Werken de maatregelen tegen radicalisering?

Radicalisering

Projecten om radicalisering van moslimjongeren tegen te gaan zijn er volop. Maar werken ze ook? Voor de wetenschap is het onontgonnen gebied.

Pro IS-demonstranten tijdens een protest in de Haagse Schilderswijk. Foto anp

Je kunt niet zeggen dat ze het niet proberen. Van een toneelstuk over twee jongeren die in Syrië gaan vechten tot survivaltochten in de bossen en weerbaarheidstrainingen. Er is een waslijst aan projecten om jihadi's te deradicaliseren en ook om te voorkomen dat jongeren überhaupt dat pad inslaan. Maar wat werkt er nou wel en wat niet?

'De reclassering probeert van alles en nog wat, ze peinzen zich suf, maar het antwoord hebben ze gewoon niet', zei rechter Jan van der Groen, die gespecialiseerd is in terrorismezaken, deze week in NRC Handelsblad. Veroordeelde jihadisten moeten vaak programma's volgen om weer in de maatschappij terug te keren, maar volgens de rechter zijn die helemaal niet effectief. Directeur Sjef van Gennip van Reclassering Nederland reageert dat ze 'wel degelijk zinvol' aan de slag zijn. Maar hij erkent dat pas over een paar jaar duidelijk zal zijn of hun 'beproefde instrumenten' ook bij jihadi's werken.

Sjef van Gennip. Foto Friso Keuris.

Hoe moet je omgaan met jongeren die gevoelig zijn voor radicalisering? Wat weten we daar nu echt van, wetenschappelijk gezien? Niet veel, blijkt uit een rondgang langs experts, wetenschappers en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTV). Zo is hoogleraar radicaliseringsstudies Bertjan Doosje van de Universiteit van Amsterdam eerlijk genoeg om toe te geven dat zijn vakgebied in de kinderschoenen staat. 'Het is onontgonnen gebied. Er gebeurt van alles en er zijn veel projecten om radicalisering tegen te gaan, ook in het buitenland, maar er is nog niet veel onderzoek naar de effecten ervan.'

De vermaarde Zweedse terreurexpert Magnus Ranstorp wijst op een ander probleem. 'Er zijn wel evaluaties, maar de vraag is of die voldoen aan de hoogste standaarden. Het is ook lastig meten of iets succes heeft, omdat je het dan hebt over een non-event. Als een jongere uiteindelijk niet radicaliseert, komt het dan door jouw initiatief?'

Ranstorp geeft als voorbeeld het Aarhus-project. Toen uit de Deense stad in korte tijd veel jongeren vertrokken naar Syrië om zich aan te sluiten bij de gewapende strijd, ondernam de gemeente actie. Dat betrof een permanente dialoog met de moskee en andere betrokkenen, maar ook een reïntegratieprogramma voor teruggekeerde strijders, die zelfs weer aan een baan worden geholpen. Daarna stokte de aanwas. Alleen, bewijs maar eens dat dit een resultaat is van het project en niet van andere factoren.

Nu ligt de vraag hoe je kunt voorkomen dat jongeren radicaliseren net even anders dan hoe je ze weer kunt deradicaliseren als ze uiteindelijk voor de gewapende jihad hebben gekozen. Waar preventie aansluit op bestaande sociale contacten, hebben geradicaliseerden die bruggen meestal achter zich verbrand. Maar het gaat wel om dezelfde extreme denkbeelden en voor beide vraagstukken geldt dat er nog weinig echt harde gegevens bekend zijn.

Magnus Ranstorp. Foto Magnus Ranstorp.

Magere studies

Twee wetenschappers van King's College in Londen, Peter Neumann en Scott Kleinmann, onderzochten twee jaar geleden liefst 260 wetenschappelijke publicaties over radicalisering. Zij concluderen dat de uitvoering vaak magertjes is. Sowieso is veel onderzoek kwalitatief van aard, bijvoorbeeld aan de hand van interviews, wat het moeilijker meetbaar maakt. Of er is sprake van literatuurstudies, waarbij de auteurs zich op eerder onderzoek baseren en zelf geen nieuwe data verzamelen. Statistische analyses ontbreken grotendeels. En wat je het liefste zou willen, werken met een heuse controlegroep, is bijna onmogelijk.

De meest geciteerde studies zijn vaak van belang geweest voor het theoretische kader, zoals Radicalization in the West: the Homegrown Threat uit 2007. Wie benieuwd is naar de praktijk, komt al gauw uit bij evaluaties van concrete preventieprojecten. En loopt ook daar tegen hindernissen aan. Door het kleine aantal deelnemers zijn resultaten niet per se representatief voor alle jongeren met een potentie tot radicalisering.

Onderzoek

Lees hier Radicalization in the West: The Homegrown Threat.

En dan gebeurde het in Nederland ook nog eens regelmatig dat de evaluatie van zo'n project domweg ontbrak. Zo kregen van 2007 tot en met 2011 liefst 78 lokale projecten tegen radicalisering en polarisatie geld van de overheid. Dat potje was vrijgemaakt door het kabinet-Balkenende IV, naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh. Maar adviesbureau K+V concludeert achteraf dat bij het gros van die projecten geen enkele evaluatie is gehouden.

We weten dus weinig, maar niet niks. We weten heus wel in welke richting we het moeten zoeken, is daarom de boodschap van de NCTV.

Een eerbetoon aan Theo van Gogh. Foto anp

Kort samengevat komt het hierop neer. Radicalisering vindt niet uitsluitend, maar wel in veel gevallen in de puberjaren plaats. Adolescenten zijn onzekerder over hun identiteit en vatbaarder voor heftige gebeurtenissen. Die kunnen door charismatische extremisten ideologisch worden 'geframed': zo verandert het conflict in het Midden-Oosten ineens in een oorlog van het Westen tegen alle moslims.

Dat is ook waarom er veel wordt verwacht van het weerbaarder maken van jongeren tegen radicale boodschappen als tactiek om radicalisering te voorkomen. Bevorder hun kritisch denken en zorg dat ze zich 'emotioneel veilig' voelen. Kom met tegengeluiden tegen de propaganda van IS en andere extremistische groeperingen. Zet daar het liefst mensen voor in die dicht bij jongeren staan, zoals een ex-jihadi - dat werkt beter dan officiële types. Sluit aan bij hun belevingswereld, met verhalen, filmpjes, theater.

Zorg dat je signalen van familie en vrienden serieus neemt en breng in beeld met wie voor radicalisering gevoelige jongeren omgaan, want daar kunnen ook rekruteurs voor de jihad tussen zitten. Zorg dat de omgeving, van jongerenwerkers en imams, weet waar ze terecht kunnen als ze merken dat iemand radicale denkbeelden uit. En zet de familie in om zoon of dochter daarop aan te spreken, vooral moeders kunnen dat goed. Tot slot: denk bij die projecten niet al te al te veel aan veiligheid. Het werkt beter, uiteindelijk voor de hele samenleving, als je ook denkt aan het welzijn van de potentiële jihadi. Dat maakt de kans groter dat hij of zij geen jihadi wordt. Betrek er daarom ook scholen en welzijnswerkers bij.

Islamitische Staat

Lees hier alle artikelen van de Volkskrant over Islamitische Staat.

Dat zijn zo ongeveer de voornaamste bevindingen.

Een praktijkvoorbeeld van een veelbelovend project is de training 'Diamant'. Daarbij zijn twaalf Amsterdamse moslimjongeren, die voor een groot deel maar wat op straat rondhingen, intensief getraind om meer weerbaarheid en incasseringsvermogen te krijgen. Ook probeerden de begeleiders om ze weer op school te krijgen, op een stage of aan het werk. Bovendien zijn de deelnemers bezig met het onderzoeken van hun identiteit, onder meer door hun ouders te interviewen.

'Dat kan de ogen openen, zo van: dáár kom ik vandaan', vertelt Doosje, die bij het onderzoek betrokken was. 'Dat geeft meer houvast en bevordert de identiteitsontwikkeling. Als je onzeker bent over wie je bent, kan een moslimidentiteit met een radicale invulling - je strijdt tegen 'onrecht' in de wereld - aantrekkelijk zijn.' Hoewel de training niet alleen gericht is op radicalisering, zien de resultaten er volgens de hoogleraar positief uit.

Foto anp

Met interviews en vragenlijsten voor, tijdens en na de training zijn de deelnemer nauwgezet gevolgd. Ze hebben na afloop meer zelfvertrouwen en minder het gevoel achtergesteld te worden, maar het is nog te vroeg om harde conclusies te trekken. De ene Syriëganger is de andere niet, er zijn vele factoren die een rol spelen bij radicalisering. Het beeld van iemand die zich gediscrimineerd voelt en, hoppa, de bus naar IS pakt, is te simpel. Er is eerder een scala aan factoren die dat radicaliseringsproces beïnvloeden.

Die externe oorzaken waardoor mensen een stap verder zetten in hun radicaliseringsproces, noemen Doosje en andere wetenschappers 'triggerfactoren'. Die zijn er op individueel niveau, zoals het verlies van een dierbaar familielid. Bekend is bijvoorbeeld dat de moeder van Mohammed B. overleed toen hij begin twintig was, en dat de broers Saïd en Cherif Kouachi - van het bloedbad bij Charlie Hebdo - hun jeugd grotendeels doorbrachten in weeshuizen.

Die factoren zijn er ook op groepsniveau, bijvoorbeeld een huwelijk of het bevriend raken met een clubje radicalen, en zelfs op het niveau van de samenleving, zoals overheidsmaatregelen die ervaren kunnen worden als een aanval op de eigen religie.

Charlie Hebdo

Lees hier alle artikelen van de Volkskrant over de aanslag op het redactiekantoor van Charlie Hebdo.

Vier profielen

Op basis van die factoren en wat ze al wisten vanuit de sociale psychologie, onderscheidt Doosje vier profielen van radicaliserende jongeren: de identiteitszoeker, de rechtvaardigheidszoeker, de zingevingszoeker en de sensatiezoeker. De naamgeving spreekt voor zich, maar wat kun je daarmee? 'Momenteel zijn we die typologie aan het verfijnen, zodat we die ook echt meetbaar kunnen maken', vertelt Doosje. Dit moet over een half jaartje klaar zijn. 'Dat is van belang voor de vraag wat je moet met iemand die radicaliseert. Een sensatiezoeker vereist een heel andere aanpak dan een zingevingszoeker, om maar wat te noemen.'

Zo zou een sensatiezoeker bijvoorbeeld baat kunnen hebben bij jachttrips in de natuur, zoals ze die in Noorwegen willen organiseren, terwijl een zin-gevingszoeker meer behoefte heeft aan een alternatieve bron van zingeving. Allemaal nog onder voorbehoud natuurlijk. Maar langzamerhand komt er wel meer lijn in de versnipperde wereld van het onderzoek. Zo wordt momenteel in het kader van Impact, een onderzoeksprogramma van de Europese Unie, gewerkt aan een database met veelbelovende projecten om radicalisering tegen te gaan.

Praktische handvatten

Zo hoeft het wiel niet opnieuw uitgevonden te worden. Iets wat volgens radicaliseringsexpert Omar Ramadan helaas nogal eens gebeurt. 'Neem de worsteling met deradicaliseren. Zweden en Duitsland hebben heel succesvolle projecten op dat gebied, daar kun je op zijn minst van leren. Zo verschillend is de Duitse situatie ook weer niet.'

Dankzij al deze ontwikkelingen zouden ook rechters en de reclassering in de toekomst beter moeten kunnen zeggen welke aanpak het effectiefst is.

Intussen hebben eerstelijnswerkers - docenten, agenten, jongerenwerkers, gevangenispersoneel - vooral behoefte aan praktische handvatten, zegt Ramadan. Hij leidt het in 2011 door de Europese Commissie opgezette Radicalisation Awareness Network. Daarin mogen nu zo'n tweeduizend eerstelijnswerkers uit heel Europa de wetenschap adviseren over welke onderwerpen ze meer willen weten. Ook evalueren ze elkaars projecten. 'Neem een Marokkaans-Nederlandse docente die na de zomervakantie erachter kwam dat twee meisjes uit haar klas naar Syrië waren vertrokken. Met de klas heeft ze naar extremistische propagandavideo's gekeken - die zien leerlingen anders toch ook wel - en er andere filmpjes, met een tegengeluid, tegenover gezet. Daarna is niemand meer van die school vertrokken.'

Het is misschien niet allemaal even wetenschappelijk onderbouwd, maar beter dan stilzitten, vindt Ramadan. 'Natuurlijk, het is goed om te weten wat werkt, maar voor je het weet ben je twee of drie jaar verder. Dat duurt te lang voor moeders in de Schilderswijk, want dan zitten al hun kinderen inmiddels in Raqqa of Aleppo.'

Meer over