Weg met de gelikteimponeer-fotografie

Bescheiden formaten, veelal anoniem werk, weinig uitbundig esthetische genoegens. Het eerste New York Photo Festival breekt met de mode van Rineke Dijkstra-achtige portretten en hippe beeltenissen van de moderne mens....

Dit is de meest fotogenieke skyline van de westerse wereld. Talrijke fotografen en fotoagentschappen hebben hier hun thuishaven. Deze stad is inspiratiebron van kunstenaars en flonkerend decor voor de mooiste modereportages.

En toch kende New York nog geen festival dat haar leidende positie in de fotografie markeerde.

Tot afgelopen week het eerste New York Photo Festival zijn deuren opende. In een paar robuuste gerenoveerde pakhuizen aan de East River in Brooklyn, in de schaduw van de beroemde brug die de wijk met Manhattan verbindt, waren vier dagen lang exposities en presentaties gewijd aan de vraag: hoe ziet de toekomst van de hedendaagse fotografie eruit?

Bezoekers moesten misschien even van de schrik bekomen. Want waar zijn ze gebleven – al die min of meer door Rineke Dijkstra geïnspireerde portretten van jongeren met neutrale blik? Wat is er geworden van de gestileerde, digitaal gezandstraalde beeltenissen van de moderne mens op reuzenformaat prints?

Bescheiden formaten, veelal anoniem werk, weinig uitbundig esthetische genoegens, veel gerecyclede afbeeldingen die van internet en uit tijdschriften zijn geplukt, veel beelden van voorwerpen en weinig menselijke warmte – zo ziet de hedendaagse fotografie eruit, zoals ze in New York werd gerepresenteerd.

Dat doet vrezen voor een kille toekomst.

Spoorloos lijkt de fotograaf die contact zoekt met andere mensen, geintjes maakt om tot hen door te dringen. De directe blik van Ed van der Elsken, Gary Winogrand en William Eggleston heeft plaatsgemaakt voor zichtbare of onzichtbare barrières tussen de fotograaf en zijn onderwerp.

Het NYPF ambieert het Amerikaanse alternatief te worden voor gerenommeerde festivals als die in Arles en Perpignan, met vergelijkbare media-aandacht en bezoekersgetallen. Op honderdduizend bezoekers werd gehoopt, het werden er – misschien door relatieve onbekendheid en het ontbreken van massapubliekstrekkers – aanzienlijk minder.

Vier curatoren richtten ieder hun eigen expositie in. Zij waren uitgenodigd door festivalinitiators Frank Evers, de baas van het in Brooklyn gevestigde fotoagentschap VII (waarbij onder anderen de fotografen Lauren Greenfield, James Nachtwey en Gary Knight zijn aangesloten) en uitgever Daniel Power van het fameuze powerHouse Books. De zichtbaarste curatoren waren de Engelse Magnum-fotograaf (en dikwijls ironisch beschouwer van de consumerende westerling) Martin Parr en Kathy Ryan, chef van de fotoredactie van het toonaangevende New York Times Magazine.

Wat in de toekomstvisie van alle curatoren overeenkomt, is een neiging tot intellectualisme, een zekere ernst en afkeer van gelikte imponeer-fotografie. Voor zwart-witfoto’s was nog maar een bescheiden rol weggelegd.

De uitzondering bevestigt de regel, moet Kathy Ryan hebben gedacht, toen ze de Amerikaanse, sinds 1982 in Zuid-Afrika werkende Roger Ballen uitnodigde. Ryan presenteerde werk waarin niet alleen fotografie, maar ook schilderkunstige en sculpturale uitingen een rol spelen. Ballen, vertegenwoordiger van het oude en vertrouwde zwart-wit, doet dat als geen ander. Zijn werk is onheilspellend en duister – er figureren mannen, kinderen en een enkele vrouw in, die vaak lijden aan psychische stoornissen of, gezien hun flaporen en vertrokken gezichten, een vorm van degeneratie. Zij poseren als model tegen de achtergrond van smoezelige muren en vochtige vloeren, met fladderende kippen, ratten, katten en zwerfhonden als gezelschap.

De muren zijn beschilderd met graffiti-achtige afbeeldingen en ook uit de poses van de modellen, de schikking van attributen – een bezem, een apenschedel, een takkenbos – blijkt de sturende hand van Ballen. Er schuilt een vreemde spanning in zijn zorgvuldig gecomponeerde werk, een mengeling van kwetsbaarheid en gevaar.

Een bonus bij een festival als dit, is dat de fotografen worden uitgenodigd hun werk toe te lichten. Ballen vertelde over zijn werkplek, een door krakers en zwervers in gebruik genomen woonkazerne in een buitenwijk van Johannesburg. Criminelen – moordenaars, verkrachters, roofovervallers – en mentaal gestoorden woonden in het gebouw, waar de politie voor geen goud naar binnen wilde gaan.

Langzaamaan wist Ballen de verschoppelingen te winnen voor zijn fotoproject The Shadow Chamber. Nu en dan stierf een model, een keer stuitte hij in de kelder op enkele in plastic gewikkelde lijken. Hoe verward of agressief soms ook, in Ballens werk wilden de bewoners wel figureren – zij het vaak op voorwaarde van onherkenbaarheid.

Over Ballens werk valt de slagschaduw van loden ernst, en het roept morele vragen op. Is het bijvoorbeeld wel gepast als kunstenaar de beeldregie te voeren in de Zuid-Afrikaanse dependance van Dantes hel? Ballen zelf gaf van geen twijfel blijk. Zelfverzekerd, neerbuigend over de critici wier pogingen zijn werk te duiden tot mislukken zouden zijn gedoemd, met zichtbaar plezier zijn werkwijze mystificerend – Ballen vormde de gedroomde openingsact op NYPF, die de aandacht van de bezoekers scherpte.

In veel opzichten het tegendeel van Ballen is de Engelse fotograaf Stephen Gill. Hij is de vleesgeworden zachtmoedigheid. Hij voelt zich net als Ballen aangetrokken tot de plekken waar de minder welgestelden vertoeven, maar, in tegenstelling tot Ballen, vooral door de fragiele schoonheid van het kleine en imperfecte.

Gill maakte enkele prachtige fotoboeken van de vlooienmarkt Hackney Wick, verscholen in een door natuur overwoekerde uithoek in Oost-Londen. Met een goedkoop cameraatje liep hij er rond, fotografeerde de handelaren en de kleurrijke bezoekers, en liet zijn oog vallen op de grotestadspoëzie van bloeiend onkruid tussen betonplaten.

Hackney Wick was in New York alleen tijdens de diashow te zien bij de presentatie door Gill. Daar toonde hij ook een vrolijke serie over wegwerkers en hulpverleners die oplichten in de duisternis of hun grauwe omgeving door hun oranje fluorescerende jasjes. De steeds herhaalde aanwezigheid van die reuzevuurvliegen geeft de foto’s een absurdistische kracht.

Jammer genoeg waren het juist twee van Gills nieuwe, weinig tot de verbeelding sprekende serietjes die op het NYPF werden geëxposeerd: een met als onderwerp ‘anonieme origami’, gedachteloos gevouwen abstracties die mensen produceren zodra ze papieren tissues of servetten in handen krijgen. Het is, net als het fotograferen van uit teleurstelling verkreukelde en verscheurde loterij- en gokformuliertjes, aardig bedacht, maar mist de betovering van Hackney Wick. De foto’s voegen niets toe aan de originelen, die eigenlijk ook nauwelijks meer dan schouderophalen uitlokken. Het toonde wel aan hoe moeilijk het is, ook voor een gelouterd humanistisch fotograaf als Gill, steeds de juiste snaar te raken.

Meer down to earth was de selectie van Martin Parr, die met zijn selectie, getiteld New Typologies, de groeiende behoefte aantoonde om, in de overvloed van foto’s die het digitale tijdperk kenmerken, een zekere ordening aan te brengen. Hij presenteerde de documentaire fotografen die onder de doorbijters in het vakgebied kunnen worden gerekend: zij die pas loslaten als ze een onderwerp tot op het bot hebben ontleed.

De Argentijnse Ananké Asseff maakt portretten ten voeten uit van landgenoten uit de middenklasse die zich massaal bewapenen om zich teweer te stellen tegen de explosief stijgende criminaliteit. De brave burgers poseren in hun vertrouwde woonomgeving met hun nieuwe bondgenoot in de hand: een pistool. De foto’s zijn schokkend in journalistieke zin, maar roepen mededogen noch antipathie op. Er ontstaat geen contact tussen de toeschouwer en de Argentijnen.

Van het Nederlandse jonge fotografenduo WassinkLundgren toonde Parr de fameuze serie uit Shanghai en Peking. Thijs groot Wassink en Ruben Lundgren zetten een leeg waterflesje op straat of in een parkje, en fotografeerden de sloeber die het oppakte om er bij inlevering een grijpstuiver mee te verdienen.

Het boek Empty Bottles – de eerste druk is inmiddels een collector’s item, en ‘wie de tweede druk niet koopt is absoluut gestoord’, aldus Parr’ – hing opengeslagen per pagina aan de wand, een mooie, typische Parr-methode van exposeren. Een hilarisch, maar ook wat treurig project is het, omdat de fotografen er nauwelijks in slagen contact te leggen met de Chinezen – en dat ook niet echt lijken te hebben geprobeerd.

De camera stond ver weg van de geportretteerden, die vaak op de rug, bij het reiken naar het flesje, werden gesnapt. Van kennismaking is geen sprake.

Anderzijds is het in de gure omgeving van het festival hartverwarmend hoe het duo zich, niet onder de indruk van de architectonische krachtpatserij in de metropolen, concentreert op degenen die zelden een blik waardig wordt gegund.

In dezelfde expositie hing het project Bureaucrats of the World van de Nederlander Jan Banning – een serie portretten van ambtenaren gezeten achter hun imposante bureaus, van Zuid-Amerika tot Rusland, van Texas tot Jemen. Bijna aandoenlijk door de aankleding met veel vlagvertoon, presidentsportretten en welgevulde ordnermappen – bijna, want wie zich verplaatst in de pechvogel die met hen te maken krijgt, zal grimmiger opvattingen ventileren.

Het zijn mede ‘dit soort droge, typisch Nederlandse’ fotoprojecten, stelt Parr, die de fotografie de toekomst wijzen: origineel, ordenend en doordacht.

Dat kan zo zijn, maar wie weet heeft het recyclen van bestaand fotomateriaal een nog veel rooskleuriger toekomst. ‘Stop met fotograferen tot alle foto’s die nu bestaan op zijn’ is het provocerende motto dat de Duitse exponent van ‘foto- sampling’ Joachim Schmid huldigt om orde te scheppen in het uitdijende universum van de beeldcultuur. Hij neemt zijn motto zelf in elk geval serieus en doet niet anders dan (flarden van) foto’s uit archieven en op internet opduikelen en volgens eigen criteria herschikken.

Zo ontstaan werken – lichtbeelden, collages – die doen denken aan archeologie: fotoflarden uit kranten die berichten over de oorlog in Irak, of anti-globaliseringsdemonstraties, maar ook: snippers uit advertenties van callgirls en modeglossy’s. Schmid pleegt fascinerende, associatieve geschiedschrijving en geeft die oogstrelend vorm.

Ook de Amerikaanse Penelope Umbrico is een meester in het hergebruik van bestaande foto’s. Van Flickr.com, de site waarop miljoenen foto’s vrijelijk worden uitgewisseld, plukte ze foto’s van zonsondergangen. Van de printjes maakte ze een collage van pakweg vijftien meter breed en drie meter hoog. Een overweldigende muur van clichébeelden – dat zijn foto’s van zonsondergangen toch – die tezamen een fascinerend monument vormen voor het algemeen menselijk verlangen naar zuiverheid, schoonheid en warmte.

De bezoekers van NYPF konden zich warmen aan de duizenden zonnefoto’s – misschien net voldoende om de overheersende kilte te verdrijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden