Weg met Thorbecke

De manier waarop Nederland zijn kunsten subsidieert, leidt tot apathie bij kunstenaars. Het lijkt een dynamisch systeem maar is in feite 'één uitdijend heelal'....

'Ik zie de negatieve gevolgen van de enorme overheidssteun aan kunstenaars', zegt Marina Abramovic in het tijdschrift Theatermaker. 'Het doet de meeste kunstenaars uiteindelijk meer slecht dan goed. Subsidies nemen alle energie weg. Er is hier niets meer om voor te vechten. Er is een apathische en luie atmosfeer ontstaan.'

Krachtige woorden die door een even krachtig als resoluut besluit werden gevolgd: na dertig jaar in Nederland te hebben gewoond, vertrekt Abramovic naar New York. En naar Stromboli. 'Elke twintig minuten een vulkaanexplosie in mijn achtertuin.'

Haar uitspraken sluiten aan bij een algemeen ongenoegen over het Nederlandse kunstklimaat. Vier publieke kunstfondsen – de Mondriaanstichting, de Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA), het Fonds voor Amateur-en Podiumkunsten en het Nederlands Literair Productie-en Vertalingenfonds (NLPVF) – publiceerden begin deze week All that Dutch, een bundel kritische beschouwingen van en met prominente spelers uit de kunstenwereld. Het boek is een schot voor de boeg van staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan, die na de zomer een herziening van het Nederlandse systeem voor kunstfinanciering wil presenteren.

Sinds eind jaren tachtig stoelt het Nederlandse beleid op een curieuze spagaat. De staat is wel de voornaamste geldschieter van de kunsten, maar onthoudt zich, op voorspraak van de 19de-eeuwse staatsman Johan Rudolf Thorbecke, van een oordeel over hun artistieke kwaliteit. Dat is gedelegeerd aan de experts in de Raad voor Cultuur, die op grond daarvan adviseren wie subsidie verdient en wie niet, waarna de staatssecretaris het geld verdeelt. De Tweede Kamer heeft het laatste woord. Op papier is dit systeem een wonder van rechtvaardigheid. In de praktijk neemt het aantal aanvragers van subsidie veel harder toe dan het beschikbare budget, waardoor de raad steeds minder toekomt aan een werkelijk artistiek oordeel. Daarbij is de vierjaarlijkse verdeling van de rijkskunstsubsidies verworden tot een tombola, waarvan de kunstenaars met de handigste verkooppraatjes en de kamerleden met de slapste knieën de uitkomst bepalen.

Vrijwel iedereen is het met Van der Laan eens dat er iets moet veranderen. Maar wat, en hoe dan? In Nederland hoor je steeds dezelfde kritiek, zonder dat er nieuwe argumenten en inzichten aan worden toegevoegd. Nieuwe argumenten die met name uit het buitenland te halen zouden zijn, omdat daar de cultuur op een wezenlijk andere manier wordt ondersteund, vanuit de overheid en door de bevolking. Daarom volgt hier de visie van drie Nederlandse kunstambtenaren die het cultuurbeleid niet alleen kennen uit eigen land, maar ook uit enkele van de grote cultuurnaties van het 'oude' Europa: Engeland, Frankrijk en Duitsland. Wat kan Van der Laan van die landen leren?

***

GEORGE LAWSON is directeur van de SICA, een zelfstandige club die met geld van de overheid Nederlandse kunstenaars en kunstinstellingen de weg wijst in het buitenland. Daarvoor was hij jarenlang een soort voorpost van de Nederlandse kunsten bij de ambassade in Berlijn. 'Het internationale cultuurbeleid', zegt hij, 'is een spiegel van het nationale.' Nederland kent talloze potjes en faciliteiten waarmee kunstenaars en instellingen hun eigen buitenlandse ambities kunnen verwezenlijken. 'Zij bepalen zelf waar ze naartoe gaan en waarom. Het beleid is volledig gericht op de belangen van de kunst zelf. Nederland is het enige land ter wereld met zo'n smalle definitie van internationaal cultuurbeleid. Wij hebben het meest apolitieke systeem van kunstfinanciering, maar beseffen niet dat Thorbecke ophoudt bij Winschoten.'

Nee, dan de Duitsers. Kort nadat de Taliban waren verjaagd uit Afghanistan, bracht bondskanselier Gerhard Schröder een bezoek aan Kabul. Hij had zijn hielen nauwelijks gelicht of de Afghaanse hoofdstad was een Goethe-Institut rijker, filiaal van een wereldwijd netwerk dat de Duitse taal en cultuur uitdraagt en die confronteert met de culturen van andere landen. De Goethe-instituten beschikken over een gezamenlijk budget van 278 miljoen euro en bedrijven de internationale culturele uitwisseling in het belang van 'een door wederzijds begrip humanere wereld'.

Thuis leggen de Duitsers eenzelfde betrokkenheid aan de dag. 'Voor hen weegt cultuur echt heel zwaar', zegt Lawson. 'Het is een van de slagvelden waarop zij het grote debat voeren. Maatschappelijke en politieke discussies worden binnen en door de cultuursector gevoerd.' Voor de Duitsers is het onbestaanbaar dat je je in zo'n debat stort zonder kennis van zaken. 'Duitsland is een normatief land. Daar gaat het om wie er gelijk heeft. Dat speelt in Nederland niet. Nederlanders gunnen elkaar een eigen mening. Heel pragmatisch, maar het haalt wel de angel uit de confrontatie.'

Dat pragmatisme heeft er volgens Lawson toe geleid dat Nederland een 'plat bestuur' heeft. Ook op cultureel gebied. Het geld wordt er in de breedte uitgegeven, vanuit het oogpunt van de verdelende rechtvaardigheid. Om de vier jaar moet alles op de schop. Lawson: 'Dat klinkt dynamisch, maar het resulteert, doordat er altijd meer nieuwe toetreders zijn dan afvallers, in een almaar uitdijend heelal.'

Lawson wijst erop dat het lijstje gesubsidieerde instellingen in Duitsland aanmerkelijk korter en overzichtelijker is. Een grote deelstaat als Beieren spendeert jaarlijks vijfhonderd miljoen euro, maar de ontvangers passen op één A4' tje. Het geld gaat naar gevestigde musea, opera-en toneelhuizen; nieuwe initiatieven komen niet of nauwelijks voor subsidie in aanmerking. Volgens

Lawson maakt dat de dynamiek er overigens niet minder om. Die speelt zich alleen af op een andere plaats: binnen de instellingen zelf. Dáár woedt een permanente machtsstrijd tussen experiment en oude praktijk.

Lawson herinnert zich een bezoek van Nederlandse toneelmensen aan de Duitse theaterwereld .

'George', zei een van zijn gasten al na één dag, 'ze zijn hier duidelijk nog niet zo ver als wij.'

'Ik heb nieuws voor je', antwoordde Lawson. 'Ze wíllen helemaal niet zo ver zijn als wij.'

Nederlanders hebben vaak 'een surrealistisch zelfbeeld', is zijn ervaring. 'Wij zwiepen heen en weer tussen hopeloze zelfoverschatting en een hopeloos minderwaardigheidsgevoel.' Duitsers hebben volgens Lawson niet zo'n imagoprobleem. 'Ze zijn veel traditioneler ingesteld en meer geneigd het heden als een verworvenheid uit het verleden te beschouwen. Nederlanders zijn meer op de toekomst gericht, creatiever en vernieuwender, maar in de ogen van de Duitsers te individueel gericht. Met als gevolg dat wat in Nederland de hoofdcultuur is, in Duitsland tot de marge wordt gerekend.'

***

Die Duitse verbondenheid met traditie en geschiedenis is ook in Groot-Brittannië sterk, verzekert Christina Jansen. 'Dat zie je al in het onderwijs. Leerlingen zijn gewend zelf toneelopvoeringen te organiseren en in hun vrije tijd een instrument te bespelen. In Nederland komen kinderen alleen met kunst in aanraking tijdens de tekenles.'

Jansen is cultureel attaché van de Nederlandse ambassade in Londen. Ze constateert dat wat kinderen jong hebben geleerd, op latere leeftijd zijn vruchten afwerpt. Diversity en participation

zijn de sleutelbegrippen in de Britse cultuur. 'Je ziet het aan het publiek dat de musea bezoekt: dat komt uit alle lagen van de bevolking. Aan het veelzijdige theateraanbod. En aan het feit dat gerenommeerde filmacteurs ook op het toneel staan. Cultuur maakt echt deel uit van samenleving. Het London Symphony Orchestra geeft uitvoeringen in ziekenhuizen en gevangenissen. Iedereen vindt het doodnormaal om lid te zijn van een museum. Om culturele instellingen financieel te ondersteunen.'

Volgens Arts & Business, een Brits netwerk voor uitwisseling tussen de kunsten en het bedrijfsleven, komt inmiddels 27 procent van het culturele budget uit de zak van privé-personen en bedrijven. 'Het hoort bij de sociale verantwoordelijkheid.' Het is volgens Jansen een vanzelfsprekenheid die geboren is uit noodzaak. De overheid geeft nu eenmaal weinig subsidie. Op staatsniveau blijft cultuur een ondergeschoven kindje. Daar staat tegenover dat de Britse politici zich hard maken voor de wensen van hun kiezers, omdat ze daar in het districtenstelsel nu eenmaal op worden afgerekend.

Jansen: 'Dat maakt de besluitvorming directer en slagvaardiger. Toestanden zoals bij de onderdoorgang van het Rijksmuseum zijn hier ondenkbaar. Als er bij de Tate Gallery een voetpad moet komen, dan wordt dat aangelegd. Politici in Londen beseffen ook wel dat ze aan het cultuurtoerisme veel kunnen verdienen.'

Die slagvaardigheid houdt, volgens Jansen, ook verband met de 'opkomende trots' van Britten voor cultuur. Ook buiten Londen. Met een minieme hoeveelheid middelen en geld heeft Engeland zich de laatste jaren weten ontwikkelen tot het wereldcentrum van beeldende kunst. 'Er is duidelijk sprake van een nieuw elan.'

***

Wat Groot-Brittannië mist – cultuurbeleid dat door de centrale overheid vanuit de hoofdstad wordt geleid – , is in Frankrijk juist een gewoonte. Sterker, een must. 'In de landelijke politiek zijn cultuur en macht aan elkaar gekoppeld', zegt Henk Pröpper. 'Er is in Frankrijk nauwelijks een politicus die níet over cultuur schrijft. Alle politici van belang houden zich ermee bezig. Zij ontlenen daar status aan.'

Pröpper leidde tot voor kort het Institut Néerlandais in Parijs; sinds twee jaar is hij directeur van het literaire fonds NLPVF. Hij geeft een voorbeeld. 'Neem het Institut du Monde Arabe in Parijs, dat werd opgezet om de contacten met de Arabische wereld aan te halen. Een prachtig initiatief, met medewerking van de 22 landen die lid zijn van de Arabische Liga. Zij betalen ook de helft van de kosten. Het idee ontstond op het hoogste niveau: op voorspraak van de toenmalige president Mitterrand.' Volgens Pröpper is het een typisch staaltje van de Franse doortastendheid, zodra er grote politieke, economische en culturele belangen op het spel staan.

De centralistische aanpak van de Fransen maakt besturen soms nodeloos stroperig. 'Ze kunnen niet delegeren.' De ruim 300 culturele vertegenwoordigers in het buitenland voerden lange tijd een francofoon beleid uit naar Parijs' voorschrift – in den vreemde 'speelden zij Frankrijkje', aldus Pröpper. Maar binnen een paar jaar is dat veranderd. 'Plots spraken ze allemaal Engels. De Fransen geven ruiterlijk toe dat ze de slag tegenover die taal hebben verloren. Nu slaan ze terug door te hameren op de diversiteit, op de kleinere talen en culturen van Europa. Daar zijn ze echt groots in.'

Volgens Pröpper zijn de Fransen experts in het smeden van samenwerkingsverbanden. Onlangs belandde hij op een Europees congres in Griekenland. 'Buiten Balkan-vertegenwoordigers, twee Engelsen en ikzelf waren er alleen Fransen. Zij kweken altijd exclusieve relaties met andere landen.' Bekend is de Franse bescherming van de eigen filmindustrie tegenover Hollywood, met steun van Spanje en Italië.

Nederland zou van die Franse slagvaardigheid wel iets kunnen leren, meent Pröpper. Bijvoorbeeld door het aanstellen van een minister voor Cultuur, in plaats van een staatssecretaris. 'Dat geeft aan de cultuur een positie, vergelijkbaar met het belang van economie of veiligheid.' Een minister die zich bovendien inhoudelijker zou moeten uitspreken. Pröpper: 'Het kunstbeleid in Nederland is te veel gedelegeerd en het kunstenplan is onderhevig aan metaalmoeheid. De Raad van Cultuur zou een andere rol moeten spelen. Meer strategisch dan alleen als doorgeefluik van wat elders wordt bedacht en besloten. Het adagium van Thorbecke moet op de helling.'

Pröppers bevindingen en kritiek sluiten aan bij de ervaringen die Lawson in Duitsland op deed en Jansen in Engeland. In vergelijking met het buitenland oogt het Nederlandse cultuurbeleid als een versnipperd landschap, waarbij alle verantwoordelijkheden nodeloos zijn verspreid, onder het mom dat iedereen recht op kunst heeft, en dus geld. Een schijn van tolerantie en democratisering, die heeft geresulteerd in een Kafkaïaanse bureaucratie. 'Ik merk hier niets van nieuwe ideeën, van inspiratie, van een vruchtbare grond voor kunstenaars', constateerde Marina Abramovic al. 'Alles wat extreem is, opvalt en afwijkt wordt hier buitengesloten. Hoe tolerant is Nederland eigenlijk écht?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden