Weg met het gewauwel, werk aan de winkel!

Jaren geleden kampeerde ik, dom schaap, op de Veluwe en liep nietsvermoedend door het bos, toen ik werd gewenkt door een man met een baard die naast een Hans en Grietje-huisje een pijp stond te roken....

Kon ik, vroeg hij, een minuutje de voet van de mast tegenhouden terwijl hij en zijn vrouw de top aan de andere kant van het huis met een touw omhoog trokken? En ik knikte en pakte de acht meter hoge mast vast en zij trokken en sjorden en de mast schoot weg, en duizend kilo’s staal raasden langs mijn oor en, enfin, ik leef nog.

Ieder jaar wordt aan de grootste sukkels ter wereld een Darwin Award uitgereikt. Postuum, want deze onderscheiding gaat alleen maar naar die mensen die zo vriendelijk zijn geweest een bijdrage te leveren aan de evolutie door te verongelukken als gevolg van hun uitzonderlijke stupiditeit. Dat wil zeggen, nog voor ze tijd hebben gehad kinderen te krijgen en hun dommigheid daaraan door te geven. Je kunt dan denken aan scheikundestudenten die hun kauwgum interessanter willen maken door er explosieven doorheen te mengen – of aan halvegaren die doodgaan omdat ze een televisiemast op hun kop krijgen.

Vindt u dat wrang, zo’n award? Het hangt er maar vanaf hoe je de wereld ziet. Als onderwerp van morele oordelen, of als plaats waar ons genetisch materiaal strijd levert om de ontwikkeling van de soort.

Vorige week zat ik tijdens het Festival Winterachten te luisteren naar een interview met Jonathan Safran Foer. Aardige, beleefde, intelligente jonge schrijver. Hij heeft een paar romans geschreven en nu een essayistisch boek, Dieren Eten, over de productie en consumptie van vlees. Hij sprak over verleden en toekomst van de mensheid in prachtig weldoordachte zinnen. Ik wil maar zeggen, als u schrikt van het hiervolgende citaat, dan ligt dat niet aan hem, maar aan mij, omdat ik er de schijnwerper op zet.

Foer vertelde over zijn grootouders, Europese joden die na de turbulenties van de Tweede Wereldoorlog naar Amerika emigreerden en daar een familie stichtten. Een deel van dat roerige familieverhaal heeft hij al een paar keer gebruikt voor zijn romans, maar hij vertelde dat hij de rest ervan niet wil opschrijven voordat iedereen dood is. En zo zijn er, concludeerde hij ironisch, op de wereld heel wat schrijvers die beleefd zitten te wachten tot hun familie dood is, voordat ze weer een roman kunnen schrijven.

Waarom precies bleef deze zin zo bij me hangen? Het had iets te maken met de evolutie en met de klinische beleefdheid van schrijvers. De gedachte dat er enerzijds mensen zijn met een geschiedenis, en anderzijds mensen die die geschiedenis opschrijven – grootouders met een leven, kleinkinderen met een pen. En die kleinkinderen, erfgenamen niet zozeer van de biologie maar van de biografie, zijn te beleefd om met hun pen in het leven te gaan roeren. Schrijven doe je op veilige afstand. Onder laboratoriumomstandigheden.

Ik vroeg me af wat Darwin zou zeggen van zulke familieverhoudingen. Op mij kwam het principe van Jonathan Safran Foer vooral over als een pleidooi voor onvruchtbaarheid. Niet letterlijk – Foer is zelf overigens getrouwd met de romanschrijver Nicole Krauss, met wie hij kinderen heeft, dus zo onvruchtbaar zijn zulke schrijvers nou ook weer niet; maar hij schetst wel een beeld van de schrijver als een onvruchtbare klerk. Die zijn beste werk schrijft als iedereen dood is, en zijn allerbeste werk als hij zelf dood is.

Zijn uitspraak bleef vooral ook zo lang hangen omdat ik hem herkende. Ik geef toe, een enkele keer leef ik volop, dan ga ik uiterst avontuurlijk kamperen op de Veluwe en dan verongeluk ik bijna als ik een schaapherder te hulp schiet. Maar al schrijvende volg ik toch vooral het leven en de daden van anderen, en zelf leef ik uit beleefdheid grotendeels met mijn handen op mijn rug.

Zo bracht de uitspraak van Foer me terug bij een onderscheid waarover ik me in toenemende mate zorgen maak. Aan de ene kant zijn er de mensen die voluit leven, beslissingen nemen, torens bouwen, Haïtianen redden, fabrieken opzetten, kinderen krijgen, fouten maken, kortom vruchtbaar zijn, en aan de andere kant zijn er de commentatoren die daarnaar kijken.

Waarover ik me zorgen maak is dat steeds meer mensen aan de kant van de commentatoren komen te staan. Nederland kan wel wat vruchtbaarheid gebruiken, althans, het land verkeert in een economische situatie waarin ondernemingszin en daadkracht hoogst welkom zijn. Maar in plaats daarvan hebben we ons overgegeven aan een commentatorencultus, met een commentaar-partij en een vrije-meningsuiting-rechtszaak.

Niet dat deze situatie de schuld is van de PVV: haar tegenstanders behoren net zo goed tot die cultuur, net als de praatprogramma’s en de onderzoeksburo’s. Maar wie het verslag leest dat journaliste Karen Geurtsen schreef van haar infiltratie bij de PVV, ziet hoe deze partij wel grandioos weet in te spelen op de commentaarcultuur. Niet voor niets blijft partijleider Wilders zo ver als mogelijk weg van de praktijk; hij is geen politicus, hij is een columnist.

Weg met het gewauwel, werk aan de winkel! Dat is deze week mijn commentaar, en toevallig las ik net dat een filosoof de mensen bij moet staan in het ‘hervinden van hun besluitvaardigheid’. Dus kan ik u hier met goed fatsoen hard aan het werk zetten en zelf gewoon wat blijven wauwelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden