We zijn weer vrienden

De komst van president Chirac naar Nederland voor een staatsbezoek bevestigt de opgeklaarde Frans-Nederlandse verhouding. De Franse opstelling is de laatste jaren ingrijpend veranderd: Nederland heeft een plaats gekregen in de Franse buitenlandse politiek....

WIE EEN stapeltje niet eens zo heel oude kranten doorkijkt op de Frans-Nederlandse betrekkingen, valt van de ene verbazing in de andere. Nog maar vijf jaar geleden liet president Chirac premier Kok weten: 'Of jullie pakken de drugshandel aan, of ik sluit de grenzen.' Minister Juppé van Buitenlandse Zaken waste zijn collega Van Mierlo de oren nadat Nederland had besloten Amerikaanse gevechtshelikopters te kopen, en geen Franse. Andersom ging het niet minder stevig toe. Na het hervatten van de Franse kernproeven op Mururoa daalde het Nederlandse toerisme naar Frankrijk spectaculair, ging de beaujolais primeur in de ban en werden affiches verspreid met de tekst: 'Stop Chirac in de bak.'

Blader in de kranten van de laatste tijd en het wederzijdse respect kan niet op. Twee jaar geleden liet Chirac zich nog in Libération ontvallen dat 'Hollanders kooplieden zijn, die alleen maar geïnteresseerd zijn in de handel van kan niet schelen wat'. Nu is hij de eerste Franse president sinds zestien jaar die Nederland met een staatsbezoek vereert. In oktober was het Kok die naar Parijs ging, een jaar daarvoor reisde Jospin naar Den Haag. Het aantal pendelende ministers is niet meer bij te houden. Op diplomatiek niveau benadrukt men zowel in Parijs als Den Haag hoezeer Frankrijk en Nederland het in Brussel stelselmatig eens zijn. Hoe is zo'n omslag mogelijk in een dergelijk korte tijd? Of is er eerder sprake van schone schijn?

Neem dat andere grote land waarmee Nederland het per traditie moeilijk heeft - Duitsland. De historicus Von der Dunk wees erop dat 'Duitsland fungeert als contrast-natie voor de eigen identiteit' van de Nederlanders. Bijvoorbeeld via de kaartenactie 'Ik ben woedend', nadat in Duitsland een huis met buitenlanders in vlammen was opgegaan. Wij kennen ons een mooi blazoen toe door ons op te winden over slechte Duitsers.

Franse geschiedvorsers - voorzover ze zich bezighouden met dat land dat ergens in de toendra voorbij Lille moet liggen - zagen iets soortgelijks toen de ruiten van het Franse consulaat na de hervatting van de kernproeven aan diggelen gingen. Christophe de Voogd, historicus, directeur van het Maison Descartes in Amsterdam, zocht de verklaring in 'de gevoeligheid van een klein land tegenover een groter'.

De Voogd wees in een lezing op het feit dat Nederlanders de pest hebben aan alle Franse presidenten vanaf De Gaulle tot en met Chirac, terwijl Groot-Brittannië zich in een constante populariteit mag verheugen - ondanks mevrouw Thatcher. Zijn collega-historicus Philippe Noble, zijn voorganger als directeur van Maison Descartes, sprak van 'le grand malentendu' - het grote misverstand, en van het 'Calimero-gevoel' van Nederlandse onmacht ten opzichte van zijn grote Europese buren.

Toch is er verschil in de Nederlandse houding tegenover Duitsland en die tegenover Frankrijk. Het anti-Duitse activisme was een volksbeweging, terwijl de Nederlandse maatschappelijke top - politiek, wetenschappelijk, diplomatiek - zich beschaamd afwendde. In de reeks recente botsingen met Frankrijk weerde de elite zich even krachtig als het volk. In de diplomatie, de politiek en bij de ambtenarij in Den Haag is een anti-Franse houding bon ton. Minister Jorritsma in 1996: 'Frankrijk is een leuk land, jammer dat er Fransen wonen.'

De Amsterdamse hoogleraar Maarten Brands staat op de eerste rij als er uitgehaald moet worden omdat de Duitsers weer ten onrechte door het slijk zijn gehaald. Maar over de Fransen schreef Brands in 1979 een artikel onder de titel 'Is Frankrijk boven de wet van de internationale kritiek verheven?' 'Wat hypocrisie, twijfelachtig karakter en machiavellisme zou heten in elk ander land, wordt wanneer het gaat om de Franse buitenlandse politiek positief beoordeeld als stoutmoedigheid, durf en superioriteit van het Franse genie.'

Ook twintig jaar later beschouwt men in Nederland zijn eigen anti-Franse houding niet als een Nederlands mentaliteitsprobleem, maar als een gevolg van aanwijsbare Franse tekortkomingen. We bevinden ons in Nederlandse ogen niet in de afdeling beeldvorming, maar in de zone van het reëel bestaande gelijk en ongelijk. En dat heeft uiteraard politieke gevolgen.

Waar is de tegenvoeter van prof. Brands om voor Frankrijk in het krijt te treden als de vox populi zich opwindt over de arrestatie van een wielercoach op Franse bodem? Als het Frankrijk betreft zijn we niet geneigd naar de balk in ons eigen oog te kijken. Zou het zo kunnen zijn dat de moeizame verhouding met de Fransen dieper gaat dan de traditioneel moeilijke Nederlands-Duitse betrekkingen?

Het grootste deel van de moderne geschiedenis hebben Frankrijk en Nederland met de ruggen naar elkaar toe geleefd. De napoleontische tijd is in het Nederlandse historische bewustzijn weggeduwd als een incident, dat wel een substraat van wantrouwen tegen het Franse imperialisme en hegemonisme heeft achtergelaten, zoals Christophe de Voogd het in zijn Clingendael-rede noemde.

Pas na de oorlog kwamen Frankrijk en Nederland dichter bij elkaar, met het gezamenlijke lidmaatschap van de EGKS, EEG en NAVO. Die nabijheid kreeg als paradoxaal gevolg een reeks botsingen, te beginnen bij Luns wiens aanvaringen met De Gaulle in de jaren zestig in de Nederlandse pers als heroïsch verzet werden afgebeeld. De Gaulle wilde de Britten niet in de EEG hebben als vijfde colonne van de Amerikanen - die de ontkenning waren van de Franse positie als wereldmacht. Om hetzelfde Amerikaanse hegemonisme stapte Frankrijk in 1966 uit de NAVO.

De Franse buitenlandse politiek sinds de Tweede Wereldoorlog, schreef de Amerikaanse historicus Stanley Hoffmann, kan worden beschouwd als één grote poging om het respect terug te verdienen dat met Vichy verloren ging. De Gaulle deed er alles aan om van Frankrijk weer een puissance te maken, een woord waarvoor - veelzeggend - niet eens een Nederlandse vertaling is. 'Ik vind macht eng', zei Bram Peper ooit en daarmee is de diepgevoelde Nederlandse weerzin verwoord. Maar generaal De Gaulle riep: 'Vive la France' toen de eerste kernproef in de Sahara in 1960 lukte en de eigen force de frappe weer een stap dichterbij was gekomen.

Nederland was na de oorlog een diametraal andere weg gegaan. De neutraliteit - in 1848 gekozen door Thorbecke - zat in de botten. In Franse ogen had Nederland de eigen veiligheid na de Tweede Wereldoorlog opnieuw uitbesteed, onder de veilige paraplu van de Amerikaanse atoommacht. Neutraliteit in een andere jas, zou je kunnen zeggen. Niet een benadering waarmee je in Frankrijk de handen op elkaar kreeg, en krijgt.

Daarmee zijn de gevoeligheden tot het einde van de Koude Oorlog wel geschetst: in Nederlandse ambtelijk-politieke kring een grondig wantrouwen tegen de Franse machtspolitiek, raison d'état en chauvinisme. In Frankrijk het beeld van Nederland als braafste jongetje uit de Atlantische klas, bruggenhoofd van de angelsaksen op het vasteland. Tot vandaag valt er op de internet-site van de Quay d'Orsay te lezen dat Nederland gekarakteriseerd wordt door zijn 'geprivilegieerde relatie' met de Amerikanen.

NA 1989 en de val van de Muur realiseerden de Fransen zich dat de kaarten anders waren geschud. Frankrijk was zijn half onafhankelijke, half bondgenootschappelijke positie in de luwte kwijt. Het evenwicht tussen de supermachten was weggevallen, het hegemonisme van de Amerikaanse 'hypermacht' werd sterker gevoeld dan voorheen. Daar kwam het besef bij dat Frankrijk in de Golfoorlog nauwelijks kon meekomen, Duitsland was gegroeid, en een reeks landen in het oosten meldden zich die allemaal à la carte aan Europa mee wilden gaan doen.

Parijs begon met een poging tot basisverbreding, zoals het in het bedrijfsleven zou heten. Eerst door de zieltogende West-Europese Unie op te tuigen. Toen dat niet lukte, kondigde Chirac aan dat de Fransen terugkeerden in de NAVO. Ook die poging strandde, maar de Fransen gingen vastberaden door met hun Europese defensieflirt, sinds de komst van Hubert Védrine op Buitenlandse Zaken gecombineerd met een uitgesproken poging de spreekwoordelijke Franse arrogantie te temperen.

Voor Nederland leken er aanvankelijk weinig vuiltjes aan de lucht. Niets aan de hand was na 1989 het parool van Van den Broek, wij blijven schuilen onder moeders Amerikaanse vleugels. Minister van Mierlo begon in 1994 zijn 'buurlandenpolitiek', minder vanwege de nieuwe verhoudingen in Europa, dan als gevolg van een jarenlange persoonlijke overtuiging dat we niet al onze kaarten op de VS moesten zetten. De Fransen sprongen er aanvankelijk gretig in. Maar Den Haag reageerde lauw, en toen pal na het aantreden van Jacques Chirac (1995) de drugscrisis uitbrak, was het voorlopig gedaan met de nieuwe liefde.

De drugscrisis kwam opnieuw in het kielzog van een nauwer aanhalen van de banden - het verdrag van Schengen. Frankrijk hanteerde de gebruikelijke procedure: hard inzetten op hetgeen je wilt bereiken, en je poot zo lang mogelijk stijf houden. Ambassadeur De Montferrand verwoordde het Franse standpunt zo: 'Hoe is het mogelijk dat Nederland zijn identiteit ontleent aan zoiets negatiefs als het gedoogbeleid voor drugs, terwijl er in dit land zoveel mooie dingen zijn?'

Hij bewees ermee hoe groot het onbegrip tussen de twee landen is. Nederland hecht niet aan zijn drugsbeleid omdat verdovende middelen zo populair zijn of omdat Nederlanders werkelijk zo tolerant zijn. Nederland heeft nooit ingezien dat de frontale Franse benadering een kwestie was van een antagonistische politieke stijl, en heeft de kritiek opgevat als een rechtstreekse aanval op de Nederlandse soevereiniteit. Na goed overleg geven wij zonder pijn de gulden, de strijdmacht of de staalindustrie eraan, maar de macht moet wel door het recht op zijn plaats gehouden worden.

Nederland had in de drugskwestie voet bij stuk moeten houden, schreef Le Monde-correspondent Alain Franco, 'dat is de methode die men in Parijs kan begrijpen omdat men zelf ook zo te werk gaat'. Hoezeer de drugscrisis een botsing van stijlen was en niet een essentiële tegenstelling, bleek vervolgens uit de snelheid waarmee het probleem kon worden gedepolitiseerd door het instellen van werkgroepen, het uitwisselen van douaniers et cetera. Maar Nederland maakt als het Frankrijk betreft geen onderscheid tussen moedwil en misverstand.

'Vergeet de geografie, vergeet de cultuur. Europa gaat over politiek en economie', schreef The Economist twee weken geleden in een hoofdartikel 'What is Europe?' In dat licht moet het bezoek van president Chirac aan Nederland worden gezien, maandag en dinsdag. Frankrijk realiseert zich dat het in Europa vrienden nodig heeft. En Nederland hoort daarbij, vooral als mede-oprichtingsland van de EEG. In ruil daarvoor is Chirac bereid zijn mond te houden over drugs.

Frankrijk is sinds de Koude Oorlog kleiner geworden. Nederland voelt zich (economisch) gegroeid. 'Hoe flikken die Hollanders het?' kopte Le Figaro een groot artikel over het poldermodel. 'Onze verslaggever in het land van de 3,9 procent werkloosheid.' En tijdens een Frans-Nederlandse bijeenkomst van socialistische kopstukken, vorig najaar, lieten partijvoorzitter Hollande en onderminister Moscovici zich openlijk jaloers uit over het Nederlandse consensusmodel, de vakbonden waarmee - verbazingwekkend - te praten valt en het begerenswaardige middenveld. De Hollanders zijn beter uit de mondialisering gesprongen dan de Fransen met hun alomvattende staat. Het aantal krantenartikelen is niet meer te tellen over het akkoord van Vasenaar of Wassenaer - de taal blijft een probleem.

Nederlandse diplomaten hebben het tegenwoordig met enige nadruk over ons 'middelgrote land'. En kijk, wijzen de vertegenwoordigers van Hare Majesteit, de Fransen vinden ons goed. Het Franse ministerie van Defensie meldt op zijn internetpagina - kopje 'De lessen van Kosovo' - dat de Nederlandse vliegtuigen weliswaar minder 'sorties' hadden gemaakt dan de Fransen, maar evenveel als de Britten, en veel meer dan de Italianen of de Duitsers.

WE ZIJN weer vrienden. De kwestie-Duisenberg is vergeten, Cees Priem weer thuis, Srebrenica begraven samen met generaal Janvier, Nederland worstelt met zijn eigen voetbalkaartjesverkoop, en het aantal aanmeldingen voor cursussen Frans bij Maison Descartes stijgt spectaculair. Maar het elementaire wantrouwen is niet weg. Nederland is blij met de nieuwe Franse liefde, maar wacht zelf af.

Eind 1998 sloten de Fransen met Tony Blair hun befaamde overeenkomst met van St. Malo, over een te vormen Europese defensiemacht. Een overeenkomst die indruiste tegen alle Nederlandse Atlantische geloofsartikelen, vooral die van de twee direct betrokken VVD-ministers, Van Aartsen en De Grave. Zo werd 'St Malo' in Den Haag maar liefst zo lang mogelijk genegeerd.

President Chirac heeft er tijdens het laatste bezoek van Kok aan Parijs, in oktober, krachtige woorden aan gewijd. In Franse ogen heeft Nederland niet gezien hoe de wereld verandert. 'Nog Atlantischer dan de Amerikanen zelf', noemt het Elysée de Nederlanders. Uiteindelijk sloot ook Nederland zich bij het Europese defensiekoor aan. Schoorvoetend.

Proef het ingezonden stuk van minister Van Aartsen in Le Monde van 9 december. 'De urgentie van een gemeenschappelijke defensiepolitiek' staat erboven. Een titel die in het stuk zelf, alinea na alinea, wordt ontkracht. Laten we toch vooral de Atlantische Alliantie versterken, schrijft Van Aartsen. En vooral als complete Europese Unie opereren, met z'n vijftienen, en niet met een select gezelschap. En geen bureaucratische façade oprichten, en geen geld uitgeven voor een crisismacht die reeds in NAVO-vorm bestaat. Het onderliggende lied klinkt tussen de regels door. Alles mooi, zolang de Fransen het maar niet voor het zeggen krijgen.

Het staatsbezoek van Jacques Chirac bewijst dat de Fransen wat van Nederland willen. Maar wat wil Nederland van de Fransen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden