Wèl bedankt dat je dood bent gegaan

'Alleen als de drek onder de voordeur uitkomt, mogen jullie me wegslepen.' Cri Stellweg, vroeger Saartje Burgerhart in de Volkskrant, schreef troost voor weduwen....

Oud, dat boekje over oud moet en zal d'r komen. De zinnen schrijven zich vanzelf, zo gonzen ze in haar brein. Zeker, oud is uit. Nog wel. Maar dat gaat veranderen. De laatste uitbarsting van jong zit er aan te komen. Kan niet uitblijven. Want ze gaan er natuurlijk onderdoor, die van jong. De groep ouderen wordt hoe langer hoe groter. Dan komt men er vanzelf achter dat oud helemaal niet zielig in de hoek zit. Belachelijk om te denken dat oud synoniem is voor incapabel. Integendeel.

Hoor eens: jullie generatie, zegt ze met een doordringende blik, jullie generatie zal niet zo oud worden. Kijk, zelf is ze van een lichting die gepokt en gemazeld is door crises, Korea-conflict, oorlog en bezetting, en wederopbouw, de hele mikmak. Die generatie van haar is uit het goede hout. 'Wij moeten echt doodgeknuppeld worden.'

En jullie? zegt ze, jullie weten niet hoe je de dingen het hoofd moet bieden. Te verwend, tot op zekere hoogte. Jazeker. Je hoort het goed: te verwend! Jullie staan niet zo krachtig in het leven. De dingen werden voor jullie opgelost. Zo is het toch?

Ausdauer, daar gaat het om. Ruggegraat. Maakt dat je overal tegen kunt. Komt er morgen oorlog, dan zal iedereen in paniek raken. Iedereen, behalve háár generatie. Die weet hoe het was, hoe het is. Wij zijn er doorhéén gegroeid, zegt ze. Wij hebben de ervaringen meegedragen die tot je eigen ik zijn geworden. Dat geeft een enorme kracht. Enorme levenswil ook. Je ziet het bij overlevenden van concentratiekampen. Hebben ook allemaal dat ene: ik moet en ik zál.

'Natuurlijk is dat monopolistisch gedacht. Maar hoe wil je nou dat ik anders denk?'

Geamuseerde blik, boven een kopje thee. Er zijn chocoladekoekjes. Aan de ronde tafel bij het raam ligt de waaier van een half afgebroken patience-spel. Uit de klok van haar bet-overgrootvader komt een oude galm die haar minder aangenaam treft. 'Hier wonen allemaal bemiddelde bejaarden', had ze de gids van de rondvaartboot horen zeggen. 'Terwijl hier nota bene allemaal hardwerkende jonge mensen wonen. Ik ben hier de enige ouwe paaj.'

Een rollende lach. Cri Stellwegs attitude is er een van: kom maar op, tante lust jullie rauw. Tante zal jullie er eentje laten ruiken.

'Dat vadsige, dat zelfingenomene van zo'n Paul de Leeuw wat een heleboel jongeren hebben, dan denk ik: maak het eens een keer waar. Eens kijken wat daar over tien jaar van over is, van zo'n De Leeuw.' Jazeker, hij heeft het podium om zich publiekelijk te storen aan het gestumper van de bejaarde medemens. En ouderen missen blijkbaar zo'n podium om wat terug te doen. Maar dat heeft de langste tijd geduurd. Zij zal zich het podium verschaffen! Het ligt allemaal in haar hoofd opgetast.

'Het wordt wéér autobiografisch. Ik kan geen fictie schrijven. Ik heb geprobeerd het mevrouw Jansen te laten doen, maar dan denk ik bij mezelf: mevrouw Jansen een beetje mijn leven te laten leiden? Kom nou'

Wanneer hoorde Cri Stellweg (74) voor het eerst over zichzelf praten als oud?

Amper zestig was ze. Liep op een stoep in een dorp waar jongens keihard met een bal aan het schieten waren. Hoorde dat ene joch zeggen: 'Kijk uit voor dat ouwe wijf.'

Je merkt het aan subtiele dingen. In het centrum van haar woonplaats Den Bosch wordt ze gemakshalve overgeslagen als er folders uitgedeeld worden. 'Dan zie je ze denken: die koopt geen ijskast meer. Nee, die wil toch geen hamburgers. En de moeite die ik gehad heb om een huisarts te vinden toen ik hier kwam wonen! O, u bent al zeventig? O, u heeft geen gezinsleden? Nou, daar begin ik niet aan hoor. De praktijk zit vol. Dat zeggen ze natuurlijk niet letterlijk zo, maar dat hóór je er aan af.'

Dan denkt ze heel even: godverdomme, ik wou dat ik m'n rubriek in de Volkskrant nog had. Als er een vrouw van vijftig bij het Journaal wordt uitgemieterd, dan jeuken haar handen. De toenmalige hoofdredacteur van de krant kwam in '86 helemaal op de fiets naar haar huis om te vragen: Saartje Burgerhart (haar pseudoniem), blijf alsjeblieft doorschrijven. Maar na een kwart eeuw had Stellweg het gevoel: het is allemaal gezegd, ik verval in herhalingen.

Het perspectief van winkelen en taartjes eten voor een dame op leeftijd leek haar niet verkeerd. Niks van gekomen. De Wereldomroep stond op de stoep. En toen stierf Fred. Een graf van letters is Stellwegs tweede autobiografische boekje over een sterfbed. In '75 beschreef ze dat van haar broer die in háár huis aan longkanker overleed. Nu ligt er een nieuw kleinood over een rumoerig huwelijk, over rouw. Tederheid en ergernis liggen in elkaars verlengde. De dagen van een weduwe zo evocatief beschreven dat iedereen die een geliefde heeft verloren er troost uit putten kan. De flaptekst overdrijft nu eens niet.

Op de intensive care kijkt ze in de 'eerlijke gezichtjes' van zijn teennagels. Weer ziet ze zichzelf zijn laarzen afsnijden, nadat hij in de oorlog helemaal van de Frans-Zwitserse grens was komen lopen. Naar haar. Hoe ze een mensenleven later samen een graf hadden uitgezocht; geen tweepersoons. 'Dan komt u op een afstand van dertig centimeter van elkaar', zei de kerkhof-administrateur. 'Zo wil het de wet.'

Ze mijmert over de ruziezoeker die zij, als het moest dagen aaneen, strafte met een oorverdovend zwijgen. Ze voelt zijn hand op haar achterste, honderdduizenden tikjes. Hoe ze de klapjes miste in perioden dat het niet goed was.

Ik zie mezelf gaan, alleen, een vrouw-alleen, en het breekt mijn hart. Daar gaat een beklagenswaardig wezen. (. . .) Ik sta mezelf toe om zomaar tranen te laten lopen, midden op straat, in de winkel dat ene kadetje te kopen dat nog nodig is voor dat ene mens dat gevoed moet worden.'

Tranen, toen ze die passage schreef. En de eerste ontmoeting met hem. Hij stond op de kade, zij op de boot. 'Ik voer weg en hij bleef achter. Punt. Toen. Punt. Dan huil je toch? Jullie huilen niet zo gauw, misschien.'

Niks willen weten van andere weduwen, hun gevoel, hun gedrag, hun verdriet. Je eigen verdriet willen beschermen tegen elke vergelijking. Het mijne is uniek en het enige echte. Ik ben de buurman wiens gras groener, het verdriet mooier, groter en zwarter is.

Later pas ging er een zekere satisfactie van uit: niet de enige te wezen. En jezelf voelen als je eigen oude kabinetkast, met kromgetrokken paneel, niet sluitende la, doorgebogen plank. Ze noteert: de wc-bril staat nog maar zelden omhoog. Alleen met je emotie bij Mahlers vierde. An emotion a day keeps the doctor away.

Lauwerkrans van letters, over een vol, rijk leven: haar boekje. Er staat ook veel niet in. Er staat niet in dat er méér mannen waren, eerder. Er staat niet in dat ook hij anderen had. Was niet terzake. Achteloos gebaar met de hand. 'Dat waren uitstapjes die we onszelf af en toe permitteerden. Zo lang de ander daar niet van wist, en zo lang het niet over de drempel van ons huis kwam, tolereerden we dat van elkaar.'

Anders werd 't maar pijnlijk. Misschien een beetje 'katholieke' oplossing, ja. Ze zegt: maar af en toe moet je dat doen om grotere rampen te voorkomen. Het theekopje rammelt op haar schotel.

Hij had een acupuncturist gevonden voor z'n kwalen. In Gronau, over de grens. Dan bleef hij twee dagen weg. Fred had een hele mooie Citroën Break, daar kun je makkelijk op een dag mee heen en weer - van Brabant uit. Dan wist ze gevoelsmatig, dan róók ze: hier klopt iets niet. D'r is iets leuks daar in Gronau.

Je merkt het aan kleine dingen. Er komt een subtiele verandering in zo'n man. De tikjes op haar kont bleven achterwege. En zijzelf. Wie is er mee begonnen? Daar vraag je haar wat. 'We waren allebei. . .'

Kijk, ze had zes mannen om haar wieg heen staan, bij haar geboorte. Dus altijd op mannen gericht. Altijd buitengewoon met mannen kunnen opschieten.

De prinses. Prinses op de erwt, dat spreekt. Enig meisje, het kleine speelpopje van iedereen. In Nijmegen. Zij was de jongste, scheelde zestien jaar met haar oudste broer. Ontzettend verwend door mannelijke aandacht. Van je broers leren hoe je je moet gedragen in het café. Aanvallig, niet te veel kwekken. Van je broers een pilsje leren drinken. Broers die zeiden: dat rokje moet je niet aandoen, dat staat je niet. Die zeiden: moeder, dat kind moet toch eens een bustehouder gaan dragen.

'Ik wist van hun andere dames, die namen ze wel eens mee, m'n broers. Daar mocht thuis niks over gezegd worden. Ik was in de comfortabele positie om chantage van de bovenste plank toe te passen. Ach, m'n lieve broers. Ik heb altijd een sterke band met ze gehad. M'n seksuele opvoeding van ze gekregen. Ze zijn nu dood. Allemaal.'

Thuis behoorde ze tot het kamp van haar moeder, want ze was een meisje. Emancipatorisch avant la lettre, haar moeder. Frieda Katz: een der eerste vrouwelijke parlementariërs. Voor de Christelijk-historischen. Het ouderlijk huis, inmiddels te Kijkduin, hing vol affiches van uiteenlopende politieke partijen. Haar vader, luthers predikant, stemde Colijn. Een van haar broers zag brood in de fascistische beweging van Baars. Een jeugdzonde waar hij niet meer aan herinnerd wenste te worden. 'Dan kreeg ik hem enorm kwaad.'

Iedereen thuis was goed gebekt. Zij vond dat ze ook een mening had, maar ons Cri-tje werd aan de keukentafel onmiddellijk de mond gesnoerd. Hou jij je bekje. 'Dat heeft er alles mee te maken, dat ik ben gaan schrijven. Ik ben mijn broers dus dankbaar.'

Trouwens, haar vader schreef ook. Overpeinzingen in een christelijk krantje. Veel later was er de autoritaire vaderfiguur Lücker die haar van Het Vrije Volk naar de Volkskrant haalde. Het woordje poep mocht ze van hem niet gebruiken. Een column over Juliana werd afgekeurd. Ook de dictafonist vaderde. Die bedacht steeds de kop boven haar stukje. Een dictafonist die uitmaakt wat voor kop er boven je stukje komt? Nou ja, koppen verzinnen kon ze immers niet.

In een bundel Saartje-columns met de titel Wereldjelief ('65) laat zij de Nederlandse huisvrouw van die dagen 's avonds serviel neervleien 'aan de voeten van haar Gerard' en zij 'vangt gretig ieder woord op dat van zijn alwetende lippen valt'. Dat volgzame, dat was haar zelf niet vreemd. Fred was vertegenwoordiger, maar zei: 'Ik werk om te leven.' Dus altijd heeft ze achter zijn jongensdromen aangehold. Paarden wilde hij. In het buitenland wonen wilde hij. Een huis bouwen. In een kasteel wonen. Hij heeft het allemaal gedaan.

'Dan werd de boel weer achter m'n kont opgeruimd en moest ik weer mee, naar iets anders.'

Naar Frankrijk, bijvoorbeeld. In Brieven aan Simon C. (Carmiggelt) noteert schrijver Gerard Reve dat hij in La Grâce bezoek kreeg van 'een stokoude jongeman' en een vrouw die zich Saartje Burgerhart noemde. 'Het waren mensen die mij geheel niet lagen (..) Enfin, ze bleven maar een half uur, en vroegen geen geld te leen.'

Dat was niet zo leuk, zegt Cri Stellweg, 'maar Reve had misschien wel gelijk. Ik denk dat ik daar opgefokt heb gezeten. We waren op zoek naar een huis en Paul Steenbergen, de acteur, had ons gezegd dat Gerard Reve misschien wel een tip had. Reve kende de streek goed waar Fred wilde wonen.

'Ik droom er wel eens van dat de verhuisdozen om me heen staan. Dan moet ik weer alles inpakken. Dan denk ik in zo'n droom: ik doe het niet. O, hij was een goeie partner, er was altijd wel ruimte genoeg voor mij. Maar als hij weer terug naar Nederland wilde, vroeg ik: waaròm nou toch Fred? We zitten hier zo leuk. Dan zei die dat hij ongelukkig was. Hij had genoteerd dat ik ook niet helemaal happy was en als we nou zus en als we nou zo. Zo maakte hij het ook prettig voor mij. Maakte het klimaat waarin ik kon schrijven. Stond altijd aan de kant te joelen: Goed zo Cri.'

Niks te mopperen, o nee. Met Fred voor Avenue de halve wereld afgereisd. 'Mam, je bent een koningin zonder rijk', zegt haar oudste dochter die om de hoek woont. 'Toen ik hier kwamen wonen slopen we in het begin als katten om mekaar heen, we hielden ons hart vast. O god, je moeder om de hoek nietwaar. Soms zien we elkaar een paar weken niet, dan heb ik haar weer vaak te eten. Ik mag weer van haar tekstverwerker gebruik maken, zodra het manuscript voor m'n nieuwe boekje in klad af is.'

Soms haat ze zelfs haar eigen kinderen. 'Maar alleen op zondag', schrijft ze. Omdat je dan geconfronteerd wordt met paren, paars-gewijs eten. Stuitend gezellig. Dan wil ze ergens komen huilen. Een vrouw alleen.

Toen de kinderen groot waren, gingen Fred en zij op zichzelf. Zo heet dat toch? Lukte niet. Daarvoor waren ze te veel aan elkaar verslingerd. Belde hij op: ga je mee eten vanavond? Zei die na afloop: bedankt voor je gezelschap. Belachelijk. Heel onnatuurlijk. In het samenleven met een ander doe je natuurlijk water bij de wijn. Hij vond dat hij op het laatst alleen maar water dronk. 'En aangezien hij een wijnliefhebber was. . . '

Ze douwde hem kranten onder z'n neus; de ander willen opvoeden, hè? Je bent tegelijkertijd slachtoffer en beul in een huwelijk, dat is zeker zo. De eerste keer dat er een ander in het spel was, kwam dat door haar. Een vriend die bleef logeren: verkocht was ze. Maar dat heeft ie leuk opgelost, Fred. De man er uit geflikkerd: pak je koffer, ik zet je op de trein. Hoe romantisch. Toen zei die: en nou gaan wij eens een beetje reizen, pak je koffer. Zo ontzettend rustig en aardig opgelost. Zonder er een woord over te spreken.

Die wederzijdse uitstapjes uit het huwelijk, ja bij hem kondigden die zich overduidelijk aan. Dan had ie ineens pijn. Stond alles hem tegen. Wilde hij naar een Canarisch eiland. Jaja, dacht ze dan. Kwam hij na een week opgelucht terug. 'Uitgewoed, ik hoefde d'r verder niks van te weten. Hij had altijd leuke cadeautjes bij zich.' Een echte vrouwenman, Fred. Had vrouwenvlees. Haar moeder zei: Fred heeft drie dochters gekregen om hem te straffen.

Een foto van een matroos. Zo leerde ze hem kennen. Het mutslintje van de Koninklijke Marine hangt aan de boekenkast. 'Leuke man, hè?' Haar stem klinkt een octaaf hoger.

'Liefde is móói hoor. Je wordt er zo rijk van. Zo warm. En béter.' Vanwaar die lachbui dan? Kijk, je bent 71, het leven zit vol verrassingen: De Ontmoeting, staat in haar boekje, bijna als een verontschuldiging dat het nog kon gebeuren. Lustige Witwe, zoiets. Op de traptree zitten met een volstrekt onbekend en tegelijk bekend 'en blij herkend manmens, dat was toch het mooiste wat me gebeuren kon?'

Van verliefdheid is vriendschap gekomen, en liefde en vertedering met name. Zonder de behoefte daar een dag-in-dag-uit-combinatie van te maken. De liefde is gebleven en ze heeft Fred alles opgebiecht; er gaat een uitstekende busdienst naar het kerkhof in Vught. Ook alle roddels en feiten en speculaties over intimi geeft ze aan hem door, een soort gesproken Privé aan het graf. De laatste ontwikkelingen van het wereldgebeuren.

Laatst, op z'n verjaardag, was het een knusse boel op het kerkhof. Kleinkinderen erbij. 'Het is hier zo gezellig, laten wij hier ook gaan liggen. 'Ja', zei een jongetje van acht verrukt, 'dan spitten we pappie op en dan brengen we die hier ook naar toe. En ik wil begraven worden op schelpjes.'

'Toen wij in de oorlog in zonde en ontzettend verliefd samenleefden, hadden Fred en ik samen een liedje. We zongen dat voor elkaar als we slapen gingen. De laatste dertig, veertig jaar hebben we dat niet meer gezongen, maar toen ik aan het graf stond, kwam het weer boven: Schlaf mein Geliebter, Schliess die Augen zu. Alles was ich habe auf Erde, das bist du. Auch in deine Träumen bist du nie allein. Denn auf alle Wegen werd' ich immer bij dir sein. Daarom heb ik ontzettend de schurft in als er nog een treurende op het kerkhof is. Dan kan ik m'n liedje niet zingen.

'Ha, staat er een bejaarde vrouw op de rand van dementie een liedje te kwelen op het kerkhof! Zie je dat voor je?'

Op de radio hoorde ze de uitspraak: als je gewaardeerd wilt worden: sterf of ga op reis. Maar waarom zou je een keuze maken? Nou ja, ze gaat nu toevallig op reis. Naar Parijs. Gevaarlijke stad waar je moet oppassen niet verliefd te worden. Cri de coeur, schatert ze. Nee, dat romantische ram je er niet uit. 'Apropos, heb je mijn beschilderde sigarenkistjes al gezien op de wc? Kijk, dit is Atlanta 1996, de volleyballertjes moeten er nog bij. Dat is een cadeautje voor m'n schoonzoon.'

Er zijn nog steeds mensen die haar Saartje noemen. Het vleit haar, want de wereld vergeet zo snel. Overeem, de vroegere redactiechef van de Volkskrant, noemt haar Saartje. 'Hij las mijn manuscript en hij zei: 'Wat je schrijft leest nog steeds als een trein'. Hij kon er na de dood van zijn vrouw veel in herkennen. Ik dacht: nou pas kan ik er mee naar m'n uitgever. Toch behoefte aan die vaderblik, ja. En vervolgens had ie er twee grote blocnoot-vellen bijgedaan vol grammaticale onjuistheden, verkeerde interpunctie. Dat is héérlijk.

'Wat er nu op mijn plaats in de krant staat, dat lees ik niet. Die mevrouw Terreehorst is me te gewild, te gekunsteld. Het is niet rechtuit. Daar zit iemand zichzelf op te houwen, zal ik maar zeggen. Ik volg die krant, hij is toch nog min of meer van mij. Zou Jan Blokker misschien niet eens moeten ophouwen? Hij schrijft natuurlijk nog perfect. Juweeltjes soms. Maar niet zelden weet je van tevoren al hoe iets bij hem zal lopen. Dat bedoel ik: voorspelbaar. Ik wou dat m'n lezers niet aandoen. Wegwezen. Ik wilde na verloop van tijd wel weer schrijven, maar anders. Niet terugvallen op wat je bewezen hebt te kunnen.

'Er is natuurlijk nog maar een klein beetje toekomst. Maar zo lang het duurt moet je meedoen. Niet achter de geraniums gaan zitten wachten. Ik ben gezegend met handenvol schoonzusters die in bejaardentehuizen zitten, maar als ik er vandaan kom, ben ik dolblij dat ik weer thuis op mezelf zit. Tegen m'n dochter heb ik gezegd: alleen als de drek onder de voordeur uitkomt, mogen jullie me er wegslepen.'

Pas fietste ze door een wijk met bejaardenwoninkjes, van die lage bouwseltjes waar wat goudsbloemen voor staan. En waar twee gestalten roerloos bij het raam zitten. Eerst dacht ze nog jaloersig: júllie wel. 'Maar dan ze je ze daar zwijgend zitten, in van die witte plastic stoeltjes. De koffie staat op tafel. Geritsel van de krant. Stilte. Die hebben helemaal niks meer, met z'n tweeën.

'Ineens dacht ik aan Fred die ook zo oud begon te worden. Ik zat maar te porren en te sjorren, ik was er helemaal niet rijp voor. Maar Fred was een hele dominante man. Dus als hij was blijven leven, had ie me ook misschien zo ver gekregen dat we daar samen in doodse stilte aan zo'n plastic tafel zaten, met twee koppen koffie.'

Ze fluistert, flauw lachje bij de mondhoeken. 'Het zou kunnen', zegt ze zacht, terwijl betovergrootvaders-klok vinnig slaat. 'Het zou kunnen dat ie me er onder had gekregen.

'Dus ben ik de volgende dag met vijf zonnebloemen naar hem toe gegaan, en heb daar op het kerkhof tegen hem gezegd: Wèl bedankt dat je dood bent gegaan.'

Cri Stellweg: Een graf van letters. Ambo; ¿ 24,90. ISBN 90 263 1421 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden