Wehkamp voor babyboomers

Een spervuur aan flash forwards, een ernstig geval van betrekkingswaan en een lijder aan het symbool-oedeem: waarom wordt de jonge Kroatische schrijver Igor *tiks wereldwijd aangeprezen?...

Michaël Zeeman

De schrijver Richard Richter werd geboren in 1942 en groeide op in Wenen, op Berggasse nummer 17. Die simpele weergave van een van de feiten uit de roman De stoel van Elijah van de Kroatische schrijver Igor *tiks toont in al zijn eenvoud en juistheid aan waar de auteur ruim driehonderd bladzijden voor neemt: die *tiks kan niks.

Hij is een danig over zijn toeren geraakte aansteller en een hysterische kletsmajoor, die in pathetisch proza parasiteert op de perversiteiten van de Europese geschiedenis. Zoals een stuurloos tastende puber voetbalplaatjes gaat verzamelen of schelpen, zo verzamelt hij clichés. Het verschil is, dat *tiks van zijn album een roman maakte. Het is het treurigste dilettantenboek van dit voorjaar.

Berggasse 17 in het negende Bezirk in Wenen? Buren van Sigmund Freud.

‘Richter’ heten en dan uit 1942 zijn en Oostenrijks? Als dat maar geen afrekening wordt, hooggestemde Vergangenheitsbewältigung.

Het is, helaas, nog maar het begin. Die Richard Richter verloor zijn moeder vlak na zijn geboorte, zijn vader keerde terug van het oostfront en pleegde kort daarop zelfmoord. Hij wordt door zijn tante, de zuster van zijn moeder, grootgebracht. Als 50-jarige komt hij weer bij tante thuis, na een stukgelopen huwelijk in Parijs. De hele Cosmopolitan is present (wereldsteden) – en het Psychologie Magazine rammelt al in de brievenbus (identiteit, ouders, midlife). Zo schrijf je geen roman, zo componeer je de Wehkamp voor babyboomers, een postorder-catalogus voor kletskoek bij de open haard, kek onbehagen in oude lappen.

Tijdens een verbouwing vindt Richter in de muur van tante’s huis, achter de boekenkast, een oud zakboekje, waarin zijn dode moeder zich richt tot zijn ware vader. Niet die Wehrmacht-soldaat, maar een communistische Jood uit Joegoslavië blijkt zijn verwekker. Een halve eeuw verontwaardiging moet ineens herschreven worden in een halve eeuw slachtofferschap. Zijn vermeende identiteit is niet zijn ware.

En dat is, helaas, nog altijd slechts het begin. Richter gaat zijn vader zoeken, in het voormalige Joegoslavië. Daar is, want wij schrijven 1992, echter net een oorlog aan de gang. Die gaat ook al over identiteiten: Kroaat tegen Serviërs, katholiek tegen orthodox, Bosnische moslim tegen Kosovaarse Albanees, oud-communist tegen cryptofascist. De plaats waar Richter zich vervoegt is Sarajevo, want daar is, driekwart eeuw eerder, ook al eens een oorlog begonnen. Maar vroeger, jongens en meisjes, leefden wij daar allen in vrede tezamen, de wolf verkeerde er met het lam en de zuigeling strekte er zijn hand uit naar een slang zonder gebeten te worden. Wat een stad. Dat is voorbij, iedereen schiet er inmiddels op iedereen en alles heeft met alles te maken.

En nog altijd zijn wij, helaas, nog maar nauwelijks begonnen. In krampachtig kreupel proza, waarin mensen verstijven als konijnen in het licht van de koplampen van een auto en waarin op vrijwel iedere bladzijde een onheilspellende flash forward staat (‘daar zou hij nog spijt van krijgen’) leeft *tiks zich uit. Hij lijdt aan betrekkingswaan en symbool-oedeem. Zodoende verstrikt hij zich in steeds krankjorumer verbanden en allengs radelozer stemmende symboliek.

In Sarajevo ontmoet Richter een twintig jaar jongere vrouw, die onder treurige omstandigheden een toneelstuk op de planken brengt. Kunst verbindt, verbroedert en verlicht, juist als de granaten om je oren vliegen, dat is bekend. Zij doet een bewerking van Homo Faber van Max Frisch, de roman waarin een man incest pleegt met zijn dochter zonder dat hij weet dat zij zijn dochter is. Men moet van zijn verstandelijke vermogens beroofd zijn wil men dan niet reeds aanvoelen wat hier gebeuren gaat.

Maar het eind is nog lang niet in zicht. Vader wordt, vanzelfsprekend, gevonden, de verwijzing naar Oedipous (incest) noch die naar Laërtes (vader herkent zoon niet) ontbreekt, ‘Richter’ heet eigenlijk ‘Schneider’ (kleermaker: haha!) – en hij slaat de hand aan zichzelf.

Wel heeft hij in Sarajevo nog een leuke, gevoelige, begaafde, rechtschapen jongeman ontmoet, ‘Ivor’. Die geeft zijn verwarde herinneringen aan zijn verwarrende belevenissen uit: de schrijver, die é-ni-ge en o zo be-gaaf-de Igor *tiks.

Schaamte, waar is uw dolk? In de Lethe met die *tiks.

De profeet ‘Elijah’ – die van die lege stoel – heet in het Nederlands trouwens ‘Elia’. Ook dat nog.

Michaël Zeeman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden