Wegbezuinigd bij heldere hemel Randstaduniversiteit

De Nederlandse bètafaculteiten zuchten onder de ene na de andere reorganisatie. Vooral in Utrecht, waar de decaan zegt met de rug tegen de muur te staan, wordt drastisch gesnoeid.

'Het pakt je heftig aan', bekent prof. dr. Gerrit van Meer. 'Omdat de discussie tot het laatst open is, kun je onderzoekers niet van tevoren inlichten dat er gevaar dreigt. En sommigen zien dat ook niet aankomen. Het is nu echt niet leuk om een aantal collega's tegen te komen. Ze zijn soms razend; begrijpelijk.' Vanuit Corsica laat de decaan van de bètafaculteit van de Universiteit Utrecht doorschemeren dat hij niet echt rouwig is dat hij er even tussenuit moest vanwege een wetenschappelijk congres.


Vorige week presenteerde de in januari aangetreden Van Meer een voorlopig plan voor een dramatische bezuiniging. De komende vijf jaar verdwijnen bij de bètafaculteit 107 van de 628 arbeidsplaatsen en hele groepen worden geschrapt. Daaronder het vermaarde Sterrenkundig Instituut Utrecht, Natuurwetenschap & Samenleving van hoogleraar Wim Turkenburg, Paleoecologie en Biomariene Wetenschappen en het onderzoek aan zonnecellen; (internationaal) erkende topgroepen. Terwijl de Mars der Beschaving naklinkt in Den Haag en de regering op zoek is naar bètastudenten gaat excellente wetenschap in Utrecht teloor.


Utrecht is niet de enige Nederlandse bètafaculteit in zwaar weer. Alle bètafaculteiten lijken in een voortdurende staat van reorganisatie. Nauwelijks is de rust na de ene bezuinigingsronde teruggekeerd of de volgende kondigt zich aan. 'Bij Utrecht is het nu wel erger', stelt prof. dr. Sjoerd Verduyn Lunel, voorzitter van het landelijke overleg van bètadecanen. Zelf moest Verduyn Lunel een paar jaar geleden flink ingrijpen bij de Universiteit Leiden. 'Er zijn in Utrecht jarenlang verborgen tekorten geweest, terwijl steeds minder structureel geld beschikbaar is. Van dat laatste hebben ook de andere bètafaculteiten last. We hebben lang de kaasschaafmethode kunnen toepassen. Dat kan niet meer zonder de kwaliteit van onderwijs en onderzoek aan te tasten. Uitstekende groepen moeten worden opgeheven. Dat is pijnlijk.'


Vriend en vijand zijn het erover eens dat in Utrecht iets moest gebeuren. Zelfs prof. dr. Wim Turkenburg, hoofd van de sectie Natuurwetenschap & Samenleving, welke op de nominatie staat uit Utrecht te verdwijnen. 'De bètafaculteit heeft jarenlang zijn zaakjes financieel niet goed op orde gehad. Er waren miljoenen tekort, zonder dat men dat wist. Daar zijn de bezuinigingen door het landelijke beleid bovenop gekomen. De situatie is buitengewoon somber.' Het Utrechtse college van bestuur heeft de hand gereikt op voorwaarde dat er in 2015 een gezonde bètafaculteit is. Turkenburg: 'Ik begrijp dat je criteria ontwikkelt en dat er groepen weg moeten.'


Afgestoten

Maar tevreden over het voorgestelde resultaat is de hoogleraar niet. Hij constateert dat de faculteit inzet op een profiel van vooral excellent fundamenteel onderzoek. Meer maatschappelijk en toepassingsgericht onderzoek, dat veel studenten aantrekt, wordt afgestoten. Ook kan Turkenburg geen goede argumentatie voor de gemaakte keuzen vinden en ontbreekt voldoende financiële visie. 'Het uitgangspunt is dat 100 arbeidsplaatsen 10 miljoen euro zouden opleveren. Dat is een te simpele voorstelling van zaken. Met zeven structurele arbeidsplaatsen halen we onderzoekopdrachten en onderwijsgeld voor vijftig mensen binnen. Wij bedruipen onszelf. De faculteit wint financieel niets door ons af te stoten. Ze verliest wel een toonaangevende onderzoeksgroep en populaire masteropleiding.'


Bètafaculteiten zijn duur doordat ze experimenteel onderzoek doen en daarvoor apparatuur en ruimte nodig hebben. Op beide terreinen is er het een en ander mis gegaan. De Utrechtse universiteit heeft zich vijftien jaar geleden rijk gerekend doordat het Rijk de gebouwen cadeau heeft gedaan. Van Meer: 'Men heeft zich toen verkeken op hoeveel geld onderhoud en noodzakelijke nieuwbouw kosten. Die hogere kosten zijn door het college van bestuur in de loop der jaren doorberekend aan de faculteiten. Omdat de bètafaculteit relatief veel ruimte heeft, lijkt het nu dat men daar financieel slecht presteert.' Bij sommige andere universiteiten zijn hier minder problemen. In Groningen betalen faculteiten geen huur en in Nijmegen zijn nieuwe gebouwen meestal cash betaald, wat wel afschrijving maar geen rente betekent.


'Het college van bestuur is altijd voorzichtig geweest met gebouwen, dat heeft geen windeieren gelegd', zegt bètadecaan prof. dr. Stan Gielen, die als vice-decaan in 2000 werd geconfronteerd met een dreigende opheffing van de Nijmeegse bètafaculteit omdat er nog maar 150 nieuwe eerstejaars studenten waren. 'Er is toen geconstateerd dat het bestaansrecht van de universiteit in het geding was en we hebben flink geïnvesteerd in contacten met het voortgezet onderwijs en nieuwe interdisciplinaire instituten. Nu krijgen we elk jaar zevenhonderd studenten. Ons college van bestuur heeft, ondanks de bezuinigingen, altijd besloten om onderwijs en onderzoek te sparen.'


Utrechts decaan Van Meer herhaalt dat zijn faculteit met de rug tegen de muur staat en dat hij heeft gekozen voor een profilering die rekening houdt met landelijke sectorplannen voor natuurkunde, scheikunde en biologie. Daarin worden de sterke en zwakke punten van verschillende universiteiten aangegeven en voorstellen gedaan voor profilering. Voor natuurkunde en scheikunde stelt het rijk ook geld ter beschikking. Van Meer: 'We hebben zes maanden lang gediscussieerd over wie we zijn. Over kwaliteitsgroepen, de maatschappelijke waarde van onderzoek, onderwijs, de betekenis van een groep voor de rest van de faculteit. Wat hoort bij ons, wat minder? Als je uiteindelijk moet kiezen, is dat altijd in zekere mate arbitrair.'


Kwartetten

Van Meer benadrukt dat het voorgestelde plan ook versterking van groepen betekent. Theoretische fysica, colloïdchemie, ecologie bijvoorbeeld. Vooral vakgebieden die passen in het nationale sectorplan. Op zichzelf positief, vindt prof. dr. Robbert Dijkgraaf, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), die naar het nationale belang kijkt. 'Excellent onderzoek mag voor Nederland niet verloren gaan. Vergelijk het met een servies waarvan iedereen een deel heeft. Als een schitterend kopje sneuvelt, doet dat soms afbreuk aan het totale servies. Dat moet je voorkomen. Bij dit soort operaties is het goed te overleggen met zusterfaculteiten. Misschien kun je groepen ruilen om het profiel van diverse faculteiten te versterken. Je verliest dan weliswaar wat, maar dat levert wellicht wel een kwartet op. Ik ben echter sceptisch over de mate waarin zulk overleg plaatsvindt. Universiteiten zijn autonoom.'


Dit kwartetten had in het Utrechtse geval weinig zin, stelt Van Meer. 'Ruilen op zich levert geen bezuinigingen op. En de druk in Utrecht is groter dan elders. Op deze tijdschaal kunnen we hoogstens rekening houden met de sectorplannen.' De Leidse decaan Verduyn Lunel bevestigt dat. 'Kwartetten is lastig als het snel moet. Bovendien zijn universiteiten ook wel elkaars concurrenten. Net als bij topsport hoort het een beetje bij topwetenschap dat je naar een transfer zoekt als je je niet meer welkom voelt bij je eigen faculteit. Een aantal 'verstoten' groepen zullen zeker elders opgevangen kunnen worden. Hier zie ik ook een faciliterende taak voor de KNAW.'


Voor prof. Ruud Schropp bijvoorbeeld. 'Het zou wel heel gek moeten lopen als ik met mijn dertien promovendi en zes vacatures niet ergens anders terecht kan', zegt hij. Dat zijn groep zonnecelonderzoek op de nominatie staat te verdwijnen, was voor hem een donderslag bij heldere hemel. Er waren geen tekenen dat zonnecel- en energieonderzoek niet in het nieuwe profiel zouden passen. 'Integendeel. Twee dagen voor de openbaarmaking kreeg ik bericht. Dit voorjaar heb ik nog 3,7 miljoen aan subsidies binnengehaald. Het zal nu lastig worden vacatures ingevuld te krijgen.' Schropp is niet gelukkig met het besluit omdat argumentatie ontbreekt, terwijl duurzame energie een hot topic is. 'Men schijnt te vinden dat mijn onderzoek beter aansluit bij een technische universiteit.'


Gemakkelijk slachtoffer

Net als anderen ziet Schropp dat de bezuinigingen op de bètafaculteit verder gaan dan alleen het teruglopen van de rijksbijdragen voor de eerste geldstroom waarmee de structuur van de universiteit wordt gefinancierd. 'Het is ook beleid van het college van bestuur. Bij teruglopende middelen is het apparatuurintensieve en experimentele onderzoek een gemakkelijk slachtoffer. En dat terwijl we Nederland als innovatieland promoten.'


Ook omdat er weinig bètastudenten zijn - vergeleken met bijvoorbeeld economie, bestuurskunde en psychologie - zijn de bètafaculteiten een relatief gemakkelijke prooi. De Utrechtse emeritus evolutiebioloog dr. Gerdien de Jong spreekt zelfs van 'perverse prikkels'. 'De toestand is het gevolg van de financiering per student door het ministerie van OCW en het beleid van het college van bestuur dat ongunstig is voor studierichtingen met weinig studenten, zoals in de bètafaculteit. Weliswaar krijgen de bètarichtingen iets meer geld per student, maar al decennialang is dat feitelijk te weinig.' En, voegt De Jong daaraan toe, 'onderzoek speelt bij het college van bestuur geen rol in de besluitvorming.'


Van Meer ontkent dat. 'De bètafaculteit krijgt ook een vaste vergoeding die vele malen hoger is dan bij sociale wetenschappen of rechten. En natuurlijk speelt de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek een rol. Ook onderzoek is een primaire taak van de universiteit. Maar als het onderzoek over de hele linie top is, valt daarop niet te selecteren.'


De voortdurende bezuinigingen en de overheveling van structureel geld (eerste geldstroom) naar onderzoekgebonden onderzoek via NWO (tweede geldstroom) zetten de bijl aan de wortels van het universitaire systeem. Ze beperken bijvoorbeeld de vrijheid van faculteiten zelf hun personeel te kiezen. Veel onderzoekssubsidies eisen dat de universiteit ook zelf geld inzet en sommige, zoals de Veni-, Vidi-, Vici-beurzen van NWO, vragen een baangarantie voor de gehonoreerde onderzoeker. Daardoor vermindert de variatie aan vakdocenten. Omdat universiteiten toch alle facetten van een studierichting willen onderwijzen, worden bacheloropleidingen steeds breder. Niet elk vak wordt meer gegeven door de desbetreffende vakdocent. In de masterfase ontstaat de specialisatie en kunnen studenten terecht bij een specifieke universiteit. Een dergelijke ontwikkeling zal onherroepelijk tot profilering en samenwerking leiden. Wellicht zelfs tot het ontstaan van een soort Randstaduniversiteit.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden