WEL WOORDEN, GEEN DADEN

Het openlijke conflict tussen museumdirecteuren en de Mondriaan Stichting is terug te voeren op een ouderwetse generatiestrijd. Jonge conservatoren met frisse ideeën verwijten de zittende macht een gebrek aan visie....

Was het nu een oplaaiend binnenbrandje, een onverdroten machtstrijd of een regelrechte oorlog die de gemoederen binnen de musea voor moderne kunst in Nederland de afgelopen twee maanden in de greep hield? Zeker is dat de omstreden aanstelling, door de Mondriaan Stichting, van Maria Hlavajova als curator voor de Nederlandse inzending voor de biënnale in Venetië, slechts een katalysator was om de verhoudingen binnen de Nederlandse museumwereld opnieuw te bezien.

Het conflict tussen de directeuren van de grote musea in Den Haag, Amsterdam, Otterlo, Utrecht, Groningen, Rotterdam en Tilburg aan de ene kant en de Mondriaan Stichting aan de andere leek zich even toe te spitsen op wie het in de museumwereld inhoudelijk voor het zeggen heeft als het gaat om beleid, de internationale agenda, kennis en expertise. Maar de controverse kreeg een verrassende draai toen Roel Arkesteijn (conservator van het Gemeentemuseum in Den Haag), Edwin Jacobs (oud-directeur van Museum Jan Cunen, Oss), Stijn Huijts (directeur van Het Domein, Sittard) en Meta Knol (conservator van het Centraal Museum, Utrecht) openlijk partij kozen vóór de Mondriaan Stichting en tégen de ‘vrij eenvormige groep blanke mannen die verbitterd is over het feit dat een nieuwe generatie een andere richting opgaat’, zoals Arkesteijn in NRC Handelsblad de leden van het miniconvent omschreef.

Zo duidelijk waren de messen nog niet eerder geslepen. Wat begon als een procedurele kwestie – waarom had de Mondriaan Stichting de directeuren van de grote musea, georganiseerd in het zogenoemde ‘miniconvent’, niet voor de aanstelling van Hlavajova geconsulteerd? – groeide uit tot een heuse scheiding der geesten. Met als onderliggende teneur dat ‘ouderwetse bestuurders signalen van jongere generaties niet op waarde schatten’, zoals Jacobs, Huijts en Knol in hun Manifest voor een mondig museum stelden.

Je hoeft over weinig verbeeldingskracht te beschikken om in deze verbale schermutselingen een ouderwetse generatiestrijd te bespeuren. Met twee partijen die alleen al wat hun leeftijd betreft grote verschillen vertonen: de directeuren die een gemiddelde leeftijd van 55 jaar hebben, tegenover een generatie van collega’s en conservatoren die beduidend jonger is, want grotendeels na 1960 geboren. Twee partijen, waarvan de oudste (soms al geruime tijd) de directeurszetels van de belangrijkste musea bezet; en de jongere lichting even lang daar als conservatoren werkzaam is, of in de provincie de kleine instellingen runt.

Inzet van het lopende conflict is de toekomst van het Nederlandse museum voor moderne kunst omdat die, volgens de criticasters van het miniconvent, onder de huidige leiding van babyboomers dreigt te verwateren tot een ‘monocultuur’. De musea blijven zich richten, zo menen de opstellers van het Manifest, op het ‘masculiene egocentrisme en het dominante, westerse etnocentrisme’, terwijl de hedendaagse kunst daar juist van los probeert te komen.

Helemaal bezijden de waarheid is hun kritiek niet. Wie de recente aankopen van het Gemeentemuseum en het Stedelijk bekijkt, komt inderdaad tot de conclusie dat het aandeel westers georiënteerde kunstwerken overstelpend is. Het is ook af te lezen aan het tentoonstellingsaanbod van de afgelopen paar jaar. Het Groninger Museum toonde exposities van Jan Cremer, Fatale vrouwen, het Russisch landschap en (nu) Herman Brood; het Gemeentemuseum de kunstverzameling van het Bouwfonds, Bernard Buffet, B.C. Epker en Co Westerik; het Centraal Museum liet een overzicht van Amerikaanse kunst zien, de Geboorte van Nijntje en (momenteel) de Situationisten; het Bonnefantenmuseum Thomas Hirschhorn, de Hema, Gilbert & George en Lily van der Stokker.

Je kunt van mening verschillen over de kwaliteit van elke tentoonstelling op zichzelf en concluderen dat het aanbod aangenaam veelzijdig is – het is ook verdraaid fragmentarisch.

Afgaande op de keuze zijn de daarvoor verantwoordelijke directeuren niet te betrappen op een overkoepelende, artistieke gedachte of een visionaire blik op hoe de veranderende kunst in een veranderend museum getoond moet worden. Het wachten is tot nu toe op het verzamelde werk van de heren Ex, Van Twist, Van Tuyl, Van Krimpen en Van Grevensteijn (directeuren van respectievelijk Museum Boijmans Van Beuningen, Groninger Museum, Stedelijk Museum, Gemeentemuseum Den Haag en Bonnefantenmuseum), waarin ze hun onderliggende gedachten, overwegingen, theorieën en opvattingen nader uitleggen.

Je kan het er wel of niet mee eens zijn geweest, maar Rudi Fuchs publiceerde regelmatig over zijn ideeën van een museum als leerschool en de kunst als een vorm van Bildung, net als Frans Haks het graag mocht hebben over de overeenkomst tussen kunst, reclame, geld en vertier, en Jean Leering garant stond voor een sociaal bewogen engagement.

Het gebrek aan samenhang en een onderscheidende visie maakt de herkenbaarheid van de verschillende musea er bovendien niet beter op: niet ten opzichte van de andere collega-musea in Nederland, niet tegenover de omliggende landen. Maar zoals Wim van Krimpen, directeur van het Gemeentemuseum, twee jaar geleden in De Groene Amsterdammer, al zei: ‘Ik heb maling aan wat ze in het buitenland vinden. Zolang ik maar wereldberoemd ben in eigen land.’

De uitspraak is tekenend voor de arrogantie van de babyboomdirecteuren. Het interesseert ze niet wat anderen over hen denken, zolang ze maar precies kunnen doen wat hen voor ogen staat. Waarom verantwoording afleggen als je toch directeur bent?

Vreemd, want ook directeuren als Ex, Van Grevensteijn, Van Tuyl en Van Krimpen zijn hun carrière begonnen met de introductie van nieuwe expositiemodellen, onbekende buitenlandse kunstenaars en een ander museumbeleid. Je blijft je verwonderen waarom hun artistieke beleid in de loop der tijd ondergeschikt is geraakt aan bedrijfsvoering en marktwerking, zoals ook de aanklacht in het Manifest luidt. De babyboomers die van aanpakken wisten, en hun kunstinhoudelijke opvattingen probeerden te verwezenlijken in een zakelijk, financieel gezonde museumomgeving, zijn veranderd in opportunistische pragmatici. Ze vertellen liever dat het bezoekersaantal met 10 procent is gestegen, de financiën kloppen en hun bedrijf ‘terug aan de nieuwe top’ komt. Iedereen die daarop kritiek heeft en aan hun status en hegemonie tornt – lees: de Mondriaan Stichting, de drie opstellers van het manifest, Roel Arkesteijn – krijgt de wind van voren. Niet inhoudelijk, maar met Machiavelliaanse powerplay.

De jonge directeuren van kleinere musea en conservatoren van de grotere musea hebben daarentegen veel frissere ideeën dan hun confrères en superieuren. Dat geldt niet alleen voor de opstellers van het Manifest en Roel Arkesteijn, het geldt ook voor Rutger Wolfson, directeur van De Vleeshal in Middelburg die aan zijn tweede boek werkt over de toekomst van het museum. Of voor Macha Roesink die van De Paviljoens een cultureel onderkomen voor de Almeerse bevolking maakt, en Rein Wolfs, conservator van het Boijmans, die drie jaar geleden de Nederlandse bijdrage voor de biënnale van Venetië aangreep om een politiek statement te maken.

Het geldt voor een hele generatie van (relatief) jonge conservatoren waar je tentoonstellingen van ziet en catalogusteksten van leest, waaruit duidelijk wordt dat ze verder proberen te kijken dan de opvatting dat het museum een bedrijf is, en de kunst enkel gebaseerd is op een l’art pour l’art-gedachte. Tentoonstellingsmakers die door de Mondriaan Stichting worden omarmd, wat op de achtergrond heeft meegespeeld bij de controverse tussen het miniconvent en de stichting. Want het steekt de leden van het miniconvent al langer dat de Mondriaan Stichting nooit de directeuren van de grote musea heeft gevraagd de inzending voor de Venetiaanse biënnale samen te stellen, maar wel hun conservatoren, zoals Rein Wolfs, Jaap Guldemond, Leontine Coelewij en Martijn van Nieuwenhuyzen.

De vraag is alleen: wanneer neemt die nieuwe generatie van andersdenkenden een keer het roer over? Waarom blijven ze in de schaduw van hun directeuren werken, hoewel ze daar nadrukkelijk kritiek op hebben. Gek, want wat in de museumwereld niet lukt, is in de Nederlandse kunstwereld intussen al lang gebeurd: babyboomkunstenaars als Jan Dibbets, Co Westerik, Ger Lataster en Ger van Elk zijn voorbijgestreefd door een nieuwe generatie, met mondiale coryfeeën als Inez van Lamsweerde, Marlene Dumas, Joep van Lieshout en Aernout Mik.

Binnen de museumwereld heeft die omslag nog niet plaatsgevonden. Is het een gebrek aan lef en doorzettingsvermogen? Wat met de mond wordt beleden, wordt niet in daden omgezet. De oudere generatie die de handen uit de mouwen stak, luistert dan niet meer naar de jongeren; de jongeren zelf willen zich niet verlagen tot een gezond pragmatisme. Het teveel aan SBS6 van de babyboomers krijgt maar geen levensvatbaar alternatief door het VPRO-gehalte van de volgende generatie. Die blijft liever veilig conservator of maakt zijn klachten kenbaar vanuit de musea in Sittard en Middelburg. Er heerst blijkbaar een aversie om de handen vuil te maken, compromissen te sluiten en blockbusters voor het grote publiek te organiseren, om vervolgens met een inhoudelijke expositie voor ingewijden terug te slaan.

Want dat moet je de meeste directeuren van het miniconvent nageven: ze weten wel hoe ze hun musea financieel draaiende houden, hoe ze vriendenkringen moeten oprichten, bezoekers verleiden, fondsen en sponsors zoeken, onderhandelen met de overheden, zich bezig houden met educatie en pr, et cetera. Sjarel Ex heeft in Utrecht (ondanks zijn tekorterfenis van 1,3 miljoen euro) wel het Centraal Museum op de rails gezet. Van Tuyl maakt er geen punt van om als verkapte bouwheer de nieuwbouw van het Stedelijk van de grond te krijgen. En sinds Van Krimpen in Den Haag aan het bewind is, weet iedereen weer waar het Gemeentemuseum ligt.

Een tussenpositie in deze patstelling neemt de Schot Charles Esche in – als een relatieve buitenstaander: overgekomen uit het buitenland en nog geen twee jaar directeur van het Van Abbemuseum; geen criticus van de Mondriaan Stichting, wél lid van het miniconvent. In de korte periode dat Esche in Eindhoven werkzaam is heeft hij, ondanks het wat wollige taalgebruik, duidelijk weten te maken waar hij voor staat en wat hij met ‘zijn’ museum wil bereiken: een maatschappelijk geëngageerde, multiculturele kunstinstelling, in de geest van zijn voorganger Jean Leering.

Ondanks de kritiek die hem ten deel valt – de kans dat het Van Abbemuseum zijn positie in de internationale kunstwereld zal verspelen en in een veredeld buurtcentrum zal veranderen –, zijn er in Nederland maar weinig directeuren te bespeuren die op deze manier inhoudelijk, zakelijk en publieksbeleid aan elkaar weten te koppelen.

En dat is precies het onderscheid met de generatie babyboomdirecteuren en hun beoogde opvolgers. Het surplus aan managementkwaliteiten van de een staat haaks op het artistieke elan van de anderen. Waar Van Twist, Van Krimpen, Ex, Van Tuyl het te nadrukkelijk hebben over de organisatie van hun musea, bezoekersaantallen, vriendenkringen en sponsors, hebben Wolfson, Huijts, Knol, Arkesteijn en al die anderen die het tijd vinden voor een regime change het daar juist te weinig over. Dat laatste klinkt misschien als muziek in de oren bij de horde kunstexegeten, maar of je daarmee een groot museum kan leiden dat internationaal wil meetellen, nee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.