannelijke' meesterwerk De vermaledijde vaders. Met Celestien schreef ze het eerste deel van een epos over de voedsters van de geschiedenis, de onzichtbare stutten, de miskende helft. Want dat de vrouwen schandelijk tekort zijn gedaan en niet alleen de huishoudsters , daarover laat Van Paemel geen misverstand bestaan.

Het is ook een boeiend verhaal dat Van Paemel laat vertellen. Zij vond een mooi midden tussen de taal van toen en nu, die van de dienstbode en van de bekakte burger, van stad en platteland. Celestien gebruikt woorden als 'monkelen', 'kwansuis' en 'flamoes', maar boertig of plat wordt het gelukkig niet. Behendig springt de verteller heen en weer tussen het heden in Welverdiend en allerlei episoden in het verleden. We zitten al snel aan het sterfbed van Madame, maar zij zal nog vele malen in volle glorie optreden als ruggengraat van het familiebedrijf en wrekende rechter in haar ontsporende gezin. Ook de kinderen verschieten telkens van leeftijd. Dat heeft een mooi effect: we zien het kind in de volwassene en andersom; hun karakter en aanleg zijn hun doem.

En toch zit er iets merkwaardig onbeweeglijks in dit geraffineerd vertelde verhaal. Iets wat voorkomt dat deze overtuigende geschiedenis meevoert op vleugels van de verbeelding. Het moet met de strekking te maken hebben, met het massieve gelijk van Celestien. Scherp doorziet zij haar positie: in het gezin dat zij het 'onze' noemt was zij een moeder voor de kinderen, een vertrouweling van Madame, een kuise minnares van Augustijn maar uiteindelijk de dienstbode. 'Ik dacht een schakel te zijn in een onverbrekelijk verbond, maar als het erop aankwam was ik een losse flodder.'

Tientallen malen herhaalt Celestien deze klacht. Ze heeft gelijk, ruimschoots, maar de lezer is er ook nog. Die zit ruim vijfhonderd pagina's lang te wachten op een daad, een uitbraak, een wraakactie, een genadeschot maar dat blijft uit. De enige kinderachtige genoegdoening die Celestien in petto heeft, is dat zij zich stilletjes verschanst op de zolder van Mon Repos als de rotkinderen haar meubels komen brengen. Daarmee wordt deze scherpziende oude maagd, die vrijwillig, uit liefde voor haar Madame en Augustijn, de vrijers de deur wees en koos voor een schaduwbestaan, al te nadrukkelijk tot slachtoffer bestempeld. Gelukkig volgen er nog meer gebenedijde moeders, in de volgende delen van dit epos.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden