Welvaart wacht aan einde Töddenweg

De Töddenweg loopt van Osnabrück naar de Nederlandse grens bij Oldenzaal en wordt daarna als Marskramerpad I en II voortgezet naar het westen....

Dat komt er dus van als je het routeboekje niet grondig genoeg hebt bekeken. De Töddenweg is in Duitsland aangegeven met een zwart vierkantje, waarin een witte hoofdletter T. Maar in Nederland kun je het aansluitende Marskramerpad slechts vinden als je een rood-witte markering in de gaten houdt. Dus stapten twee niet overmatig geroutineerde lange-afstandswandelaars uit Amsterdam welgemoed van de trein in Osnabrück en struinden meteen af op een paaltje met rood-witte band: 'Dat hebben ze goed gedaan, die Duitsers, daar is er al eentje!'Het waren er veel, wel erg grondig, vonden we eigenlijk.

Ik zal niet zeggen dat we heel Osnabrück hebben gezien voordat we in de smiezen kregen dat het gewone merktekens (pas op, hier staat iets waar je tegenaan kunt botsen) betrof op paaltjes van verkeersborden, maar enigszins buiten de echte Töddenweg zaten we wel degelijk voordat de eerste zwart-witte T opdook. En het stond er nog wel zo nadrukkelijk: de Töddenweg begint bij het raadhuis.

Töddenweg? Dat is de route die Duitse handelaars in linnen en damast plachten af te leggen naar hun afzetgebied in Nederland. Te voet, veelal. Na de Vrede van Munster (1648) waren de Zeven Verenigde Nederlanden in een economische boom van jewelste geraakt en dat trok zoals gewoonlijk ook mensen met handelsgeest aan van buiten de grenzen. Een aantal van deze Tödden of Tüotten (het betekende gewoon 'koopman'in hun eigen onderlinge handelstaaltje, maar in de praktijk werden na verloop van tijd de mannen bedoeld die de zware pakken sjouwden) bleef later in Nederland hangen.

De namen zijn bekend, sommige meer dan dat: Voss, Lampe, Müller, Langemeyer, Peek, Cloppenburg, Vroom, Dreesmann, Brenninkmeyer, Kreymborg. Maar dan zijn we inmiddels al eind 18de eeuw. Brenninkmeyer begon ooit in Sneek (1790), Voss in Heerenveen en Lampe weer in Sneek. En dan had je Anton Sinkel uit Mettingen die een winkelketen begon in Nederland met diverse filialen. Sinkel hield zich al snel niet aan textiel alleen. Hij verkocht veel meer, getuige het liedje: 'In de winkel van Sinkelis alles te koop. Hoeden en petten en dameskorsetten. Doosjes pommade en runderrollade. Drop om te snoepen. En pillen om te poepen.'De allereerste supermarkt, zou je met enige fantasie kunnen zeggen.

De Töddenweg loopt van Osnabrück naar de Nederlandse grens bij Oldenzaal (en wordt daarna als 'Marskramerpad I en II'voortgezet via Deventer naar het westen van Nederland). Je moet niet aannemen dat je overal precies wandelt op de wegen die deze handelaren volgden, maar er zijn voldoende originele stukken bij om een idee te krijgen van de tocht die zij indertijd aflegden.

Het is gloeiend warm, die middag waarop we aanvankelijk de rood-witte paaltjes van Osnabrück aansturen. Maar op de Westerberg hebben we, met enig gejuich voor de eerste echte Todden-T, de goede weg te pakken. De route leidt langs de Botanische Garten, onderdeel van de universiteit van Osnabrück. De tuin moet, zeggen stadbewoners, erg interessant zijn, maar wij hebben er als gevolg van de rood-witte dwaling even geen tijd voor. De weg door het parklandschap van de Westerberg is intussen fraai genoeg.

Je mag niet zwemmen in de Rubbenbruchsee, zo'n anderhalve kilometer verderop, maar de Osnabrücker jeugd trekt zich daar niet veel van aan. De warme wandelaar ziet het aan, kniehoogin het verkoelende water, schoenen en sokken naast de rugzak op de wal. Bij dat meer lijkt het onweer dat al een tijdje dreigt, eindelijk los te barsten. Opvallend veel joggers gaan nog vóór de eerste druppels harder lopen. Dat schijnt onder dieren ook zo te wezen: onrust in de lucht, onrust in het lijf. De man van de fietsbotenverhuur zwaait zijn klanten naar zijn haventje terug. Op het water is het link met bliksem. Maar het blijft bij een paar halfzachte klappen, een flinke partij wind en dan is het weer even drukkend als voordien.

Het waren natuurlijk ondernemende lieden, die Tödden. Elk jaar in februari gingen ze naar het westen, hun afzetgebied. Tegen de oogsttijd kwamen ze terug en in augustus gingen ze dan andermaal richting Nederland. Bij het begin van de winter meldden ze zich weer bij moeder de vrouw. Die was verantwoordelijk voor het (thuis) spinnen en weven van de stoffen die bij de volgende reis als handelswaar meegingen.

Veel Tödden kwamen in de loop der jaren tot welstand, in tegenstelling tot de Hannekemaaiers en Kiepenkerls, arme sloebers die deels dezelfde route liepen om zich te verhuren aan boeren in Noordoost-Nederland. Toen de Tödden eenmaal in Nederland hun winkels hadden gesticht, haalden ze al snel zoons ter opvolging daar naartoe. Veelal gingen ze zelf terug naar hun geboorteplaats om daar te rentenieren en de filantroop uit te hangen. Mettingen en al die andere dorpen zijn er behoorlijk welvarend van geraakt. Dat is tot op de dag van vandaag te zien. Het Tüottenmuseum (op de binnenplaats van Hotel Telsemeyer in Mettingen) toont die welstand. Naast het museum staat een bronzen beeldengroep en ook daar: het waren nette mannen, die handelaren, keurig in de kleren.

Wijzelf geraken deze eerste dag niet verder dan in de buurt van Westerkappeln, nadat we de oude grens tussen Hannover en Pruisen bij Wersen zijn gepasseerd waar in vroeger tijden een heuse douane zetelde want het Heilige Römische Reich Deutscher Nation was qua financiën niet bepaald een eenheid. In ons routeboek staat een Gasthof, pal aan de Töddenweg, en daar hadden we op gemikt als eerste pleisterplaats. Maar o schrik: deze gelegenheid ziet er op afstand heel aangenaam uit, maar blijkt wegen Renovation de eerstkomende maanden gesloten. We hebben bewust geen tent meegenomen en krijgen daar dus meteen de eerste dag al spijt van. Er zit weinig anders op dan per bus naar Osnabrück terug te keren. Morgen zullen we van deze zelfde plek verder gaan.

Diezelfde avond het routeboek wél goed bekeken, vooral de kaartjes. En dan blijkt dat er naar verhouding toch wel erg weinig overnachtingsmogelijkheden aan of dichtbij de route zijn. De spijt van het tentje blijft, er zullen meer dan voldoende plekjes blijken te zijn om een nachtje wild te kamperen. Of hadden we de hele route moeten volplannen met hotelreserveringen? Kan ook natuurlijk, maar minder avontuurlijk. Niet weten waar je 's nachts terechtkomt, is oneindig leuker, maar in het seizoen natuurlijk minder aan te bevelen.

Hoe deden die Tödden dat? Ze liepen ook van herberg naar herberg indertijd, maakten elkaar diets welke overnachtingsplek in orde was en waar je kans liep te worden opgelicht door een foute kastelein. Misschien waren er hier en daar vrolijke dames voorradig om het pleisteren te veraangenamen. Van die herbergen had je er indertijd ook niet zo veel, maar hoogstwaarschijnlijk waren de dagmarsen van de Tödden langer dan de gemiddeld twintig kilometer die wij nu lopen. En dan: de route was natuurlijk voor een groot deels anders, veel meer langs wat nu Bundesstrassen (provinciale wegen) zijn. Je mag ervan uitgaan dat de route toen zeker korter was, maar nu een stuk mooier is.

Zouden ze oog hebben gehad voor het fraaie landschap? Vast minder dan wij en zeker niet na tien of meer van die tochten, twee maal per jaar. Dan denk je allicht aan de volgende uitspanning, aan rust voor je vermoeide ledematen, aan drank voor de dorst. Zou er ooit een Tödde zijn blijven staan bij de grosse Sloopsteene bij Westerkappeln? Ach, een Drent loopt zijn hunebedden ook voorbij.

Maar het landschap is fraai, daar helpt geen moedertjelief aan. Soms word je er hoogst onverwacht op getrakteerd. Voorbeeld: als je in Rheine denkt nog lang niet de rumoerige stad uit te zijn, is daar plotseling een smeedijzeren hek dat de toegang vormt tot een lange laan langs de rivier de Eems. Weg stadsgedruis, binnen enkele tientallen meters. Wandelen langs rivieren en kanalen kan vaak een genoegen zijn. Langs Eems, Vecht (die hier Alte Vechte heet) en het Dortmund-Eemskanaal is het een klein feestje.

Door de Mettener Schweiz gaan we, waarvan de naam alleen al aangeeft dat het landschappelijk iets bijzonders is. Langs Salzbergen komen we waar de oudste nog in bedrijf zijnde olieraffinaderij ter wereld staat (1860). Die werd hier gebouwd toen gezocht werd naar kolen en olieleisteen werd aangetroffen. Die olieleisteen werd maar twee jaar ontgonnen, maar sindsdien raffineert men hier olie die van elders wordt aangevoerd.

Uitzonderlijk fraai zijn de laatste kilometers richting Bentheim door het bos. Haast middeleeuws. Bentheim is officieel Bad Bentheim (staatlich anerkannt hoor je er dan eigenlijk bij te zeggen) omdat de zwavelbronnen goed schijnen te zijn voor mensen met huidaandoeningen. Wij worden op de brug boven de zogenaamde Franzosenschlucht overvallen door een echt onweer en boeken zonder verder nadenken drijfnat in Hotel Grossfeld, pal naast het kasteel. Dat blijkt de volgende ochtend aan het ontbijt een kwetterende volière vol pas gepensioneerden en nog ouderen van dagen. En allemaal Nederlanders. Bentheim blijkt een hoogst populair toeristenstadje. Vanaf de burcht kun je kilometers ver kijken. Hier is het eind van het Teutoburger Woud.

In Gildehaus zet het enige cafe ter plaatse de hongerige wandelaar een goulashsoep van heb ikjoudaar voor. Maar Gildehaus voelt zich niet helemaal lekker. De lage huizenprijzen zorgen voor een enorme trek van Nederlanders hier naartoe. De kastelein in plattduuts: 'Die Kinder goat noar de Schoole in Hollaand. Integreern, dat doot ze nich.' Hij wijst naar de overkant waar een prachtig winkelpand, annex grote woning plus een flinke lap grond voor drie ton aan euros te koop staat. Ook zijn eigen huis is te hebben. Einde Gulashsuppe dus? Hoogst jammer.

Na dit etaleren van euregioproblemen is het nog maar een een kort stukje tot de Nederlandse grens. In feite is dat het riviertje de Dinkel. Twente, Tubantia, Tukkerland. Het Twentse volkslied is, gek genoeg, niet in dialect, maar in een wat pompeus ABN geschreven: 'Er ligt tussen Dinkel en Regge een land. Ons schone en nijvere Twente.' Even verderop: 'Daar golft op de essen het goudgele graan. Doet 't snelvlietend beekje het molenrad gaan.' Klopt allemaal. Nog altijd. Al wordt het snel minder, want Twentestad is nog lang niet uitgegroeid.

Einde Töddenweg. Bij het eerste rood-witte teken van het Marskramerpad, nu dan eindelijk het echte - valt een beetje tegen, want verbleekt in de zon en veel kleiner dan we verwachtten na onze Osnabrücker missers - slaan we linksaf, naar Losser. Vandaar pendelt een bus met Enschede. En daar weer start twee keer per uur de intercity naar de Randstad. Het Marskramerpad is voor later.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden