Wereldliteratuur krijgt ander gezicht

Het Westen, zo wordt ons stelselmatig ingeprent, heeft in zijn voormalige koloniën niets dan kwaad gesticht. De inheemse cultuur werd kapotgemaakt en het beeld dat, bijvoorbeeld in de literatuur, van deze landen werd gegeven, was een grove vertekening van de realiteit....

Je kunt een dergelijk standpunt aanvaarden en besluiten voor de rest van je leven het boetekleed te dragen. Je kunt je ook afvragen of een dergelijke benadering niet veel te simplistisch is en om die reden alleen al tot niets leidt.

In het 'tijdschrift voor wereldliteratuur' Armada schrijft Hans Bertens over de Ghanese intellectueel Kwame Anthony Appiah - kind van een zwarte vader en een blanke Engelse moeder - die getracht heeft een ander licht te werpen op de verhouding tussen het Westen en, in dit geval, Afrika. Volgens hem zijn het vooral zwarte Amerikaanse intellectuelen geweest, die 'om begrijpelijke redenen' - schrijft Bertens - 'de kolonisatie van Afrika en de gevolgen daarvan voor de bevolking hebben geïnterpreteerd vanuit hun eigen gemarginaliseerde positie in de Verenigde Staten.' Zij trokken 'de voor de hand liggende conclusie dat het racisme dat hun dagelijkse werkelijkheid kenmerkte ook de dagelijkse praktijk in Afrika was.'

Afrika, zo concludeert Bertens op grond van Appiah's studie In My Father's House: Africa in the Philosophy of Culture, 'heeft aanzienlijk minder onder de kolonisatie te lijden gehad, althans in cultureel opzicht, dan niet-Afrikaanse intellectuelen vaak zonder meer hebben aangenomen. Wat aangezien wordt voor de gevolgen van de kolonisatie zijn vaak veel eerder de gevolgen van het moderniseringsproces dat overal in Afrika in volle gang is. Echter, die modernisering zou ook zonder kolonisatie onvermijdelijk zijn geweest.'

Misschien, zou je kunnen zeggen als je dit leest, hoeft de emancipatie waaraan de voormalige 'wingewesten' na de dekolonisatie onderhevig zijn, niet alleen te leiden tot klakkeloze beschuldigingen aan het adres van 'het Westen', maar kan ze ook een nuancering teweegbrengen die beide partijen - zowel de kolonisatoren als de gekoloniseerden - tot voordeel strekt.

Het is de teneur van dit nummer, het tweede alweer van Armada, die door Ieme van der Poel in haar inleidende stuk met de woorden 'Tegen de clichés' wordt aangegeven. Uitgangspunt voor deze aflevering is de opvallende opkomst van schrijvers uit de voormalige koloniën, die internationaal tot het hoogste niveau zijn doorgedrongen. Salman Rushdie, fakkeldrager en slachtoffer - maar niet van 'het Westen' - heeft ons met zijn treffende formulering 'the empire writes back to the centre' de ogen geopend voor de kracht waarmee de Derde Wereld doende is de oude wereld van repliek te dienen. Hij, en vele, vele anderen geven de wereldliteratuur een ander gezicht.

Natuurlijk komt er in deze aflevering van Armada veel meer aan de orde. Zo schrijft Willem Otterspeer kritisch over de Amerikaanse Palestijn Edward Said. Henk Pröpper droomt zich weg uit Karl May (met z'n Kara Ben Nemsi) naar de moderne Maghreb-roman van Noord-Afrika. Marijke Emeis en Andrew Walser belichten Wole Soyinka. H.M.J. Maier doet verslag van het gefrusteerde literaire leven in Jakarta en Michiel van Kempen heeft het over de letteren in Suriname.

Helemaal bevredigend is de manier waarop het thema van de 'postkoloniale literatuur' wordt uitgewerkt niet. De stukken zijn soms ook niet vrij van het gortdroge academisme waaraan je kunt aflezen dat men niet altijd even goed beseft dat er ook buiten de universiteit mensen zijn die in deze materie belang stellen. Maar ik vertrouw erop dat de redactie, die bestaat uit Hans Bertens, Ton Naaijkens, Ieme van der Poel, Jo Radersma, Maarten Steenmeijer, Cok van der Voort en Willem G. Weststeijn, kritisch genoeg is om daar in de toekomst verbetering in aan te brengen.

In Dietsche Warande & Belfort is 'de vrouwelijke blik' het centrale onderwerp en daaraan wordt - een beetje rommelig - in citaten en beschouwingen, met een enkel verhaal (van Josien Laurier) en poëzie (van Anneke Brassinga, Miriam van Hee, Anna Enquist, Christine D'Haen, Elly de Waard en de Zweedse Birgitta Lillpers) gestalte gegeven. Als thema, los van sommige afzonderlijke bijdragen, niet erg sterk. Je begint pas onbekommerd, en onbelast te genieten als je de (mooie) verhalen van mannen als Koen Peeters, Willy Roggeman en Jeroen Olyslagers leest, Vlaamse kwaliteit, die je je doet afvragen waarom dit blad nu opeens zo modieus meewaait met een Noordnederlandse, Randstedelijke bries.

Herman Servotte schrijft over de Ierse dichter Seamus Heaney en Bart Vervaeck maakt duidelijk dat Turkenvespers van Louis Ferron als een 'postmoderne' roman gelezen moet worden. Als de critici dat indertijd gedaan hadden, zouden ze dit boek aanzienlijk beter begrepen hebben.

Een van de intelligentse critici was toen volgens Vervaeck Anthony Mertens, tegenwoordig redacteur van de uitgeverij Querido en je zou verwachten dat zo iemand ook wel genade zou vinden in de ogen van twee andere, 'postmodern' gepokte academici, Jos Joosten en Marc Reugebrink, die in De Gids een 'kritische correspondentie' voeren over de hedendaagse kritiek. Maar nee, van de 'ex-criticus' Mertens vraagt Reugebrink zich af of hij zich wel ooit criticus heeft mógen noemen (omdat hij nooit poëzie besprak). En ook verder is het recensiewezen in Nederland een verschrikkelijke knoeiboel.

Zelfs Kees Fens, die hem door Joosten - een leerling van Fens - als een lichtend voorbeeld wordt voorgehouden, ziet Reugebrink niet zitten. Het is een gesprek tussen een dodelijk vermoeide oude heer (Reugebrink), die wekelijks opbokst tegen de beperkingen van Het Nieuwsblad van het Noorden, en zijn jonge vriend (Joosten), die makkelijk praten heeft omdat hij zelf geen kritieken schrijft, zoals Reugebrink hem vaderlijk vermaant. De heren tobben vooral over de invloed van de journalistiek op het literaire waarde-oordeel.

Het zijn geluiden, die je in een aantal Amsterdamse cafés dagelijks kunt horen, maar het kan geen kwaad als men er ook in Groningen of Nijmegen eens zijn licht over laat schijnen.

Willem Kuipers

Armada, 1996, nr. 2, ¿ 17,50.

Dietsche Warande & Belfort, 1996, nr. 1, ¿ 16,50;

De Gids, 1996, nr. 3, ¿ 16,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden