Wel komen, niet zweren is de chique oplossing

Vanuit staatsrechtelijk oogpunt zijn er vraagtekens te zetten bij de 'ambtsplicht' tot een eed.

In Opinie en Debat van 10 april stelt Frits Korthals Altes dat het afleggen van de eed van trouw aan de Koning op 30 april voortvloeit uit een wettelijke ambtsplicht uit 1992. Vreemd. Die wet regelt slechts een ceremoniële procedure met een eed zonder gevolgen. Het is ook staatsrechtelijk de vraag of die plicht wel bestaat en verbindt. Korthals Altes volgt een vreemde gelegenheidsredenering.


Zo stelt hij dat de eed altijd heeft bestaan. Dat is onjuist. In 1983 is de inhuldigingseed uit de Grondwet geschrapt. De tekst is geparkeerd in een additioneel artikel in afwachting van wettelijke regeling. Kon die eed niet direct helemaal weg, vroegen Kamerleden zich in 1980 af.


Wiegel antwoordde dat een volgende Kamer daarover maar moest beslissen. Dat duurde lang, en de behandeling van de inhuldigingswet verliep vreemd. Het demissionair kabinet Lubbers II diende het in zijn nadagen in, er was nauwelijks aandacht in de Kamers. De kwalificatie 'vergeten' wet lijkt geenszins overdreven.


Wet is wet, onderstreept Altes. Zeker, maar er is wel iets mis met die wet: hij steunt niet op de Grondwet. En dat zou wel moeten als het Kamerleden een ambtsplicht oplegt. Artikel 32 van de Grondwet spreekt alleen over een eed van de Koning bij de inhuldiging. Niks over een eed van Kamerleden. Wel zegt het artikel dat er nadere regels over de inhuldiging mogen worden gesteld bij wet. Maar dat mag natuurlijk alleen over de onderwerpen genoemd in dat artikel.


Niemand zou bijvoorbeeld accepteren dat op basis van art. 32 een wet wordt gemaakt die iedereen een inhuldigingsheffing van 150 euro oplegt of verplicht te buigen. Toch redeneert Korthals Altes zo: er staat iets over inhuldiging in artikel 32 van de Grondwet, dus dan mag het opleggen van een eedsverplichting bij wet ook. Staatsrechtelijk onjuist.


Normaal kijkt de Raad van State naar dit soort dingen, alleen is het advies van de Raad bij de inhuldigingswet geheim gehouden. Waarom weten we niet. De Raad zou op basis van staatsrecht en jurisprudentie zich zeker hebben afgevraagd of artikel 32 voldoende basis biedt voor de inhuldigingswet en eed.


Er zijn dus serieuze grondwettelijke vraagtekens bij de 'ambtsplicht' te stellen. Wat in die redenering zo 'schromelijk onjuist' is, zoals Altes stelt, kunnen wij op grond van ons staatsrecht niet inzien.


Ook Altes' argument, dat de eed het verbond tussen nieuwe Koning en volk bezegelt, snijdt geen hout. Ware het een echt verbond dan zou de Koning ook iets zweren aan de volksvertegenwoordigers. Dat doet hij niet. De eed is daarmee een eenzijdige loyaliteitsverklaring van het parlement aan de Koning. En al heeft die dan geen juridisch gevolg, er gaat wel een verkeerd signaal van uit. De gekozen volksvertegenwoordigers lijken zich te onderschikken aan de Koning.


Veel vragen dus. We staan er ook alleen mee. Andere Europese monarchieën (België, Noorwegen, Denemarken, Spanje en Zweden) hebben allang geen parlementaire inhuldigingseed meer. Inhuldigingseden komen vooral voor in landen waarmee we onszelf wellicht minder graag vergelijken, zoals Thailand, Swaziland, Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar en Koeweit. In India en Kenia liggen ze onder vuur. In Afrika zijn de meeste persoonlijke loyaliteitseden de laatste vijftien jaar afgeschaft. Ze passen namelijk, zo vond men daar, niet in een parlementaire democratie.


Op 30 april hebben parlementariërs volgens ons staatsrecht drie opties: 1. Wegblijven vanwege bezwaren tegen de monarchie. Ongezellig, maar niemand, ook de wet van 1992 niet, kan het hen beletten. 2. Gewoon meedoen aan de procedure, en de eed als plechtige verklaring uitspreken (maar zonder staatsrechtelijk gevolg). 3. Wel aanwezig zijn maar zonder eed. Dat doet niet af aan de feestvreugde, en mag ook. Leden van de Kamers kunnen immers altijd vergaderingen daarvan bijwonen zonder actief daaraan mee te doen (zoals senator Ruud Koole terecht stelt in O&D, 16 april).


Het wel komen, maar niet zweren is dus een sjieke tussenoplossing. Korthals Altes gaat daartegen ten onrechte te keer. En naar die inhuldigingswet moet het parlement na 30 april nog maar eens goed kijken.


Wim Voermans is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

Erik Jurgens is emeritus hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden