Weg naar juiste middelbare school is geplaveid met wirwar van cijfers en twijfel

Zie dan maar eens een keus te maken

Het maakt uit naar welke school je gaat, was de conclusie van de Onderwijsinspectie vorig jaar. Dus probeerde onderwijsverslaggever Rik Kuiper te achterhalen wat de beste school zou zijn voor zijn dochter. Het bracht hem op vele dwaalwegen.

Foto anp

Een klein jaar voordat we onze dochter bij een middelbare school moesten inschrijven, kwam de Onderwijsinspectie met verontrustend nieuws. Er zijn 'te grote kwaliteitsverschillen tussen scholen', schreef inspecteur-generaal Monique Vogelzang in het voorwoord van De Staat van het Onderwijs. Dat gold voor basisscholen en middelbare scholen, in de stad en op het platteland, voor vmbo's en categorale gymnasia.

Toen ik Vogelzang er vorig jaar april voor de krant over sprak, zei ze dat dit de eerste keer was dat ze scholen op deze manier met elkaar hadden vergeleken en dat ze 'niet hadden verwacht dat het verschil zo groot zou zijn'. In het jargon van inspecteurs - die over het algemeen koel, zakelijk en neutraal reageren - valt zo'n zinnetje zo ongeveer in de categorie 'blinde paniek'.

Thuis werden we ook zenuwachtig. Vergelijkbare kinderen zouden op de ene school tot 20 procent minder kans hebben om een bepaald diploma te halen dan op de andere school, lazen we. Wat betekende dat voor ons?

Onze dochter is een pienter kind. Als ze hard werkt, is een vwo-diploma haalbaar. Maar ja, ze behoort wel tot het type leerling dat het leren van de topografie van Drenthe uitstelt tot de ochtend van de toets. Voor Marijne zou een goede school het verschil kunnen maken tussen havo en vwo.

We waren al met haar naar open dagen geweest. Dat moet je twee keer doen, hadden we gehoord. In groep zeven kan je kind dan kijken of ze in de kantine wel roze koeken verkopen, in groep acht let het op de saaie zaken die wel van belang zijn.

Wat kun je als ouder doen als je een middelbare school voor je kind zoekt?

Een van de belangrijkste besluiten in de opvoedingsjaren van je kind is de keuze van een middelbare school. Maar hoe maak je die keus? Lees hier de negen tips van Volkskrant-onderwijsverslaggever Rik Kuiper.

Talloze zaterdagen dwaalden we door Utrechtse scholengemeenschappen. We bewonderden een 3D-printer, luisterden naar de schoolband, ondervroegen de leerlingen. En na afloop maakten we notities voor later.

'Twee talent-uren per week', noteerde ik bij de ene school. 'Keuze uit: drama, fotografie, Chinees, enzovoorts.'

'In de brugklas steunlessen voor vakken die je moeilijk vindt', schreef ik bij een andere.

Marijne lette op andere dingen. Eén school had een klimmuur, bij de katholieke school hingen 'Jozefdingen' aan de muur en die school met dat nieuwe gebouw was 'een Playmobilschool', al kon ze niet uitleggen wat er zo Playmobil aan was.

Toen we overal waren geweest, wist ze zeker dat ze naar het Leidsche Rijn College wilde. Zelf was ik niet overtuigd. Want hoe zat het in Utrecht met die 'grote kwaliteitsverschillen'?

Dit was ik erover te weten gekomen: niets.

Marketing

De uitgebreidste informatie over scholen is te vinden op scholenopdekaart.nl. Het oorspronkelijke doel van de site, beheerd door de VO-raad (de organisatie van schoolbesturen), was om verantwoording af te leggen over de besteding van publiek geld. Ondertussen is het echter óók een marketinginstrument geworden dat ouders ondersteunt bij het kiezen van een school.

Op een avond klap ik de laptop open en kies met Marijne vijf scholen om te vergelijken. Al gauw belanden we op een pagina vol grafieken met onderwijsresultaten. De eerste toont hoeveel procent van de leerlingen de onderbouw zonder vertraging doorloopt.

'Het Leidsche Rijn College heeft 97 procent!' kirt mijn dochter. 'Goed, toch?'

'Ja, dat is goed', zeg ik, al zie ik dat de andere scholen ook hoog scoren: tussen 94 en 98,6 procent. Ik heb geen idee wat ik daaruit moet concluderen. Idem voor de doorstroomcijfers in de bovenbouw.

We scrollen naar de examencijfers. Marijne kijkt me opnieuw opgewekt aan.

'Kijk, hier scoort het Leidsche Rijn College ook goed!'

De school heeft inderdaad het hoogste gemiddelde van de vijf scholen: 6,8. Dat is tot een halve punt hoger dan de andere geselecteerde scholen en vier tienden boven de 'landelijke vergelijkingsgroep'. Maar dat is op de havo. Op het vwo scoren drie andere scholen een of twee tienden beter.

Ouders staan in de rij om hun kind in te schrijven als brugklasleerling van het Dalton College in Den Haag. Foto Martijn Beekman

Wat zegt zulke informatie over die scholen? Ik ben onderwijsverslaggever en afgestudeerd aan de TU Delft. Je zou zeggen dat ik zulke informatie moet kunnen behappen. Niet dus. En mijn vriendin, die lesgeeft op een basisschool, kan het me ook niet uitleggen. Volgens de VO-raad zijn de meeste bezoekers enthousiast over de site, hoor ik later. Maar zelf heb ik het idee dat ik verzuip in een bak cijfers vermomd als transparantie.

Door naar de tevredenheidscijfers, waar we slechts bij twee van de vijf scholen paarse balkjes aantreffen. De andere hebben 'deze informatie (nog) niet beschikbaar gesteld'. Ik klik op het zinnetje 'Vraag de school om deze informatie'. Tevergeefs, zal later blijken. Een maand later zijn de cijfers van deze scholen nog steeds niet zichtbaar.

Ik besef nu dat scholen sommige informatie zelf aanleveren. En dat het dus erg eenvoudig is om tegenvallende enquêtes achter te houden. Een woordvoerder van de VO-raad 'herkent dat beeld niet'. Scholen zetten ook gegevens 'die niet per definitie rooskleurig zijn' op de site, laat hij desgevraagd weten.

Verder valt het me na verloop van tijd op dat de site bepaalde informatie niet toont als je verschillende scholen met elkaar vergelijkt. Hoeveel lessen door een bevoegde leraar worden gegeven? Je ziet het slechts als je op de pagina van de betreffende school kijkt. Hetzelfde geldt voor 'Schooladvies en plaatsing', dat toont of leerlingen 'op, boven of onder het niveau van hun basisschooladvies' zitten.

Volgens de VO-raad vinden ouders die informatie minder belangrijk. Maar ik vraag me af of het wel de bedoeling is dat we scholen goed kunnen vergelijken. Het lijkt of de verschillen juist moeten verbleken op deze site van de schoolbesturen. Omdat anders alleen goed scorende scholen leerlingen trekken en andere scholen leeglopen?

Slagingspercentages

Ik ga langs bij Misha van Denderen, die de afgelopen jaren met de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO) in het hele land - en onlangs ook bij ons in Utrecht - nieuwe middelbare scholen oprichtte.

Hij weet veel van onderwijscijfers. Zo tikte hij me ooit op de vingers nadat ik had geschreven over een probleemschool die in een paar jaar was veranderd in een superschool met 'op de mavo, de havo én het vwo een slagingspercentage van honderd procent'.

Ik had 'moeten controleren op nattigheid', mailde Van Denderen. Sommige scholen met hoge slagingspercentages laten de zwakkere leerlingen namelijk op grote schaal het voorlaatste jaar overdoen, om te voorkomen dat ze het slagingspercentage van de school verpesten.

Of ze laten matige leerlingen afstromen naar een lager niveau, waar ze het examen wél op hun sloffen halen. De superschool was op dat vlak 'al een paar jaar kampioen van Nederland', schreef hij. 'Liefst 67 procent van de leerlingen op het vmbo-t kwam binnen met een havo-advies of een advies vmbo-t/havo. Dat is echt een belachelijk percentage. Waarom zitten die leerlingen niet op de havo?'

Ik vertel Van Denderen over mijn worsteling met de cijfers. Die herkent hij, ook hij hekelt de manier waarop scholenopdekaart.nl data presenteert.

'Uit pure ellende kijken ouders alleen naar de examenresultaten', zegt hij. 'Scholen zorgen dus dat die op orde zijn. Anders daalt het aantal aanmeldingen.'

Wat vindt hij dan interessant? Allereerst wil Van Denderen van een school weten hoe groot de kans is dat een kind daar het diploma haalt dat past bij het basisschooladvies - of misschien zelfs een hoger diploma. Dat zegt iets over de kansen die een kind krijgt. En daarnaast is hij benieuwd hoe lang een leerling er gemiddeld over doet om dat diploma te halen. Logische vragen, als je een school zoekt. Het probleem: de antwoorden zijn niet op scholenopdekaart.nl te vinden.

Opstromers/Afstromers

Welke ouder is ooit zo diep in de cijfers gedoken? Ik vraag het me af als de stapel tabellen uit de printer zie rollen. Het zijn de onderwijsresultaten van zeven Utrechtse scholen over de afgelopen zeven jaar, zoals ik die aantrof in duistere hoekjes van de site van de Onderwijsinspectie.

Ik besluit eerst onder elkaar te zetten welke kansen scholen bieden. Omdat er geen cijfers zijn die vertellen hoe de uitgedeelde diploma's zich verhouden tot de basisschooladviezen waarmee de leerlingen binnenkwamen, moet ik het doen met gegevens over het aantal leerlingen dat in het derde leerjaar onder of boven het basisschooladvies uitkomt. De inspectie vangt dit fenomeen in één cijfer: het percentage opstromers minus het percentage afstromers.

De verschillen tussen scholen blijken aanzienlijk. Het St. Bonifatiuscollege scoort goed: de school heeft door de jaren heen circa 20 procent meer opstromers dan afstromers. Het is een percentage dat Van Denderen op zijn nieuwe SvPO-school in Utrecht ook verwacht te halen - wat hij onderbouwt met cijfers van een identieke school van de stichting in het Zeeuwse Kapelle.

Andere scholen, zoals het Gerrit Rietveld College en het Leidsche Rijn College, scoren beduidend minder. Daar verschilt het aantal op- en afstromers hooguit een paar procent. Ik besluit het nog even niet aan Marijne te vertellen.

Misleidend

In de tabellen zoek ik ook de doorstroomcijfers van de onderbouw en de bovenbouw op - cijfers die aangeven hoe vaak leerlingen blijven zitten. Na mijn bezoek aan scholenopdekaart.nl dacht ik dat de doorstroom op Utrechtse scholen nauwelijks verschilt, met al die percentages ver boven de 80 procent in de onderbouw en rond de 60 procent in de bovenbouw.

Maar die cijfers zijn misleidend, leerde Van Denderen me. Anders dan scholenopdekaart.nl suggereert, vertellen ze niet hoeveel leerlingen de hele onder- of bovenbouw zonder vertraging doorlopen, maar hoeveel er elk jaar overgaan. Om te zien hoe groot de kans is dat je zonder kleerscheuren de eindstreep haalt, moet je die kans - sorry voor de wiskundige details - net zo vaak met zichzelf vermenigvuldigen als er leerjaren zijn.

Ik voer de berekeningen uit die Van Denderen suggereerde (en waarvan de inspectie later zal zeggen dat ze kloppen). En jawel, ook hier ontstaan aanzienlijke verschillen. Zo heeft een vwo'er op het St. Bonifatius een kans van 69 procent om het diploma in zes jaar te halen, terwijl op Unic en de evangelische school De Passie bijna de helft van de leerlingen wel een keer blijft zitten.

Zien we hier dan die 'te grote kwaliteitsverschillen tussen scholen'? Of, dat is ook een mogelijkheid, scoort het Bonifatius zo goed omdat de school aan de rand van een dure wijk staat, waar hoogopgeleide ouders graag de portemonnee trekken voor extra huiswerkbegeleiding?

Opnieuw twijfel ik: welke waarde moet ik hechten aan zulke cijfers?

Sfeer

Op een dinsdagmiddag neem ik plaats tegenover een inspecteur die middelbare scholen beoordeelt. Het is tijd voor een goed gesprek, vind ik. Want de Onderwijsinspectie kan iedereen met zo'n rapport wel de stuipen op het lijf jagen, maar dan mogen ze ook best vertellen waar ik als verontruste ouder op moet letten.

Dat blijkt lastig.

De inspecteur begint te vertellen dat 'je vooral een school moet kiezen waar jouw kind zich lekker voelt, een school waar jouw kind past en tot haar recht komt'. Op open dagen proef je de sfeer, stel je vragen en kijk je hoe docenten en leerlingen met elkaar omgaan. En daarna kun je de cijfers er nog bij pakken, al zijn die 'niet eenvoudig om te lezen'.

Ze legt nog eens uit dat de inspectie de onderwijsresultaten van een school beoordeelt op basis van vier parameters:

- Zitten leerlingen in het derde leerjaar onder, op of boven het schooladvies?

- Hoe vaak blijven leerlingen zitten in de eerste twee leerjaren?

- Welke vertraging lopen leerlingen in de bovenbouw op?

- Welk cijfer halen de leerlingen gemiddeld voor de eindexamens?

Die scores kunnen niet los van elkaar gezien worden. Zo bieden sommige scholen leerlingen veel kansen om een zo hoog mogelijk diploma te halen, wat een goede score bij punt 1 oplevert. Het risico bestaat dan wel dat deze twijfelgevallen in de bovenbouw vaker blijven zitten en met de hakken over de sloot het eindexamen halen, wat zorgt voor minder goede scores bij punt 3 en 4. Andere scholen doen het misschien andersom: ze zijn streng in de onderbouw, laten leerlingen makkelijk een niveautje zakken, maar daarna gaat het de leerlingen voor de wind en rollen ze makkelijk naar een diploma. De inspectie houdt daarom rekening met 'het verhaal achter de cijfers' wanneer een school beoordeeld moet worden.

Oké, maar wat kan ik als ouder met de grafieken? Volgens de inspecteur is het allereerst van belang om te kijken of een school op een van de vier punten onder de gestelde norm scoort. De lat ligt namelijk niet erg hoog: alleen de 15 procent scholen die op dit aspect het slechtste scoren, eindigen eronder.

'Als je onderwijsresultaten belangrijk vindt, moet je dus op zoek naar een school die ver boven de norm scoort', zegt de inspecteur. Om direct daarna al weer een kanttekening te plaatsen. 'Dit gaat natuurlijk alleen over de cognitieve aspecten. Je moet je ook altijd afvragen wat zo'n school nog meer doet, behalve de leerlingen voorbereiden op de examens.'

Omdat ik toch niet helemaal tevreden ben met de antwoorden, stuur ik later nog een e-mail. Hoe kwam de inspectie tot het oordeel dat scholen zo verschillen? En hoe speel ik daar als ouder op in?

Een voorlichter antwoordt dat de conclusie van het verontrustende rapport gebaseerd was op 'een groot aantal aspecten'. De verschillen zijn zichtbaar in 'allerhande prestaties', zoals rekenen en taal.

Nadere tips kan hij worstelende ouders niet geven, behalve dat ze niet alleen naar schoolscores moeten kijken, maar ook naar 'wat belangrijk is voor hun kind'. Ook voegt hij toe dat 'de inspectie primair gegevens verzamelt om het functioneren van de school te beoordelen. Niet om alle vragen van ouders te kunnen beantwoorden.'

Grondig mis

Staar ik me blind op cijfers? Over die vraag hoeft Jaap Versfelt niet lang na te denken. Ja, zegt de oprichter van Stichting Leerkracht, die honderden Nederlandse scholen helpt om zichzelf te blijven verbeteren. Het is alleen zinvol om naar de resultaten van een school te kijken als je die kunt vergelijken met andere scholen met precies dezelfde populatie.

'Neem de Schilderswijk in Den Haag. Daar staan drie dijken van scholen, met allemaal kinderen van buitenlandse afkomst. Als een school die kinderen op een redelijk niveau krijgt, dan is dat een geweldige prestatie. Maar daar zie je in de cijfers niet veel van terug.'

Het omgekeerde gebeurt ook, zegt Versfelt. 'Met 'makkelijke' leerlingen kun je hoog scoren, ook als het onderwijs matig is.' Hij noemt de chique basisschool in Delft, die zijn eigen kinderen ooit bezochten. 'Als die school niet 70 procent van de leerlingen naar het vwo weet te krijgen, dan is er iets grondig mis.'

Volgens Versfelt moet ik de scholen in Utrecht dus niet met elkaar vergelijken, maar juist met scholen met een identieke populatie. En dat kan niet, zegt hij. Zelf heeft hij zulke gegevens in ieder geval nooit kunnen vinden.

En misschien is dat maar beter ook. Want als zulke cijfers openbaar zijn, cijfers die écht weergeven hoe goed een school scoort, dan zouden ouders ze ook massaal gaan gebruiken. Ze zullen hun kinderen vooral naar die goede scholen sturen, waarna andere scholen enorm hun best gaan doen om óók goed te scoren in de statistieken.

Dat klinkt misschien als een nobel streven - die scholen proberen beter te worden! - maar Versfelt vreest dat dat niet het geval is. Scholen zullen een strenger aannamebeleid gaan voeren, voorspelt hij, zodat ze alleen de beste leerlingen nog binnenhalen. En ze zullen het onderwijs zo gaan inrichten dat de toetsen goed worden gemaakt. 'Dan krijg je betere statistieken', zegt Versfelt, 'maar met kwaliteit van onderwijs heeft het niets te maken.'

Hoe moet ik dan wel achterhalen of een school goed onderwijs levert? Versfelt suggereert een lijstje vragen voor open dagen. Aan de schoolleider: 'Wat maakt het onderwijs hier op school zo goed?' Aan de leerkrachten: 'Wanneer heb je voor het laatst een les van een collega bezocht en feedback gegeven?' Aan leerlingen: 'Wanneer hebben ze jullie voor het laatst om feedback gevraagd?'

Uit de antwoorden kan ik afleiden of zo'n school serieus bezig is met het verbeteren van het onderwijs. Want goed onderwijs, zo constateerde de inspectie in dat alarmerende rapport, wordt gegeven op scholen waar goede leraren in hechte teams samenwerken om het onderwijs te verbeteren.

En wat de antwoorden dan moeten zijn? In het beste geval zegt de schoolleider dat het onderwijs zo goed is vanwege de kwaliteit van de leerkrachten. De leerkracht antwoordt dat hij elke paar weken wel bij een collega in de les kijkt. En de leerling vertelt dat leerkrachten regelmatig vragen hoe ze hun lessen kunnen verbeteren, en dat daar ook echt iets mee gebeurt.

Ik vraag Versfelt op hoeveel scholen ik de gewenste antwoorden zal krijgen. Hij zegt: '20 procent.'

Schoolfilosofie

Een open dag, een week eerder. Bij aankomst blijkt dat de kinderen lessen kunnen volgen om echt te ervaren hoe het er op deze school aan toegaat. Marijne schrikt ervan, wil niet in een klas met onbekende kinderen.

Een docent Engels ziet het gebeuren en komt op haar af. Ze stelt zich voor, zegt een paar aardige woorden, maar nee, Marijne wil nog steeds niet meedoen.

We wachten even af. Na een paar minuten komt de conciërge. Wil ze niet de les in? Nee, liever niet.

Kort daarna doet een stoere gymleraar een derde poging. Kom, zegt hij, ik ga met je mee naar binnen. En ja hoor, daar gaat ze.

Na de open dag eten we een muffin bij een koffietentje om de hoek. Marijne vertelt over een boks die ze van de conciërge kreeg, en dat deze school echt beter is dan het Leidsche Rijn College.

Ook wij zijn te spreken over de school. Vanwege de cijfers? Omdat de schoolfilosofie ons aanspreekt? Of omdat de leerkrachten zich direct zo betrokken toonden? Het is de combinatie, en ehm... veel meer mag ik er hier niet over zeggen. Marijne maakt zich namelijk zorgen omdat er misschien geloot moet worden op de school.

'Papa', zegt ze als ik voor het slapen nog even bij haar op bed lig. 'Jij gaat toch niet in de krant schrijven naar welke school ik wil? En dat dit de beste school ever is? Straks gaat iedereen zich daar inschrijven.'

'Goed', zeg ik. 'Ik zal niets verklappen.'

Meer over