Werk Leo Smit wordt te weinig uitgevoerd

'Gehaast en nerveus' schreef de Amsterdamse componist Leo Smit (1900-1943) boven het vijfde deel van zijn Silhouetten voor groot orkest....

De door Smit verordonneerde kneep in het rubber markeerde destijds een bevrijdend moment in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Met een Amerikaanse ballroom dans als de foxtrot en uitbundig gebruik van slagwerk liet Smit in 1922 (nog voor hij cum laude afstudeerde als componist) al een veel internationaler en eigentijdser geluid horen dan zijn compositieleraren Jan Willem Kersbergen, Bernard Zweers en Sem Dresden.

De jonge Duitse dirigent Roger Epple gaf een markante lezing van de veel te weinig uitgevoerde briljant georkestreerde puntdichten, waarin Smit vlot laveert tussen zwier, lyriek en gedurfde luidruchtigheid. Een melancholiek althobo solootje (deel 2) werd adequaat afgewisseld met een brutaal slotakkoord, gevolgd door de Stravinskyaanse humor van puntig fagotspel en leeuwengebrul in de trombones (deel 3).

Snel schakelen en ritmische veerkracht bleken tevens de troeven waarmee Epple Bartóks Danssuite voor orkest uit 1923 tot een flitsend volksfeest wist te maken.

Veelbelovend bleek de uit Boedapest afkomstige violist Kristóf Baráti. Hij etaleerde een grote dragende toon in alle registers in een ingetogen lezing van het Vioolconcert van Mendelssohn. Mendelssohn had met Leo Smit gemeen dat hij joods was, maar daar houdt elke vergelijking mee op. Passender was het geweest wanneer Baráti het Vioolconcert van de net als Leo Smit door vervolging om het leven gekomen joods-Nederlandse componist Nico Richter (1915-1945) had mogen uitvoeren.

Werk van Nico Richter kwam in het Matinee-concert in de Kleine Zaal wel aan bod, maar in de Grote Zaal werd een mooie kans gemist. De vergeten muziek van deze briljante leerling van de dirigent Hermann Scherchen had een logische brug kunnen slaan naar de eveneens uitgevoerde liederen van Schönberg en Zemlinsky, die nu helaas erg detoneerden met de vrolijke orkestsuites van Smit en Bartók.

Bloedserieus, grimmig, donker en somber klonken deze ballades voor zang en piano uit 1907 die Schönberg en de Weense dirigent Zemlinsky (Schönbergs zwager) beiden componeerden op dezelfde gedichten van Heinrich Ammann en de joodse dichter Viktor Klemperer. De vorig jaar overleden componist Jan van Vlijmen maakte er orkestraties van.

De Duitse bariton Dietrich Henschel zorgde voor mooie momenten, maar moest het vaak afleggen tegen het geweld van de orkestrale uitbarstingen. Met name in Zemlinsky's versie van Jane Grey kwam het lawaai als kruiende ijs van alle kanten op hem af. Het best in balans was Van Vlijmens bewerking van vijf aangrijpende liederen van Zemlinsky op poëzie van Richard Dehmel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden