Welke kunst vindt Jan Mulder eigenlijk mooi?

Van literatuur leer ik, kunst werpt me omver.' Jan Mulder, juryvoorzitter van De Volkskrant Beeldende Kunstprijs, vertelt over zijn liefde voor kunst. Hij toont zijn eigen collectie, het 'allegaartje van Jan'.

Jan Mulder (links) in Hoofddorp in 2007, bij de opening van een tentoonstelling met werk van Hella en Freek de Jonge (rechts).Beeld ANP

Jan Mulder, de armen vooruit zoals Jan Mulder dat doet als hij ergens enthousiast over is. Hij staat in zijn slaapkamer, voor een schilderij van IJsbrant van Wijngaarden. Groot, expressionistisch doek, dik in de verf, barstensvol verhalen.

'Hier kan ik in verzinken en eeuwig naar kijken', zo zegt Mulder het dan. 'Het is theater, liefde, humor. Het zijn jurken, de brasserie, een afwijzing in een brief. Het is de teloorgang, en zo nu en dan een opleving. Snap je?'

Een harde lach - alsof het hem geen ernst is.

Waarom vind je het een mooi werk?
'Omdat ik er mezelf in herken, maar meer nog: omdat het boven mijn pet gaat.'

Vrijdag in Nieuwolda, Groningen. In het huis van Jan en Johanna Mulder zijn de muren behangen met schilderijen. IJsbrant, Alex van Warmerdam, Armando, Hans Verhagen, Marlene Dumas, Jeroen Henneman, Jan Maarten Voskuil. Het is een kleine, maar beslist museale collectie.

'Het allegaartje van Jan', noemt hij het zelf. 'Ik ben een allemansvriend. Ik vind Vermeer ook mooi. En Mondriaan. David Hockney.'

Als juryvoorzitter maakt hij komend weekeinde in het NTR-programma Kunststof bekend wie zich de winnaar van De Volkskrant Beeldende Kunstprijs 2012 mag noemen.

Aan het werk van de vijf genomineerden, hij zegt het heel eerlijk, moest hij wennen. De dierenfoto's van Charlotte Dumas, de installaties van David Jablonowski en Sarah van Sonsbeeck, de performancekunst van Rory Pilgrim en de animatiefilms van Tala Madani: 'Ik vind dat doorgaans beeldende kunst voor anderen. Het is een generatiekloof misschien. Ik hou van verf, van kleuren, van de penseelstreek, van die ene beweging uit het ongerijmde.'

Heeft het werk van deze vijf je op andere gedachten gebracht?
'Dat is het goeie van kunst: soms moet je er een beetje je best voor doen. Het werk van Jablonowski, daar zag ik, toen ik er langer naar keek, grote poëtische schoonheid in. Dat waren ineens geen kopieermachines meer, maar heel teder werk. En de foto's van Charlotte Dumas: het was alsof die dieren voor haar poseerden, als mensen bijna.'

Wat was jouw rol in de jury?
'Ik was de buitenstaander. Ik kon vragen stellen. Bij een schilderij van watjes, van Sarah van Sonsbeeck, dacht ik: dit is de Zero-kunst van Schoonhoven en Armando, wat is daar nou nieuw aan? Maar dan zie je dat werk in de context van haar stilte-project, en begrijp je er weer meer van.'

Wat hij zeggen wil: soms moet je een beetje worden geholpen in je ontwikkeling door mensen die meer van kunst weten dan jij. 'Een paar jaar geleden was er een kunstenares, Joanneke Meester, die had een pistooltje gemaakt uit haar eigen huid. Aan Rudi Fuchs, ik ken hem een beetje, vroeg ik wat hij daarvan vond. Zei Fuchs: 'Een traan.' Prachtig. Een traan. Als iemand als Fuchs dat zegt, ga ik toch met meer interesse kijken.'

Zijn liefde voor de beeldende kunst ontstond begin jaren zeventig. Mulder voetbalde bij Anderlecht in Brussel. Stond hij niet op het veld, dan zwierf hij rond op de Avenue Louise, en ging hij naar de galeries. Naïeve kunst, daar hield hij van. 'Kijk, dit was het eerste dat ik kocht.'

Hij staat voor een landschapje. 'Van Willem Westbroek uit Rotterdam. Ik speelde inmiddels bij Ajax, lag met een blessure in het ziekenhuis, ik moest getroost worden. In De Tijd zag ik een foto van dit werk, en toen zei ik tegen Johanna: 'Koop dat voor me, dan gaat het iets beter met me.'

Wat vond je troostend aan dat schilderij?
'Het verstilde van dat lege landschap. Ik weet het nog goed: het was de eerste keer dat ik werd geraakt door de schoonheid van schilderkunst.'

En wat sprak je juist in die naïeve kunst aan?
'Het precieze. Een mooie heg, een bijpassend vogeltje, een kerk met gansjes. Ha! Haha. Nu zou ik het niet meer kopen. Te braaf.'

In zijn Ajax-tijd raakte hij bevriend met uitgever Thomas Rap, met journalist en dichter Nico Scheepmaker, met Jeroen Henneman en Remco Campert. 'Dat waren allemaal Ajax-supporters. Henneman bracht me in contact met IJsbrant. En de dichter Hans Verhagen nam me mee naar Armando. Zo ben ik dus vooral werk van vrienden gaan kopen.'

Vind je alles wat vrienden maken mooi?
'Dat is bijna vanzelfsprekend. Heel soms zie je iets waarvan je denkt: dit is te makkelijk, of te gewild leukerig.'

Zeg je dat dan?
'Tegen Jeroen heb ik dat gezegd, ja. Op een heel elegante manier, dat wel. Toen hij met zijn staande tekeningen begon, van gefiguurzaagde stukjes triplex, vond ik dat bijna huisvlijt. Maar later werden dat toch knappe portretten, van Freddy Heineken, van Beatrix. Kunstenaars zijn je altijd een stapje voor, hè? Hij heeft ook wel eens een periode gehad dat hij helemaal in het beton zat. Maakte hij eindeloos veel schilderijen van flatgebouwen, ik heb er boven nog een paar. Dat dreef hij zo lang door, dat ik een keer gezegd heb: 'En nou wil ik wel weer eens uít die stad.'

Zit er een rode draad in jouw verzameling?
'Ik ben gevoelig voor stille, melancholieke scènes. De strakke zwembaden die David Hockney vroeger schilderde: prachtig.'

Hij loopt weer naar een doek van IJsbrant. 'En humor, dat moet er ook in zitten. Kijk, daar rechts, die man die daar het haardvuurtje al opstookt, om straks het geluk te delen met die vrouw. Ha! Hij maakt het gezellig. Daar hou ik van.'

Van IJsbrant loopt hij naar Man met koffers van Alex van Warmerdam. 'Daar zie ik Alex in. En isolement. En dreiging. Het is een mooi strak ding. Mooie kleur ook. Ik geniet er nog elke dag van.'

Wat is voor jou de functie van kunst?
'Het moet me raken. Ik ben meer van de schoonheid en minder van het choqueren. Ik heb moeite met het ophangen van dode dieren.'

Of met het doorzagen van koeien.
'Ja, wie deed dat ook weer. Damien Hirst?'

Een langgerekt 'jaaa' kondigt het plezier alweer aan. 'Maar nu! Mijn vriend Jeroen Henneman zegt dan tegen mij: ga eens even naar het Rijksmuseum, naar die doodskop met die diamanten, hoe heet dat werk ook weer, ook van Hirst.'

For the love of God.
'Dus ik daarheen, stond ik in die donkere zaal, vond ik het toch geweldig. Wat een schitterend werk.'

Moet je kunst willen begrijpen?
'Hoeft niet. Liever niet.'

Hij trekt de vergelijking met literatuur, die andere liefde. Zou hij moeten zeggen wat een grotere rol speelt in zijn leven, kunst of literatuur, dan werd het kunst. 'Woorden scheppen een wereld die moeilijker is. Ik ben veel primitiever. Van literatuur leer ik, maar kunst werpt me omver.'

Zijn zoon Geret schilderde. Hij heeft het vaker verteld, hoe hij en zijn vrouw Johanna na een avond uit om vier uur 's nachts thuiskwamen, en het licht in Gerets kamer aan zagen. 'Hij was toen 7. Hij kwam naar ons toe en zei: Ik heb jullie geschilderd.'

In de keuken hangen twee schilderijtjes naast elkaar. Links: een herenschoen. Rechts: een schoen met hoge hak. 'Dat is toch niet te geloven? Dat een kind op die leeftijd zo denkt?'

In de slaapkamer hangt een abstract doek, van twee bij drie meter. Ook van Geret. 'Toen was hij 9, 10 misschien.'

We lopen door het huis. Overal hangt werk van Geret. 'Hier: een Russische man. Daar: een luisterend oor. Was-ie ook pas 7.'

Schildert hij nog steeds?
'Nee. Terwijl hij zo'n groot talent is. Met zo'n vreemde, rare gedachtegang. Die jóngen. Hij heeft mijn leven zo verrijkt, daar kan ik wel om janken.'

Hij vertelt hoe ze vroeger samen op zijn kamer aan het werk waren. 'Hij tegen de ene muur en ik tegen de andere. Ik kon zo genieten van zijn rug. Die voornáámheid. Totaal geconcentreerd, even een stapje achteruit doen, en dan vloeiend in beweging komen, vanuit zijn gedachten. Onvergetelijk. Ik weet nog dat ik een keer thuiskwam, na een training, en dat hij zei: 'Papa, ik heb haar.' Dat was dit schilderij, van deze vrouw. Na lang nadenken was het hem gelukt haren te schilderen. En daar konden we dan intens gelukkig om zijn.'

Vind je zijn schilderijen eigenlijk de mooiste uit je verzameling?
'Ik heb er wel het meeste gevoel bij. Omdat ze van hem zijn, begrijp je?'

Als je de topstukken zou moeten aanwijzen...
'Dan wordt het IJsbrant. En een werk van ijzerdraad van Henneman. En natuurlijk Armando.' Hij loopt naar de gang, naar drie witte doeken met één doorlopende potloodstreep. Hij houdt van een mooie lijn, zegt Mulder, daar kan hij heel lang naar kijken. 'Die gevoeligheid.'

Nu hij er zo over nadenkt: zijn smaak wordt de laatste jaren steeds abstracter. 'Door het voorzitterschap van de Volkskrant Beeldende Kunstprijs ben ik zelfs in minimal art gaan geloven.'

De gebogen schilderijen van Jan Maarten Voskuil, zijn laatste ontdekking, doen hem aan Mondriaan denken. 'Zo'n mooi strak vlak, daar hou ik van. Het is als met een voetbalveld: dat vind ik ook mooier zonder spelers. Die rechte lijnen, dat strafschopgebied. Niet opkomen! Niet doen. Zelfs Messi: blijf weg!' Weer die lange uithalen in zijn woorden: 'Jaha. Nu komen we bij de kern. De overeenkomst tussen voetbal en kúnst.

Is die er?
'Nee.'

En als je schilders met voetballers vergelijkt. Zoals IJsbrant.
Meteen: 'George Best. Virtuoos en grillig. Niet effectief, maar kleurrijk. Hij was de man voor wie je naar het stadion ging. De jaren zeventig, dat waren The Beatles, Cruijff, the Rolling Stones. En George Best. Vooral George Best.

Later: 'Mag ik Best nog inruilen voor Tadic, van FC Groningen? Ook zo'n wulpse speler. Die schildert mooie dingen op het veld.'

En wie zet je naast Jan Maarten Voskuil?
'Piet Keizer. Dat is het andere uiterste: de schoonheid van het niets. Piet kwam met een korte rechte streep uit op het punt waar Messi zes spelers voorbij dribbelen moet.'

Je tekent zelf ook.
Hij loopt meteen naar zijn werkkamer. Komt terug met twee A4'tjes. 'Kijk, dit maak ik. Honderden. Zo. Deze onzin. Ik ben een lijnentrekker.' Hij wacht even de reactie af. 'En dan draai ik het papier om, en kijk ik wat het is. Hier, een mannetje en een vrouwtje.

En borsten.
'Toch weer borsten. Ja! Goeie kop voor je stuk.' Hij loopt weg en in de gang galmt het: 'Toch weer borsten. Ha! Haha!'

De jury

De jury van de Volkskrant Beeldende Kunstprijs 2012 bestaat dit jaar, naast Jan Mulder, uit Lex ter Braak, directeur van de Jan van Eijk Academie in Maastricht en oud- directeur van het fonds BKVB, Sacha Bronwasser, kunstcricticus van de Volkskrant en schrijver van het boek Zo werken wij, en beeldend kunstenaar Maria Roosen.

In een speciale uitzending van Kunststof TV, op zondag 8 april, wordt de winnaar bekendgemaakt van de De Volkskrant Beeldende Kunstprijs 2012. Vijf getalenteerde kunstenaars, niet ouder dan 35 jaar en werkzaam in Nederland, zijn door specialisten uit de kunstwereld genomineerd. Hun werk is tot en met 17 juni te zien in het Stedelijk Museum Schiedam. De kunstprijs beleeft zijn zesde editie en wordt georganiseerd in samenwerking met de Volkskrant, het Mondriaan Fonds en de NTR. De prijs van 10.000 euro is gefinancierd door het Mondriaan Fonds. Tijdens het Museumweekend, op 14 en 15 april, worden in het Stedelijk Museum Schiedam speciale activiteiten gehouden rond de tentoonstelling. Op 15 april geeft conservator Wilma Sütö een rondleiding. Op 14 april, vanaf 14.00 uur, kunnen bezoekers hun eigen favoriet filmen. De speciale Volkskrantdag is op 17 juni, met rondleidingen, een eenmalige performance van genomineerde Rory Pilgrim, en de bekendmaking van de publieksfavoriet. Filmpjes over de genomineerde kunstenaars zijn te zien op vk.nl/kunstprijs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden